Over de bundel Overwoekerd (Cossee, 2010)

'Even politiek geëngageerd als commercieel' - Maaike Meijer, De 100 beste Gedichten, januair 2011
Dertigersgeluk - Lieneke van Waalwijk van Doorn, Roodkoper, december 2010
'...de verloedering van de wereld - Remco Ekkers, VKBlog, december 2010
'Tsead Bruinja doet Tsead Bruinja' - Joop Leibrand, Meander, 07-08-2010
'Vooral een columnist' - Guus Middag, NRC en NRC Next, 30-05-2010
Als je moeder een pruik draagt - Luuk Gruwez, De Standaard, 30-07-2010
'Treurig en blij' - Herman van Veen op zijn blog, 19 juli 2010
De spiegel van de lulligheid - Gaston Franssen, De Reactor, juni 2010
Je wilt terug naar de regen - Piet Gerbrandy, De Groene Amsterdammer, 30-06-2010
Klein venster op de grote wereld - Janita Monna, Trouw, 26-06-2010
Gelukkige liefde- Samuel Vriezen in Awater, zomer 2010
'Onbehaaglijke ruimte' - Hans Groenewegen voor Biblion, juni 2010
'Gevecht tegen het muitende lichaam' - Willem Thies op Poëzierapport, 15-06-2010
'Bedrieglijk simpel en licht' - Holly Moors op Moorsmagazine, 10-06-2010
Bijna gelukkig getrouwde man leest poëzie - Joep van Ruiten, Dagblad van het Noorden, 05-06-2010
'Emotionele pit en stoere bolster' - Albert Hogeweij op Literair Nederland, 04-06-2010
'Wereldse bundel in een opvallend eenvoudig parlando geschreven' - Erik Lindner, De Groene, 25-05-2010'Parels in deze rijk geschakeerde bundel' - Eppie Dam, Leeuwarder Courant, 21-05-2010


Over mijn bijdrage aan de bloemlezing Nu U! van uitgeverij de Wintertuin

'Extatische echo van Paul van Ostaijen' - Liesbeth Goedbloed in het Nederlands Dagblad, 13-05-2010


Over de bundel Angel (Bornmeer, 2008)

Om wat foarfallen is - Rieuwert Krol, april 2009
Handel in poëzie - Hein Walter, Roodkoper, maart 2009
Boekekast of krantebak - Harmen Wind, Leeuwarder Courant, 23-01-2009
Nee, er is geen land om trots op te zijn - Arie van den Berg, 16-01-2009
'Gedichten die de stilte in zich dragen' - Ezra de Haan op Literatuurplein, januari 2009
'Afwisselend, klankrijk en krachtig' - Jelle van der Meulen op zijn website, januari 2009


Over de gedichten in de bloemlezing Kwam dat zien! Kwam dat zien! (Querido, 2008) Red. Ted van Lieshout.

'Politieagentenproza' - Karel Berkhout, NRC, 26-09-2008



Over De geboorte van het zwarte paard (Uitgeverij Cossee, 2008) en over werk in Het goud op de weg - een bloemlezing uit de Friese poëzie sinds 1888 (Bornmeer, 2008)

Brug tussen Friesland en Holland - Edwin Fagel op De Recensent, 18-11-2008
Hedendaagse Friese lyriek - Fleur de Meyer in de Poëziekrant, Oktober 2008
Verschilt niet wezenlijk van hun Nederlandstalige oeuvre - Rob Schouten in Vrij Nederland, 30-09-2008
'Terug bij waar het begon' - Victor Schiferli, Parool, 24-09-2008
'Een zachtmoedig zanger' - Willem Thies, juli 2008
'Een prachtig overzicht' - Jelle van der Meulen voor Biblion, juli 2008
'Het frivole gemak' - Michaël Zeeman, De Volkskrant, 04-07-2008
'De Simon Vinkenoog van de 21ste eeuw' - Erik Lindner, De Groene Amsterdammer, 26-06-2008
'Eén van de beste en bekendste' - Trouw, 14-06-2008
'Schrijnende en liefdevolle zinnen' - Herman van Veen, weblog, 01-06-2008

'Een zekere mate van aandoenlijkheid' - Saskia van den Heuvel op haar weblog, juni 2008
'...goed beeld van de ontwikkeling van Bruinja' - Chrétien Breukers, De Pers, 27-05-2008


Over mijn prozabijdrage aan En toen viel ik van het podium (Prometheus, 2007) ervaringen van schrijvers on the road

De wat warrige prietpraat van de Friese dichter Tsead Bruinja - Jaap de Berg, 23-03-2007


Over meerdere bundels

Overzicht van de Nederlandstalige bundels op de website van de KB, nov. 2008
Hans Groenewegen over Bang voor de bal, Batterij en Dat het zo hoorde in Yang


Over Bang voor de bal (Cossee, 2007)

Poëzietop 5, Henk Blanken, Dagblad van het Noorden, 31-12-2007
Wasbord spelen op de onderkaak van een dode koe - Henk van der Veer, de Sneeker, 11-2007
Hartbewaking - Anneleen de Coux, oktober 2007
Achter het venster de angst? - In Letterland, juni 2007
Gelukkige en goede poëzie
- Wytske Visser, 8weekly, 12-05-2007
Dichter schakelt gevoel uit - Eric Kok, Haarlems Dagblad, 31-03-2007
De lyricus geeft zich over - Hans Groenewegen, NBD, Biblion, maart 2007
Analyses van een kleine wereld - Ilse Heslinga, Farsk, maart 2007
Liever geen odes, dienstregelingen! - Arie van den Berg, NRC, 23-03-2007
'Soms zelfs bezwerend' - Vrouwkje Tuinman, La Vie en Rose, maart 2007
Het valt niet mee - Hanz Mirck, Krakatau, nr. 43. 2007
't Kind dat niet in haar armen ligt - Piet Gerbrandy, De Volkskrant, 23-02-2007
De werkelijkheid bezweren - Remco Ekkers, Leeuwarder Courant, 16-02-2007
Gevoel op afstand houden - Wilma van den Akker, Meander, februari, 2007
Vernuftige taalvondsten - Ronnie Terpstra, Boekhandel van der Velde, februari, 2007
Ieder gedicht lijkt een miniroman - Fleur Speet, Het Financieele Dagblad, 27-01-2007
Er blijven genoeg raadsels over - Karien Hilbers, Noord-Hollands Dagblad, 02-02-2007
Gedichten te koop - Edwin Fagel, De Recensent, 22-01-2007
Specialist in kozijnen - Henk Blanken, Dagblad van het Noorden, 19-01-2007


Over Batterij (Contact, 2004)

Soms loopt zijn werk van de rails - Biblion
Een bijzonder talent om op een talent te lijken - Jeroen Mettes, Poëzienotities, 06-09-2005 Houdbaar - Wytske Visser, 8Weekly, 06-03-2005
Shock and awe - Gaston Franssen, De Moanne/Trotwaer, februari 2005
De wereld zoals hij is - Piet Gerbrandy, De Volkskrant, 30-12-2004
Exuberantie als doel op zichzelf - Thomas Vaessens, Het Financieel Dagblad, 11-12-2004
Woorden en hun directe omgeving - Ricco van Nierop, De Recensent, 13-12-2004
Bijna een acht - Chrétien Breukers, Poëzierapport, 05-12-2004
Wie speelt voor God - Arie van den Berg, NRC, 03-12-2004
Dag meisjes, dag consumptiebonnen! - Erik Jan Harmens, Het Parool, november 2004
Van top tot teen geladen - Stijn Ekkers, Iets met boeken, oktober 2004


Over Dat het zo hoorde (Contact, 2003)

'Zinnen ineeen schroeven'- Hans Groenewegen voor de bibliotheken
'Ontijdig panorama' - Thomas Vaessens, De Volksverheffing, november, 2004
'Opvallend door de onopvallendheid' - Dirk de Geest, De Leeswolf, nr.2 /2004
'Heldere stem voert de boventoon' - Maria Barnas, De Groene Amsterdammer, maart 2004
'Bruinja's doorzagende, interpunctieloze poëzie blijft voortdurend aan je arm bungelen' - Adriaan Jaeggi, Parool, 02-01-2004

'Een handvol geslaagde gedichten' - Ron Rijghard, Awater 3, 2003
'Meerdere tongen' - Hein Walter, Roodkoper, herfst 2003
'Vragen zonder vraagteken'- Edwin Fagel, De Recensent, 16-11-2003
'Een zingende dichter' - Daniël Dee en Maria van Daalen, Radio Oeps, oktober 2003
'Zwemt in Sehnsucht' - Elmar Kuiper, Farsk, oktober 2003
'Bruinja's poëzie sluit niets uit en suggereert alles' - Ilja Leonard Pfeijffer, NRC, 12-09-2003
'Het draait om bomen en rotsen' - Piet Gerbrandy, Volkskrant, 05-09-2003



Even politiek geëngageerd als commercieel

Door Maaike Meijer

...Het werk van de zowel in het Fries als in het Nederlands schrijvende Tsead Bruinja doet het ook goed als performance: het is tamelijk anekdotisch en komt daardoor meteen over. Bruinja’s prozastukken kenmerken zich door ademloze zinnen en bezwerende herhalingen, waardoor je dit proza toch weer als poëzie ervaart: heel bijzonder. Verder experimenteert hij met intermedialiteit. Hij schrijft gedichten bij beeldende kunstwerken, doet veel aan gelegenheidsgedichten, is even politiek geëngageerd als commercieel bezig, performt samen met muzikanten en zelfs met een flamencodanseres.

Bron: Inleiding bloemlezing De 100 beste gedichten VSB Poëzieprijs 2011 (De arbeiderpers)

terug naar boven



... de verloedering van de wereld

Door Remco Ekkers
 
Tsead Bruinja
 
Bruinja maakt graag gebruik van ready-made-teksten en hij doet het omdat die op een niet subjectieve manier de absurditeiten van het menselijk bedrijf laten zien.

Heel andere teksten lijken op die van Arjen Duinker met de stijlfiguur allocutie. Dingen uit de werkelijkheid worden aangeroepen, verwelkomd, bezworen misschien. Als hij zo’n gedicht voordraagt klinkt het heel vitaal en vrolijk: ‘hé blad aan de bomen hé / hé zon in de lucht hé / hé blad aan de bomen hé’ en zo gaat het door met het verwelkomen van gebakken rode steen, rook uit de schoorsteen, paden die de ik loopt, met haar etc.
Repetitio, ook een geliefde stijlfiguur van deze dichters.

Liefde: Er zijn gedichten die onbekommerd verslag doen van des dichters liefde voor zijn vrouw. Ho, ho, hoor ik iemand zeggen, wil je de dichter niet verwarren met de persoon Tsead Bruinja?! Ja, ik weet het, het is geen een op een-relatie, maar waar anders haalt de dichter zijn stof? Ook Kouwenaar dichtte over zijn huis in Frankrijk, de dood van zijn vrouw; Kopland over zijn dochters, over zijn verlangen naar een sigaret; Esther Jansma over haar kennis van de ouderdom van hout; vroeger Hans Vlek over zijn leven etc. Bruinja doet overigens aan de laatst genoemde dichter denken.

Hij verwacht morgen de nieuwe wasmachine, hij zegt: ‘we zijn jong’, maar weet dat hij ouder is geworden, dat hij verkouden is, dat hij zichzelf even niet wil zien, maar bij ‘het plassen mislukt het // ik zie mijn sippe lippen’. (‘sippe lippen? Friesisme?) Zijn vrouw ligt boven naast de wekker en de trouwfoto. ‘wie van ons gaat het eerst vraag ik me af / en redden we het met zijn tweeën’. En als er geen kinderen komen? Ze slapen bij vrienden in een kinderkamer. Raar gevoel. In het ziekenhuis levert hij zaad. Raar gevoel. Wordt het ooit een meisje, dan hoopt hij dat ze bitterballen lust, de snackbarhouder op Vlieland indachtig ‘ die de kroket uit de frituur haalde en vroeg / hier opeten of thuis weggooien?’

Raar gevoel, dat zaad in een potje, in een geel bakje, en de receptioniste achter de balie, bijna een bar. ‘wij weten dat de wereld in een soort tussenfase is beland / en richten ons meer en meer // op ons dagelijkse leven’

Hij schrijft spottend over een zekere Tsead Bruinja, die fantastische dingen doet, over de hele wereld. In een prozagedicht staat: ‘Te verwachten valt dat Tsead binnenkort de roeping van de nobele dichterij zal verlaten om gitaar te gaan spelen bij bands als Bloody Dick Swamp, Squirrel Nut Zippers of Phungusamongus. Ongetwijfeld zal Tsead ook daarin geil en succesvol blijken.’

Ja, waar gaat het eigenlijk om? ‘dichterij’? Iets tussen rijmelarij en dichtkunst?

Waar het werkelijk om gaat is de verloedering van de wereld, de woede die in je opkomt als je goed om je heen kijkt, in Soweto, op de Balkan, in eigen land met Wilders.

‘de wereld staat in brand en ik speel viool’

*

Spelen op de brandende viool

Wat stellen we nu helemaal voor? We hebben voor 90% het dna van de fruitvlieg; we zijn maar iets slimmer dan de bonito. En kijk eens naar de medemens op de tribunes, in de stad, bij de supermarkt of thuis ‘achter de geraniums / met blauwe lippen en drankneus / door een vloeitje / op een kam jengelt’.

En onze toekomst? Ach, het gaat goed met ‘het duingentiaanblauwtje / en de ortolaan ‘, maar eerst wordt het minder met de natuur, het klimaat, de rampen,  oorlogen, uitbuiting, verschillen tussen arm en rijk; ‘maar daarna // daarna echt waar / echt waar en heus beloofd // daarna komt er ruimte / ruimte voor het dwergdikkopje / de vlagzalm en het bosdoorntje’.

‘Goed nieuws’ heet het gedicht over onder andere het duingentiaanblauwtje en daarin staat ook: ‘de handel in lijkzakken zal floreren’.

Hoe moet je de dichter Tsead Bruinja kenschetsen? Als een teleurgesteld idealist, een postmoderne cynicus? Ik zie hem als een opgewekte scherpe waarnemer van onze werkelijkheid, geïnteresseerd in nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen, realistisch met een vleugje optimisme. Als dichter is hij speels, melancholiek, zich zeer bewust van de betrekkelijkheid van zijn positie, volks, intellectueel, taalgevoelig, muzikaal.

De titel van de bundel, Overwoekerd, vinden we al snel terug na een introgedicht, dat beschrijft hoe een kind leert lopen tussen zijn ouders in, naar zee, daar alleen staat tegenover ‘het niets’ en roept ‘kom terug’. Het is een thema bij Bruinja: de opvoeding op het platteland, het verlies van kinderlijke zekerheden.

De plaatsing van het gedicht lijkt te wijzen op zijn positie als dichter: ‘we zijn begonnen // en het is alsof we begonnen zijn / met kruipen // het lopen lijkt veraf / maar we zijn jong / we nemen de tijd’. Het lijkt alsof de jonge dichter zegt: wacht maar, ik ben nog aan het leren van mijn voorgangers, maar straks, dan zul je wat zien. Ik ben nu even geen Dichter des Vaderlands geworden, maar wacht maar wat er nog komt! Misschien gaat hij wel iets heel anders doen. Overigens heeft hij al negen bundels gepubliceerd. Zo piepjong is hij niet meer. Bij de dokter hoort hij dat hij minder moet drinken en dat verrast hem. Hij is nog geen 64! Op je 34ste mag je toch nog je gang gaan!

De titel staat in een tweede, prozagedicht: de dichter is overwoekerd door de dood, de liefde, de jaloezie, de haat, de geilheid, de woede, het geloof, de muziek, maar hij is er niet mee bezig, herhaalt hij steeds en dan nog eens wordt de hele reeks genoemd met de herhaling dat hij er niet mee bezig is. En dus weet de lezer: met deze ‘dingen’ is hij bezig en de lezing van de bundel bevestigt het.

Dood:  Er is een vrouw gevonden, drie dagen bedolven onder sneeuw; ‘Man gevonden geen wormen wel maden’, op de kist in de crematie-oven ligt een vuurvast steentje, een man wordt in brand gestoken, op Bali moet de zoon de brandstapel aansteken: ‘De familie wacht tot de schedel is gebroken. Als het breken van de schedel uitblijft, wordt met een twaalf meter lange stok boter op de schedel gesmeerd, waarna deze binnen twintig tot dertig minuten alsnog breekt.’

Bron: Weblog Remco Ekkers - http://www.vkblog.nl/blog/6109/Vol-ledige_betekenis

terug naar boven



Dertigersgeluk

Door Lieneke van Waalwijk van Doorn

(…)

we slapen bij vrienden in een kinderkamer
omdat de kinderen het weekend
bij vader of moeder zijn

na twee nachten omringd door dierenposters
willen we alleen nog maar de videobanden van bambi zien

het is zo’n dag waarop je naar de andere kant van het land zou rijden
vanwege een advertentie op marktplaats

iets uit je jeugd datje per ongeluk
tevoorschijn googelde

je ruimt er een plank voor in

(...)

En dat je vervolgens tegenover de advertentiezetter op de bank zit (‘een engerd van wie ze na zijn geboorte meteen de mal hebben gebroken’) in een huis met hordeuren, zo beschrijft Tsead Bruinja (l974) het vervolg van de marktplaatstocht in het gedicht ‘Het haar op onze wonden wordt grijs’. Een hedendaags gedicht waarin de melancholie zich richt op Walt Disney video’s, kenmerkend voor de jeugd van twintigers en dertigers van nu. Google en Marktplaats worden ingezet om jeugdherinneringen te voorschijn te toveren: een mooie tijdsaanduiding voor de toekomstige lezer. Het gedicht eindigt met de volgende regels:

en je voelt je als een terminale patiënt
die voor een Ioslatende vulling

naar de tandarts gaat

Het lijkt alsof Bruinja met deze metafoor een gevoel van zinloosheid wil opwekken, maar na goed lezen blijkt juist het tegendeel waar: een besef van (een weliswaar zeer beperkte) zinvolheid wordt hier beschreven. Immers, door de vernieuwde vulling zal kiespijn de terminale patiënt zijn laatste drie levensdagen bespaard blijven, alvorens hij op de vierde dag sterft aan zijn ziekte. Het is dit besef van een beperkte zinvolheid dat ook een rol speelt in andere gedichten in Overwoekerd, de tiende bundel van de van oorsprong Friese dichter.

Bruinja debuteerde met de Friestalige bundel De wizers yn it read in 2000. Ook de twee daarop volgende bundels waren Friestalig, de eerste Nederlandstalige bundel verscheen in 2003, getiteld Dat het zo hoorde. Na verschillende prijzen en nominaties werd Bruinja in 2008 genomineerd voor Dichter des Vaderlands.

Bruinja vertelt veel over bruiloften van vrienden, Waarvoor hij en zijn vrouw zijn uitgenodigd, over het opknappen van een huis van weer andere vrienden, die ook net getrouwd zijn, over het tevreden getrouwd zijn zelf.  Het is het volle dertigersgeluk dat hij portretteert: enerzijds gesetteld (want getrouwd, in het bezit van een huis, een wasmachine, vrienden, een baan, een hond, een auto) en anderzijds nog onbegrensde mogelijkheden (want jong en beginnend aan carrière). Bruinja beseft,
beschrijft ent waardeert dit geluk, en wordt daarmee bescheiden.

de zon schijnt ons vol in het gezicht

(...)

met het werk dat nog voor hem Iigt
met de nieuwe kinderen die in de bulk
van zijn vrouw groeien
en nog niet denken

waar wij op wachten

ik zit naast mijn vrouw

de routebeschrijving die we voor de heenweg gebruikten
Iigt op de vloer naast een mapje cd’s

ik kijk naar de plek waar de autoradio zat
waarvan we het frontje thuis hebben Iaten Iiggen

en ik kijk naar haar
en ik kijk naar de weg

de zon schijnt ons vol in het gezicht

Met het volle besef van eigen geluk komt tegelijk het besef van het ongeluk van anderen. In het volgende gedicht plaatst Bruinja zijn thuis tegenover de wereld, een veilig en comfortabel thuis versus de wereld met oorlog, armoede, ellende. De titel verraadt reeds de houding van bescheidenheid.

wat durven wij te hopen

terwijl ik ’s middags naar een oorlog kijk die ik niet heb meegemaakt
en buiten de kinderen Iuidkeels thuiskomen van school
belt de buurman aan die gisteren via een sms zijn excuses aanbood
voor de geluidsoverlast van zijn verbouwing

(...)

in de film wrijft de soldaat inmiddels het bloed van zijn dode tegenstander
over zijn gezicht en gaat met twee mijnen op zijn borst
tussen de Iijken liggen

wat durven wij te verwachten van dit leven
waar durven we op te hopen meer dan op een goeie buurman
een goeie vrouw haar hart als een vesting
en een te verdragen aantal tegenslagen

Het zien van de oorlogsscène had zich kunnen vertalen in een gevoel van alles verlammende zinloosheid, resulterend in het vetlies van levensgoesting. Maar dat gebeurt niet. Ook hier richt Bruinja zijn aandacht op wat er dan nog wel mogelijk is, wat nog wel zin heeft, het dagelijkse. Al is
het zeer beperkt en gepast bescheiden waarop we mogen hopen: een goeie buurman, een goeie vrouw en niet te veel tegenslagen.

De tegenstelling tussen thuis en de wereld komt in vele vormen terug in zijn bundel: ‘de wereld staat in brand en ik speel viool’ (uit: ‘Voor de kat’). In ‘Uw plaats in ons meedogenloze archief’ vormt de tegenstelling het ritme van het gedicht, zoals in het volgende fragment: de soldaten sloegen haar kinderen zo hard / dat ze wel de kamer uit moest komen // leuk voor kinderen zijn knutselen / spelletjes kleurplaten. Bruinja vertelt ook graag over de ‘buurt’, waarin hij het kleine en lokale en soms zelfs het platte benadrukt. Titels als ‘Zin in braderie’, ‘De mens pakt het liefst op ooghoogte
de kroket’, ‘ Hier opeten ofthuis weggooien’, ‘twee-keer-nee-brievenbussen’ en ‘We zoeken een dier met de letter a’ spreken voor zich. Bruinja stelt zichzelf overigens nergens boven anderen, dat maakt het prettig lezen.

Het beseffen en benoemen van het geluk enerzijds en het ongeluk anderzijds, lijkt ook een poging te zijn om het gevoel van machteloosheid in te perken. Je kunt niets veranderen aan het bestaan van ellende in de wereld. Maar je kunt wel waarderen wat je zelf hebt en daar oprecht gelukkig mee zijn. Oprecht, want Bruinja’s beschreven huwelijksgeluk wordt nooit beklemmend (de Welbekende is-dit-alles-gedachte komt niet voor). In het volgende gedicht, dat het derde deel vormt van Twee-keer-nee-brievenbussen, slaat Bruinja naar mijn mening de spijker op de kop. En net als door het noemen van ‘Google’ en ‘Marktplaats’, zal het beschreven wereldbeeld een tijdsaanduiding worden: over veertig jaar herkent men in de volgende woorden het tijdsbeeld van de jaren tien van deze eeuw…

en wat dan nog als er aan het einde van dit Ieven geen hemel
maar een grote storthoop wacht

bij scapino verkopen ze Iange zwarte sokken
vrouwen worden ouder dan mannen

en wij vatten de missie van het postmodernisme

wij begrijpen elkaar
wij Iezen dezelfde folders

wij weten dat de wereld in een soorttussenfase is beland
en richten ons meer en meer

op ons dagelijkse Ieven

Bron: Tijdschrift Roodkoper, december 2010

terug naar boven


 


Tsead Bruinja doet Tsead Bruinja
 
door Joop Leibbrand

Overwoekerd
is de vierde Nederlandstalige dichtbundel van Tsead Bruinja, die in 2009 een vergeefse gooi deed naar het hoge ambt van Dichter des Vaderlands. Bruinja (Rinsumageest 1974, maar al geruime tijd woonachtig in Amsterdam) debuteerde in 2000 met de Friestalige bundel De wizers yn it read/ De wijzers in het rood (Bornmeer). Zijn Nederlandstalige debuut Dat het zo hoorde (2003) werd genomineerd voor de Jo Peters PoëziePrijs. Zijn meest recente bundels zijn De geboorte van het zwarte paard (Cossee, 2008) en Angel (Bornmeer, 2008). Bruinja presenteert, interviewt en treedt veelvuldig op. Sinds 2008 schrijft hij één keer per maand een gedicht bij de actualiteit voor het EO radio 1 programma Dit is de dag.

Overwoekerd heeft een betekenisvolle voor- en achterkant. Voorop staat de afbeelding van een glimmende spade op pikzwarte achtergrond. Weliswaar steelloos, maar toch zo uit de grond getrokken, want met aarde er nog aan. In combinatie met de bundeltitel, vlak boven het scherp aangebracht, duidt het op arbeidzaamheid, want waar er sprake is van overwoekering, moet er gesnoeid, verplant en afgegraven worden, de hand aan de spade als variant van de hand aan de ploeg. Dichten is werken.
Op het achterplat ligt de dichter in hoog gras, handen onder het hoofd, achter de zware bril de ogen gesloten, een tevreden zoon van het land van melk en honing, een onschuldig knaapje, al hebben de volle rode lippen iets genotvols. Getuige de schaduwen en de weerspiegeling van flitslicht in het brillenglas is de foto bij avond genomen. Bruinja ligt er dus niet zomaar, hij poseert, het is spel, en vandaar ook de zweem van een glimlach op het gezicht: Bruinja doet Tsead Bruinja, met overgave en met ironie: een even baldadige als ernstige, wat ouwelijke, vroegwijze jongen, die midden in de werkelijkheid van het eigen dagelijkse leven staat en daaraan uiting geeft.

Overwoekerd biedt 55 gedichten in zeven afdelingen die alle een bepaalde, zij het losse, thematische samenhang hebben. In het begin van de bundel staat de dood centraal en hoe in dat perspectief te leven, daarna zijn relatie en tot op het heemkundige toe de eigen habitat en vervolgens is er in alle diversiteit een maatschappelijke invalshoek.
Bruinja, die zijn gedichten graag laat uitdijen – vele zijn paginavullend – schrijft geen vormvaste poëzie. Regel- en strofelengte variëren sterk, rijm is afwezig, evenals een vast metrum, hoewel enkele gedichten wel in een dwingend ritme geschreven zijn. Hoofdletters ontbreken, er is nauwelijks interpunctie, de eindpunt wordt nergens gezet, maar het moet gezegd dat dit alles nergens ten koste gaat van de leesbaarheid, want de gedichten laten zich even gemakkelijk consumeren als ze geschreven lijken. Mochten ze, hoewel dat geenszins een voorwaarde voor goede poëzie is, toch met bloed, zweet en tranen tot stand gekomen zijn, is dat er in ieder geval niet uit af te lezen. Het vloeit Bruinja allemaal makkelijk uit de pen en je krijgt de indruk dat hij moeiteloos het twee- of driedubbele had kunnen presenteren.

Bruinja is een goede observator van eigen en andermans leven, maar zijn waarnemingen blijven meestal eendimensionaal, kennen weinig gelaagdheid. Het is een realisme dat niet op transcendentie gericht is, waaraan ieder metafysisch aspect ontbreekt. Dat is de reden dat ongeacht hun inhoud de meeste gedichten, hoe gevarieerd en hoe verdienstelijk en onderhoudend ook, de indruk maken niet meer dan spel te zijn, omdat ze niet een bepaald gevoel van urgentie overbrengen. Wat je leest is wat je krijgt. Het is genoeg, maar de inzet was kennelijk nooit om het gedicht te schrijven dat alle andere gedichten overbodig zou maken. Ach, misschien ook wel verstandig als je van een constante stroom aan poëzie en daardoor gegenereerde optredens moet leven!

Toch, een van de sterke punten van Bruinja is diens brede register: prozagedichten, klankgedichten, levensfilosofietjes, droog-zakelijke Barbarberachtige objets trouvés, zelfportretten, welgemeende maatschappijkritiek, het is er allemaal. Altijd onderhoudend, soms scherp, een enkele keer ook wel wat te gemakzuchtig en daardoor flauw.

Het is altijd moeilijk te voorspellen welke gedichten er uit een bundel zullen overleven. Ze zullen dan de weg gegaan moeten zijn van bloemlezing naar bloemlezing en ten slotte, er komen beslist weer andere tijden, naar de canonisering in de schoolboeken. Het volgende gedichtje maakt daarop een goede kans, omdat er altijd plaats voor is, in weinig woorden veel zegt en mooi gebruikt kan worden in een lesje over enjambement:

je kijkt nooit hetzelfde naar haar
van jonge vrouwen
als je moeder een pruik draagt

Naast ‘Twee keer stond ik deze keer aan het water’ en ‘Licht’ verdient het mooi in het hart van de bundel geplaatste ‘In Basel’ echt een langer leven, al is dat vanwege de lengte niet waarschijnlijk te achten. Omdat het naar mijn smaak het beste is dat Overwoekerd te bieden heeft, moet de onsterfelijkheid hier dan maar beginnen:

IN BASEL

onderweg naar een huwelijk van vrienden op een zwitserse berg
verblijven mijn vrouw en ik in een kamer met spiegels naast het bed

we slenteren door de stad en bewonderen in de avondzon
de snel stromende rijn waarop gespierde zwemmers
zich laten meedrijven

in waterdichte oranje zakjes
duwen ze hun kleren voor zich uit

terug in het pension pak ik als zij gaat slapen een fles rode wijn
en schuif aan tafel

the collected poems van raymond carver valt open op de pagina
met het gedicht ‘in switzerland’ dat eindigt met:

we’re having a goed time here. but hope all will be revealed soon

en ik zou me in dit gedicht willen richten
tot die bijna gelukkig getrouwde man op de zwitserse berg
voor wie alles hopelijk spoedig helder wordt

maar welke bijna gelukkig getrouwde man leest er nu poëzie?

niettemin is dit gedicht uitstekend geschikt voor dat soort mannen
mannen die zich soms een beetje druk maken
over de toestanden in de wereld

die net iets te veel opscheppen bij het ontbijtbuffet
en hoewel niet moddervet met een opgeblazen gevoel rondbanjeren
door buitenlandse steden

mannen die liever niet in de spiegel kijken
als ze met hun gelukkig getrouwde vrouw
in het royaal naar hen uitgestoken ochtendlicht
vertrouwd en helder

de gelukkige liefde bedrijven

Een uitermate goed gelukt portret van de dichter als mens en van die mens als dichter.

 


Bron: Meander, 7 augustus 2010


terug naar boven


 


Kop NRC Next: Goddank: vrouw en voeten heb ik nog


Kop NRC: Alles is te groot voor het kleine dat ik lever

Overwoekerd bewijst het: in de dichter Tsead Bruinja schuilt vooral een columnist

Door Guus Middag

Heeft u wel eens een gedicht gelezen over het inleveren van zaad? Tsead Bruinja schrijft erover, in zijn nieuwe bundel Overwoekerd. Bruinja vertelt over 'de receptioniste' die hem een sticker geeft, en een potje, en hem de wc wijst. Het is allemaal wat onwennig: “ik wil haar barvrouw noemen / haar om een biertje vragen'.

Maar zo is het natuurlijk niet. Nog een bijgedachte, opnieuw een uitvlucht om de gang naar het hokje nog wat te vertragen: “denk aan de snackbarhouder op vlieland / die de kroket uit de frituur haalde en vroeg / hier opeten of thuis weggooien? Dat is grappig, ja, maar er staat nu geen vlotte  snackbarman met vlotte geintjes tegenover hem, maar een discrete verpleegkundige. En hij krijgt hier geen bakje om te legen, maar een potje om te vullen.

Er spelen allerlei leuke seksuele toespelingen mee, maar de aanleiding voor dit bezoek is niet leuk seksueel, maar medisch seksueel. Het is niet de bedoeling dat er thuis, of waar dan ook, nog iets 'weggegooid' wordt - het is de bedoeling dat het zaad nu eens vrucht gaat opleveren. Als hij de mevrouw dan, 'na wat nerveus gefriemel, het potje met 'het lauwwarme resultaat' wil overhandigen, blijkt hij het weer niet goed te doen. Het kleine potje moet immers in het grote gele bakje, zo maakt zij hem duidelijk. Zo sluipt er geleidelijk een sfeer van algehele mislukking en mismoedigheid in het gedicht. 'Alles is te groot voor het kleine dat ik lever” verzucht hij - en daarmee lijkt hij niet alleen te doelen op de potjes en de bakjes van dit moment, maar op zijn hele leven tot nu toe.

Langzaam keert het gedicht terug van de lollige sfeer van bar en frituur naar de alledaagse straat waar hij woont. Voor de deur staat al 'onze gezinswagen” geparkeerd, maar het bijbehorende kind is er nog niet. Het is nog erger: hij woont in een buurt waar de auto's 's avonds in brand worden gestoken, en wel 'door andermans kroost’.

Daarmee had dit wrange portret van een onzekere man met kinderwens mooi kunnen eindigen. Maar er volgen nog twee strofen, die er weinig aan toevoegen, of misschien bedoeld zijn om het al te persoonlijke en wanhopige van het voorafgaande wat te relativeren: “en ook als het ooit een meisje wordt / hoop ik dat zij bitterballen lust.” Met deze slotwoorden wordt het frituurthema uit het begin hernomen - en verder zal met de elementen 'bitter' en 'bal' woordspelig verwezen zijn naar de verminderde vruchtbaarheid van de papa to be.

Zo gaat het vaak in de gedichten van Bruinja. Ze zijn, om het kort samen te vatten, te lang. En ze waaieren te veel uit. Het is ook de vraag of het in strikte zin nog wel gedichten zijn, met hun regels van enorm wisselende lengte, zonder rijm, zonder interpunctie, zonder dwingende structuur, met allerlei verspringingen en allerlei terloopse scènes tussendoor. Het zijn meer composities van invallen, met van alles en nog wat erbij. Ik had na afloop niet het gevoel een gedichtenbundel gelezen te hebben, maar eerder een willekeurige keuze uit een weblog, of uit een dagboek, of uit een serie columns.

Tsead Bruinja is een van de dichters die met een zekere regelmaat meedoen aan Dit is de dag (EO, radio 1, elke ochtend van 10.30 tot 11.30 uur). De dichter van de dag wordt gevraagd een uur lang mee te luisteren naar de gasten van die dag en intussen zijn gedicht te schrijven. Na afloop mag hij het voorlezen. Soms gaat het over het onderwerp van één gast, soms over alle onderwerpen samen, soms ook over de persoonlijke bijgedachten van de dichter zelf. Na de voordracht voelt iedereen zich altijd ongemakkelijk. Dan zeggen de presentatoren maar vlug dat het weer prachtig was en dat wij het later op de website allemaal nog eens kunnen nalezen.

Die sfeer van vluchtigheid en terloopsheid, alledaagse invallen vlot verbonden met actualiteit, met soms een scherpe waarneming tussendoor en soms een verrassend inzicht, vind ik hier veel terug. De aanleiding kan, zoals in het zaadlabgedicht, persoonlijk zijn en dan uitwaaieren naar iets algemeners, maar het kan ook omgekeerd.

In het lange, breed opgezette gedicht ‘Sneeuw’ brengt Bruinja een paar gruwelijke momenten uit de internationale actualiteit van het jaar 2008 in herinnering, waartegenover hij alleen maar wat klein persoonlijk nieuws kan plaatsen: de voorjaarsvakantie op een Duits waddeneiland, toen ze naakt over het strand gingen rennen, een bezoek aan de huisarts wegens maagklachten. En deze toch wat braaf en bedaagd klinkende conclusie: ‘in het jaar 2008 had ik goddank mijn vrouw mijn handen en voeten nog’. Het is geen revolutionair inzicht, maar dat is nu net het verrassende van Bruinja’s poëzie: hij is juist opvallend alledaags, redelijk en eerlijk. Hij weet dat hij niet mag klagen. Hij is blij dat hij leeft en hij weet dat het allemaal veel minder kan. En hij schrijft het nog op ook.

Iemand anders zal misschien vinden dat er veel variatie in deze dikke bundel zit. Niet alleen de actualiteit uit binnen- en buitenland, afgezet tegen het eigen leed, het straatleed en het buurtleed, maar ook enkele liefdesliedjes, een paar aanzetten tot gedachten over religie en een paar probeersels met typetjes en stemmetjes en taaltjes (’je moet pompe met je hompe / slope met je blote pote’) en een paar stukken proza tussendoor.

Maar onder al die vormen en stijloefeningen zit voor mijn gevoel steeds dezelfde dagelijkse waarnemer van de wereld. Misschien wil hij wel liever een columnist zijn dan een dichter, heb ik tijdens het lezen meer dan eens gedacht. Als hij een dichter wil zijn, dan zal hij volgens mij moeten kiezen uit de vele sprekers die hij nu nog allemaal naast elkaar aan het woord laat.

Er blijft weinig hangen van al die lange lappen tekst. Het meest sprekende gedicht is het allerlaatste, tevens het allerkortste. Drie regels maar, bijna een haiku. Het is de levensles van de jonge Tsead die zijn moeder veel te vroeg aan borstkanker ziet sterven:

je kijkt nooit hetzelfde naar haar
van jonge vrouwen

als je moeder een pruik draagt


Bron: NRC & NRC Next, 30-07-2010

terug naar boven



Als je moeder een pruik draagt

Door Luuk Gruwez

Tsead Bruinja is de dichter van het geluk dat nooit helemaal wil lukken. Hij lijkt in zijn werk vooral uit op het beperken van de ramp en streeft naar wat hij ‘een te verdragen aantal tegenslagen’ noemt. Meer is niet mogelijk. Volledig en zuiver kan geluk namelijk nooit zijn: ‘wat valt er te overwinnen in deze hinderlaag die we lichaam noemen’. Nog een treffend voorbeeld van de onmogelijkheid van volmaakt geluk lezen wij in het gedicht ‘HEMD EN TRUI’. De dichter trekt ’s ochtends de luxaflex omhoog en staat samen met zijn vrouw de sneeuwval te bewonderen. Het tafereel is bepaald innemend. Maar tegen het eind van het gedicht aan plaatst de dichter deze regels: ‘terwijl ik me afvraag op welke plek/ het dak morgen als de sneeuw smelt/ zal gaan lekken’.

In zijn geluksperceptie speelt het perspectief bovendien een belangrijke rol: wat heeft een klein menselijk ongemak nog te betekenen wanneer je het hele wereldleed in aanmerking neemt? Niet alleen is Bruinja de dichter van het bedreigde geluk, maar eveneens van het ongemak dat zich soms geneert een ongemak te zijn. Vanaf wanneer verwerft een mens het recht op zelfbeklag? Bruinja zit gevangen in het etische besef dat je dwingt je mond te houden over een maag- of darmkramp als tegelijk ergens elders een wereldbrand woedt en een willekeurige vrouw door een man of tien serieel wordt verkracht. Hij confronteert zijn lezers voortdurend met de spanning tussen het tragische en het futiele: ‘en je voelt je als een terminale patiënt/ die voor een loslatende vulling/ (…) naar de tandarts gaat’.

Sterfelijkheid speelt een belangrijke rol in deze bundel. De dichter legt een opvallende belangstelling aan de dag voor de mankementen van het lijf. Zijn waarneming daarvan is rauw en naturalistisch te noemen en zijn kijk op het lijk verraadt, bijvoorbeeld in het gedicht ‘MAN GEVONDEN GEEN WORMEN WEL MADEN’, veel oog voor de biologie van de ontbinding. Het komt er, zoals bij zoveel dichters, weer eens op neer dat in elk lijf een lijk gevangen zit dat zich bevrijden wil. Alleen: heeft dat lijf wel recht van spreken over zijn kleinzerigheden en zijn pietluttigheden terwijl zoveel wreedheden en baldadigheden de wereld domineren? Ook met betrekking tot thema’s als onbinding en crematie bedient de dichter zich wel vaker van tegenstellingen: het verschil tussen een pas gecremeerd lijk (iets meer dan drie kilogram) en een pasgeborene (om en nabij de drie-en-een halve kilogram) is verwaarloosbaar.

Tsead Bruinja tekent niet alleen voor zulke persoonlijke bespiegelingen, hij is ook iemand met een onmiskenbaar, bijna oudmodisch sociaal gevoel. Hij weegt in een mooi gedicht als ‘SNEEUW’ zijn kleine fysieke klachten af tegen wat onmiskenbaar erger is. Zijn horizon bevindt zich daarbij ver buiten de grenzen van Nederland. Of van Friesland, waar hij ook zijn literaire roots heeft: in 2000 is hij in het Fries gedebuteerd met de bundel ‘De wizers yn it read’. Soweto, eens de habitat van Hector Pieterson, het vermoorde en tot icoon uitgegroeide dertienjarige jongetje, bevindt zich als het ware in Bruinja’s achtertuin. Bij nadere overweging ligt alles daar. De dichter is namelijk getalenteerd in het samplen van taferelen uit heel diverse werelden die hij de zijne maakt. Evenmin heeft hij er moeite mee een grote variëteit aan stijlen te gebruiken. Er zit een hoge dosis fusion in zijn verzen, maar dat doet vreemd genoeg niets af aan hun eigenheid. In het ene gedicht ontwikkelt hij een haast klassiek idioom, terwijl hij zich elders, par excellence in een gedicht over een tot bewegingloosheid veroordeelde lamme, als een overtuigde rapper met een nerveus, elektrisch taalgebruik ontpopt:

‘je moet pompe met je hompe
slope met je blote pote

zompe

stompe met je rompe

zompe

(…)’.

Dit zijn hoe dan ook gekke gedichten. Precies door hun hang naar absurditeit en schijnbare nonsensikaliteit ben je bij een eerste lezing geneigd ze niet helemaal ernstig te nemen. Niet dat de ventilatie van een tragisch levensgevoel een voorwaarde voor literaire kwaliteit is – jammer genoeg is het tegendeel vaak waar, maar er zit achter vele van deze verzen wel degelijk iets wat ik zou willen omschrijven met een cliché als ‘innerlijke noodzaak’. Zelfs in het kortste gedicht van de bundel, het zeer meerduidige slotgedicht. Dat gaat als volgt:

‘je kijkt nooit hetzelfde naar haar
van jonge vrouwen

als je moeder een pruik draagt’.


Dit gedicht is zowel typisch als atypisch voor Bruinja. Atypisch omdat het wel erg kort is. Typisch omdat hij ook hier weer tegelijk veel en weinig zegt. Maar helemaal Bruinja is het vanwege het feit dat het zowel tragisch als ironisch is. De lezer heeft het gevoel hem te kunnen volgen, maar wordt in verwarring gebracht. Want waarom draagt die moeder een pruik? Het wordt niet expliciet gesteld, maar misschien vanwege een chemotherapiekuur. Vanuit de geluksperceptie van deze dichter is dit dan een zoveelste element dat bijdraagt aan zijn overtuiging dat geen geluk ooit puur en onbedreigd kan zijn: het haar van jonge vrouwen mag er voorlopig al betoverend uitzien, er is de wetenschap dat het misschien net als met het haar van de moeder wel eens verkeerd zou kunnen lopen. Niet naar de stijl (want die is ironisch op het hilarische af), maar naar de inhoud is dit een elegische vaststelling. Tsead Bruinja beschikt over een van de dankbaarste poëtische kwaliteiten: de melancholie van de clown.

Eveneens clownesk is het feit dat hij er niet voor schroomt zichzelf een paar keer met naam en toenaam ten tonele te voeren. Hij blaast zichzelf op tot iemand met het machismo van een ‘volleerd dictator’, dicht zich met de nodige humor haast bovenmenselijke capaciteiten toe, demonstreert puberale branie,  maar naar het einde toe brokkelt zijn succes af en wordt er een wig in zijn absolutistische verlangens gedreven. Het gedicht eindigt laconiek: ‘Niet wij maar Tsead leidt een waarlijk diep en tragisch leven.’ Bruinja is, om het met de titel van zijn slotcyclus te zeggen, ‘verkeerd verbonden’. Veel gedichten in deze bundel gaan over spaak lopende communicatie, over misverstanden die soms tot wreedheid leiden, zoals in het prachtige gedicht ‘UW PLAATS IN ONS MEEDOGENLOZE ARCHIEF’: ‘ soldaten sloegen haar kinderen zo hard/ dat ze wel de kamer uit moest komen’. Dat meedogenloze archief: het is de wereld. Bruinja wordt erdoor ‘overwoekerd’, beseft dat er niet uit te ontsnappen valt.  

____________________

TSEAD BRUINJA
Overwoekerd
Cossee, 79 blz., 19,90 euro 

AANTAL STERREN: ***

Bron: De Standaard, 30-07-2010

terug naar boven



Treurig en blij

Weblog Herman van Veen

maandag 19 juli 2010

Overwoekerd

Tsead Bruinja is een Friese dichter.
Hij is nu net zo oud als ik was
toen mijn vader zo oud was
als ik nu ben.

Een jongeman dus.
Tsead schrijft zijn gedichten vaak in het Fries,
vaker in het Nederlands.

Vond een paar van zijn bundeltjes
jaren geleden
in een boekenwinkel achter de Grote Kerk in Antwerpen.

Heb inmiddels al een heel stapeltje
waar ik graag in blader.

Met de post kreeg ik zijn nieuwste werkje.

Overwoekerd.

Vierenzeventig bladzijden woorden.
Mede tot stand gekomen
dankzij een werkbeurs van het Nederlandse Letterenfonds.

Ene Willem schrijft op de achterkant:

“Tsead is een dichter
die teder en liefdevol kan zingen,
maar ook stevige, ruige beelden en klanken kan gebruiken.
Zachtmoedig én stoer.
Een strelende hand én een vuist...”

Ernaast staat het gedicht “Licht”.


er is licht
en iets dat daartussen staat

een muur
een figuur

een leven lang
ben je onbenaderbaar

kweek je vuisten
bedek je een graf

met je hele lichaam
verduister je het gat
van een deur

er is licht
iets dat daartussen staat

en er is een weg
waarop je je spullen achterlaat

er is licht
dat je iets wil vertellen

ga weg
laat liggen

neem op


Bij Tsead lijken de woorden te leven.
Ze veranderen.
Ben ik vrolijk
dan lezen zijn teksten mij treurig.
Ben ik verdrietig
dan lezen zijn woorden me blij.


Bron: http://www.hermanvanveen.com/Herman-van-Veen/nl-NL/weblog.asp

terug naar boven


 


De spiegel van de lulligheid

Gaston Franssen

Tsead Bruinja is een dichter die het goed met zichzelf heeft getroffen. Dat klinkt sarcastischer dan het is bedoeld: het is namelijk niet zo dat Bruinja zelfingenomen is, of hoog van de toren blaast. Wat ik bedoel is dat Bruinja een bevoorrecht leven leidt. Hij kan rondkomen van zijn dichterschap, is gelukkig getrouwd, woont in een huisje in Amsterdam-West (mét dakterras), en heeft sinds kort een gloednieuwe wasmachine. In vergelijking met een inwoner van, zeg, een Zuid-Afrikaanse township, een dorpje in Afghanistan of de Gazastrook, heeft hij bepaald niet te klagen. Bruinja is zich daar terdege van bewust. Paradoxaal genoeg moest hij eerst in een depressie terechtkomen voordat hij dat inzicht kon verwerven, zo blijkt uit een recent interview: ‘Ik ging in therapie bij een psycholoog, en ik kwam er achter wat een heerlijk leven ik eigenlijk heb […]. Ik zag ook in dat dat genoeg is. Ik ben tevreden’, bekende hij. Zijn recentste gedichtenbundel, Overwoekerd, getuigt van dat nieuw verkregen inzicht. ‘In het jaar 2008 had ik goddank mijn vrouw mijn handen en voeten nog’, schrijft Bruinja in het gedicht ‘Sneeuw’. De dichter werpt een blik op de wereld, vergelijkt het weinig benijdenswaardige bestaan van anderen met zijn eigen leven, en telt zijn zegeningen.

Een dichter die tevreden is met wat hij heeft: het is een intrigerend beeld, niet in de laatste plaats omdat het haaks staat op allerlei traditioneel romantische opvattingen over dichterschap. Toch kun je je moeilijk aan de indruk onttrekken dat Bruinja in zijn nieuwste bundel erg dicht bij zichzelf en zijn eigen leven blijft. Overwoekerd is een heel persoonlijke, soms zelfs banale en schaamteloos intieme bundel. We zijn erbij als de dichter ’s ochtends, half aangekleed, zich verbaast over een onverwachte, maartse sneeuwbui. Hij licht ons in over de verbouwing in de woning van de onderbuurman, die zich komt verontschuldigen voor de geluidsoverlast. Hij vertelt ons over een vrijpartijtje in een Zwitsers hotel, een middagje klussen bij een bevriend koppel, het zoeken naar koopjes op marktplaats.nl, en over een interessant telefoontje met ‘collega dix’, ‘om te vragen of hij een slaapplek heeft / voor na een optreden’.

Maar toch zou het niet terecht zijn om de dichter te verwijten dat hij het dagelijkse leven simpelweg voor zichzelf laat spreken. Het zelfportret dat hij schetst in Overwoekerd is allerminst een gemakzuchtig product van navelstaarderij. De bundel is juist doorschoten met indringende snapshots uit het wereldnieuws en getuigt van stevige zelfkritiek. Dat Bruinja zich wel degelijk kritisch verhoudt tot de voorspoed en het (relatieve) succes dat hem ten deel valt, blijkt wel uit het gedicht ‘Worming Up Von Kwabbenstein’, waarin hij zichzelf expliciet op de hak neemt:

Tsead Bruinja is een man van de wereld. Hij declameert graag
wijsheden als: Zwitserland is wel duur. […] Te verwachten valt
dat Tsead binnenkort de roeping van de nobele dichterij zal verlaten om
gitaar te gaan spelen bij bands als Bloody Dick Swamp, Squirrel Nut
Zippers of Phungusamongus. Ongetwijfeld zal Tsead ook daarin geil
en succesvol blijken. […] Tsead is gelukkig getrouwd,
maar nog nooit klaargekomen in Cambodja, Thailand of op een van
de Galapagoseilanden.

Met die ironische zelfverheerlijking nodigt de dichter zijn lezers nadrukkelijk uit om vraagtekens te zetten bij de ‘Tsead Bruinja’ die uit zijn gedichten naar voren komt. Wie is die figuur eigenlijk? Gaat het hier om een directe weergave van de gelijknamige inwoner van de Baarsjes die zijn nieuwe wasmachine bestelde bij BCC, zoals naar voren komt in het gedicht ‘Met een groot wit nummer op de rug’? Of is het toch een geretoucheerd, gemanipuleerd portret?

90% fruitvlieg

Het is in elk geval duidelijk dat Bruinja zich weliswaar wentelt in alledaags burgergeluk – ‘wij […] richten ons meer en meer // op ons dagelijks leven’, lees je ergens – maar dat hij zich evengoed distantieert van zijn eigen bestaan. Dat gebeurt op verschillende manieren. Zo zet hij zichzelf te kijk als inconsequente ‘fatsoensrakker’. Aan de ene kant is hij maar wat blij dat hij in ‘eigen huis van alles mag roken’, stelt hij in het gedicht ‘Europa’. Maar aan de andere kant heeft hij bezwaar tegen het drugshandeltje dat zijn overbuurman erop nahoudt, zoals blijkt uit een ander gedicht: het ‘reisbureau’ dat de overbuurman zogenaamd runt wil hij ‘liever niet in mijn straat wijk of zicht’.

Daarnaast wordt de tevredenheid over het eigen bestaan sterk gerelativeerd doordat in een aantal gedichten de gêne over het eigen lichaam uitgebreid aan bod komt: keer op keer benadrukt het lyrisch ik zijn lijfelijke tekortkomingen. De dichter gaat letterlijk en figuurlijk met de billen bloot en maar weinig fysieke ongemakkelijkheden blijven de lezer bespaard. Zo opent het gedicht ‘Bruintje Beer op de helft van zijn adembenemende graf’ met deze strofe:

na een avond chinees zit ik lang genoeg op de wc
om me af te vragen of dit lichaam een geschenk is
of een straf

In een ander gedicht kijken we wederom mee als de dichter naar het toilet gaat; het is ’s avonds laat en hij gebruikt ‘het minder felle licht / zodat ik mezelf niet zal zien / maar bij het plassen mislukt het’. De onverwachte zelfconfrontatie resulteert in een spottend zelfportret: de dichter ziet in een spiegel zijn ‘sippe lippen’ en op zijn borst ontdekt hij ‘een flinter oude kaas / die ik at bij de wijn’. In weer een ander gedicht wordt een gênant bezoekje aan het ziekenhuis breed uitgemeten:

de receptioniste geeft me een sticker met mijn gegevens
en een potje waar ik de sticker op mag plakken
daarna wijst ze me de wc aan
[…]
als ik na wat nerveus gefriemel
haar het lauwwarme resultaat wil overhandigen
maakt ze een afwerend gebaar en schuift
vliegensvlug een geel bakje naar voren


Verlossing van al die lijfelijke ongemakken is er niet, dat staat vast: ‘Wat valt er te overwinnen in deze hinderlaag die we lichaam noemen’, verzucht hij in ‘Wat wij durven te hopen’.
Dat Bruinja zo lang blijft stilstaan bij situaties waar de lulligheid vanaf druipt, hangt samen met zijn weinig verheffende mensbeeld. De mens is geen benijdenswaardig schepsel: meer dan ‘90% fruitvlieg’ en ‘net een stukkie slimmer / dan de bonobo’ is homo sapiens nooit geworden, aldus de dichter. Wie denkt dat Bruinja als taalkunstenaar zijn hoop misschien nog op de woorden heeft gevestigd, in de veronderstelling dat die de menselijke beperkingen zullen overstijgen, komt bedrogen uit. Taal en intermenselijk contact kunnen geen soelaas bieden voor bekrompenheid van geest en de beperkingen des vlezes: ‘om je leefhuis om je vleeshuls’, zo leert de dichter, gaapt een ‘onpeilbare gracht van woorden’.

De alledaagse lulligheid die Bruinja in kaart brengt krijgt ook in de versvorm uitdrukking. Nadrukkelijk spreidt de dichter zijn onhandigheid tentoon door het associatieproces dat aan het gedicht vooraf ging in het eindresultaat op te nemen. Zo eindigt het gedicht ‘De psychiater en Marleen verjaagd’ met deze regels: ‘Ik haalde mezelf uit het gedicht en stopte er meer Marleen en psychiater in. // Het werd anders.’ Een ander gedicht sluit af met deze opmerking: ‘Ik durf bijna niet op te schrijven / dat ik dat niet had verwacht.’ In ‘De stille teruggetrokken Ernesto’, ten slotte, doet Bruinja – enigszins op z’n Oosterhoffs – uit de doeken van welke bronnen hij gebruik heeft gemaakt, en speculeert hij over de mogelijke impact van zijn gedicht:

als ik schrijf dat dit een bewerking is van een artikel uit de groene
geschreven door fred de vries

beginnen de namen u wellicht te duizelen
en komt het gedicht minder hard aan

Doordat Bruinja de totstandkoming van zijn poëzie zichtbaar maakt, krijgt het gedicht iets onhandigs en onafs: het is net alsof de dichter niet precies weet hoe hij het moest opschrijven en daarom maar vertelt wat hij had willen schrijven. ‘Er is iets wat ik moet zeggen / maar wat ik niet kan zeggen’, geeft hij zelfs toe. Het is dan ook niet helemaal fair om de dichter te verwijten, zoals sommige van zijn critici doen, dat hij onhandige of storende regels zou schrijven, die zich maar niet loszingen van de weergegeven werkelijkheid. Bruinja laat juist zien dat het leven vol zit met storende, zinloze en onhandige zaken – en dat het werk van de dichter, wanneer hij dat leven tot onderwerp wil nemen, net zo knullig zal uitpakken. Die knulligheid wordt ook nog eens onderstreept, want de dichter trekt regelmatig zelf de zin van zijn bezigheden in twijfel. ‘Welke bijna gelukkig getrouwde man leest er nu poëzie?’ vraagt hij zich af; en in ‘Voor de kat’ stelt hij: ‘De wereld staat in brand en ik speel viool’. Wie gelukkig is, heeft dus niets aan de poëzie; en wie ongelukkig is, evenmin.

Er niet mee bezig

Het lullige geluk van het burgermansbestaan mag dan wel een belangrijke rol vervullen in Overwoekerd, het blijft het een ongemakkelijk, besmet geluk. Veelzeggend is bijvoorbeeld dat de huiselijke scènes vaak afgewisseld worden met verontrustende regels vol dood en geweld. De bundel bevat gedichten over een crematie, over lichamen in staat van ontbinding, racistisch geweld, doorgeslagen hedonisme en uitstervende diersoorten. Het titelgedicht spreekt wat dat betreft boekdelen:

overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de
liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie en er niet
mee bezig overwoekerd door de haat en er niet mee bezig

Zo gaat het gedicht nog een tijdje door, waarbij de dood, de liefde, de jaloezie en de haat worden afgewisseld met woede, geloof, geilheid en verdriet – en steeds is de dichter er ‘niet mee bezig’. Het gedicht, een broeierige tekst vol onderhuidse dreiging, getuigt van een procedé dat Bruinja wel vaker inzet. Hij contrasteert heftige gevoelens en beangstigende beelden met huiselijke scènes, die suggereren dat hij ‘er niet mee bezig’ is. Maar het tegendeel is waar: dat scherpe contrast zorgt er natuurlijk voor dat die huiselijke scènes in een ontnuchterend licht komen te staan. Een voorbeeld van deze techniek levert het gedicht ‘Uw plaats in ons meedogenloze archief’, waarvan de eerste strofen zo luiden:

de soldaten sloegen haar kinderen zo hard
dat ze wel de kamer uit moest komen

leuk voor kinderen zijn knutselen
spelletje kleurplaten

de vrouwen slapen ’s nachts in gebouwtjes
de mannen liggen buiten in de kou

leuk voor mannen zijn topsalarissen
goedbetaalde banen reiskosten

moeder werd achter in de legertruck gezet
en mishandeld

leuk voor moeders zijn bloemen
iets hartigs ontbijt op bed

Bruinja spiegelt hier zijn eigen wereld aan het bestaan van een inwoner van een township, of een oorlogsgebied. Zulke contrastwerkingen neigen naar effectbejag, maar de dichter vervalt nergens in gemakkelijke retoriek. De tegenstelling tussen híer (vrede, welvaart, tevredenheid) en dáár (oorlog, armoede, ellende) is namelijk nooit symmetrisch. Eerder is het zo dat de beleving van het zorgeloze hier-en-nu door het geschetste contrast enorm beladen wordt. Het geluk wordt overwoekerd met een hele reeks ongemakkelijke connotaties: het wordt ervaren als iets uitzonderlijks en kwetsbaars, maar evengoed als een onrechtvaardig en onverdiend privilege. De dichter telt inderdaad zijn zegeningen, maar tegelijkertijd zit hij ermee in zijn maag.

Deze dubbelzinnige houding verklaart waarom Bruinja in Overwoekerd epateert met zijn kabbelende welvaartsbestaan. Hij geeft niet zomaar een realistische weergave van het geluk van de bourgeois, maar hij houdt zijn lezers de spiegel van de lulligheid voor. En in die spiegel ziet hij onder andere

mannen die liever niet in de spiegel kijken
als ze met hun gelukkig getrouwde vrouw
in het royaal naar hen uitgestoken ochtendlicht
vertrouwd en helder

de gelukkige liefde bedrijven

De dichter wil eigenlijk – net als die ‘mannen’ – liever niet in die spiegel kijken. De verschrikkingen van het wereldnieuws, die nog op zijn netvlies gebrand staan, maken de aanblik van die ‘gelukkige liefde’ namelijk ondraaglijk. Maar hij doet dat toch, in elk gedicht opnieuw. Dat maakt Overwoekerd tot een indringende, spannende bundel. De wereld staat in brand en poëzie vermag het vuur weliswaar niet te blussen, maar met zijn gedichten hoopt Bruinja ons toch aan te sporen tot een genadeloos zelfonderzoek. ‘Neem de verantwoordelijkheid voor je geluk’, zo houdt hij ons voor, ‘en geen gevangenen’.


Bron: http://www.dereactor.org/home/detail/de_spiegel_van_de_lulligheid/

terug naar boven



Je wilt terug naar de regen

Door Piet gerbrandy


je gaat tegen haar aan liggen terwijl ze slaapt
als je je arm om haar heen slaat
legt ze haar hand op jouw hand
en brengt je arm tussen haar borsten

je weet dat het niet lekker ligt
en dat je je zo gaat omdraaien
dat je zo nooit in slaap zult vallen

je legt je hand net zo lang op de rug
van de gitaar tot het hout zacht wordt
en wijkt

warm water over je stramme schouders

morgen


Tsead Bruinja is een man van de wereld. Wie dat nog niet wist kan het lezen in zijn nieuwe bundel, waar zijn signalement ook vermeldt dat hij zeer behendig is, 'bijvoorbeeld in het doodrijden van bejaarde vrouwtjes bij het straatracen in de noordelijke provincies en dat hij het liefst op dronken gevoerde beren schiet in de bossen van Rusland samen met de koning van Spanje'. Misschien stopt hij binnenkort met dichten om gitaar te gaan spelen bij bands als 'Bloody Dick Swamp, Squirrel Nut Zippers of Phungusamongus. Ongetwijfeld zal Tsead ook daarin geil en succesvol blijken.' Dit is de conclusie: 'Niet wij maar Tsead leidt een waarlijk diep en tragisch leven.'


   De aanstekelijke grofheid van deze tekst contrasteert in hoge mate met de wat brave en vooral politiek correcte toon van de rest van de bundel. Bruinja is van meet af aan een romantisch dichter geweest, rokend en drinkend op zoek naar liefde, zich verwonderend over de gekte die we dagelijks om ons heen zien, en begaan met het lot van de minder bedeelden. Maar in de grond lijkt zijn persona toch vooral een huiselijke man, die ons net als Simon Carmiggelt en Frits Abrahams deelgenoot maakt van zijn maar al te degelijke huwelijk, waarbij het er uiteraard niet toe doet hoe waarheidsgetrouw het geschetste beeld is. Waar het om gaat is dat deze dichter het kennelijk van belang vindt de poëzie dicht bij huis te houden.

In het gedicht waarmee Bruinja solliciteerde naar het dichterschap des vaderlands presenteert hij een vakantiekiekje: 'in het jaar 2008 (...) rende ik samen met mijn vrouw/ naakt over het strand van een duits waddeneiland/ doken we een aprilkoude noordzee in/ alles aan mij werd klein'. Het gedicht begint echter zo:
   
in het jaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
lag ik niet drie dagen bedolven onder de sneeuw
werd mijn eigen vrouw niet door tien mannen verkracht
en levenloos uit een rijdende legertruck geworpen
werden onze kinderen niet van ons afgepakt

  
Aan de oprechtheid van Bruinja's engagement valt niet te twijfelen, het probleem is dat het er zo dik bovenop ligt. De dichter leest de krant, kijkt naar documentaires, selecteert wat pakkende fragmenten, monteert die tussen contrasterende footage uit zijn eigen leven en laat het morele oordeel over aan de lezer, die daar helaas geen seconde over hoeft na te denken. Het is te gemakkelijk.
   Na een aantal strofen waarin onder meer enkele flitsen uit een oorlogsfilm te zien zijn, levert hij de moraal er zelfs pasklaar bij: 'wat durven wij te verwachten van dit leven/ waar durven we op te hopen meer dan op een goeie buurman/ een goeie vrouw haar hart als een vesting/ en een te verdragen aantal tegenslagen'. Dat zo'n dichter wordt ingehuurd door de EO, wekt geen verbazing.

Gelukkig is niet de hele bundel zo gemakzuchtig. Bruinja heeft naam gemaakt met soepel vlietende, associatief schakelende poëzie die de wereld neemt voor wat hij is, een voor de meesten van ons doorgaans leefbare chaos waarin liefde en lelijkheid, grasland en stadsrumoer vlak naast elkaar liggen. In een strofe die blijkbaar refereert aan opmerkingen van eerdere recensenten, zegt hij: 'de een zei gatenkaas tegen mijn gedichten/ de ander zei licht valt van bovenaf door zijn regels'. De beste gedichten in Overwoekerd roepen sterke beelden op die in hun waarde worden gelaten. Er is ruimte om de geest te laten dwalen. Hier bijvoorbeeld:
  
ik haal je van de straat
geef je onderdak

je wilt terug naar de regen

ik draag je naar je bed
geef je een kus

je wilt terug naar de regen


Waarom de aangesprokene terug wil, wordt open gelaten. In de slotregels gaat de spreker, en daarom ook de lezer 'met je mee/ over de drempel/ de straat op// laat de deur open/ laat de regen binnen'. Dat is af, in al zijn losheid.

Intrigerend is een surrealistisch prozafragment met de magistrale titel Ik dronk tot ik simpel genoeg was om van te houden. Centraal daarin staat een scène waarin twee geliefden 'zonder telefoon' midden in een weiland liggen: 'aan de linkerkant van het weiland ligt een vlakte, aan de rechterkant een vrouw in een telefooncel wachtend op een gesprek. vanaf de telefooncel loopt een draad. (...) als de vrouw de telefoon opneemt vliegen de vogels weg. ze nemen de bloemen mee, schreeuwt de man. hij wacht niet op de kiestoon. hij wacht op de vogels.' Het onvermogen van de man en de vrouw om elkaar te bereiken spiegelt de onverstoorbaarheid van de geliefden in het weiland. De ik rookt, drinkt en observeert, 'tot ik kalm genoeg was om de geliefden in het weiland te zien lachen'. Zo'n film behoeft geen voice-over.
  
Misschien isBruinja inderdaad te zeer een man van de wereld geworden, 'geil en succesvol' in de instituties van de Nederlandse literatuur, en neemt hij te weinig tijd om zijn poëzie te laten rijpen. Op een paar gedichten na is deze bundel niet geslaagd. Dat hij een belangwekkend dichter is, staat overigens buiten kijf.

Bron: De Groene Amsterdammer, 30 juni 2010

terug naar boven



Klein venster op de grote wereld 
 
Door Janita Monna

De Fries Tsead Bruinja houdt niet van de ivoren-toren-poëzie. Hij dicht hij over het alledaagse: feestjes, burenoverlast - en het wereldnieuws.

Ook Tsead Bruinja deed vorig jaar een gooi naar de post van Dichter des Vaderlands. Zijn campagne voerde hij met grote inzet en gebruikmaking van de modernste communicatietechnieken. Poëzie hoort voor hem thuis in het leven van alledag.

Die opvatting brengt de tweetalige Bruinja al langer in praktijk. Door zijn werk op de meest uiteenlopende plaatsen voor te dragen, door zijn vorige Friese bundel Angel voor een klein bedrag op krantenformaat en als pdf uit te geven. Maar vooral in zijn werk, dat vanuit het kleine en dagelijkse zicht biedt op de grote wijde wereld.

Recentelijk verscheen het Nederlandstalige Overwoekerd. Een huiselijke bundel haast, waarin Bruinja de wereld beziet en beschouwt vanuit zijn positie als getrouwd man. Zoals in 'Sneeuw', dat het comfortabele thuis laat schuren met gruwelijkheden van ver weg: ,, in het jaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig/ lag ik niet drie dagen bedolven onder de sneeuw/ werd mijn eigen vrouw niet door tien mannen verkracht".

Hoe nieuws van een persoon een icoon kan maken, laat hij zien in 'De stille teruggetrokken Ernesto', over een migrant die tijdens de rellen in Zuid-Afrika in 2008 in brand werd gestoken en wiens brandende lichaam alle voorpagina's haalde. Bruinja vat het nieuws vrij letterlijk samen, om vervolgens deze 'burning man' weer terug te brengen tot Ernesto, een mens van vlees en bloed.

Hij schrijft eerder journalistiek dan beeldend. Die droge, informatieve toon werkt goed als hij tegen bekende beelden aanleunt. Maar soms krijgt een gedicht iets van een feitenrelaas, zoals in 'Vuurvast steentje', dat wetenswaardigheden omtrent het cremeren opsomt en in toevalligheden losjes verbanden suggereert tussen geboorte en doodsgewicht.

In 'Overwoekerd' slaat een man het leven gade, zonder erin te slagen eraan deel te nemen: ,,overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie en er niet mee bezig". Zo exposeert Bruinja zichzelf. We lezen over de trouwfeesten die hij met zijn vrouw bezoekt, logeerpartijen, dat hij op de wc zit, last heeft van de buren. Persoonlijke wederwaardigheden die lijken te zijn opgeschreven door iemand die van zichzelf vervreemd is. 'Worming up Von Kwabbenstein' waarin Bruinja zichzelf opvoert, benadrukt de buitenstaanderpositie en relativeert de intimiteit: ,,Tsead Bruinja is een man van de wereld. Hij declameert graag/ wijsheden als: Zwitserland is wel duur. ( ) Tsead is gelukkig getrouwd,/ maar nog nooit klaargekomen in Cambodja, Thailand of op een van de Galapagoseilanden."

Sommige gedichten hebben zo'n hoog realitygehalte dat ze balanceren op de grens van wat nog poëzie is. Een gedicht over een middagje schilderen bij pas getrouwde vrienden met een nieuw huis overstijgt de anekdote nauwelijks en bevat onhandige regels als: ,,ik kijk naar de plek waar de autoradio zat/ waarvan we het frontje thuis hebben laten liggen". Een mededeling als 'op de salontafel ligt mijn mobiel naast de bril van mijn vrouw' is in een gedicht bijna storend.

Bruinja's poëzie is van deze tijd. Alleen al omdat er vaak verwezen wordt naar actuele gebeurtenissen: ,,Gisteravond mocht onze minister-president eindelijk reageren op/ de slappe, ook ik blij in het brandbare Amsterdam-West, film van/ Geert Wilders."

Maar in zijn wat prozaïsche taal en ongegeneerd intieme regels voel je ook de invloed van het weblog. Net als veel bloggers, legt Bruinja zich weinig beperkingen op. Zijn gedichten zouden aan kracht winnen als hij zijn taal wat indikte. Bruinja is op zijn best als hij uit die cocon van huiselijkheid breekt, als hij inzichtelijk maakt hoe ieder leven en ieder meeleven plaatsvindt vanaf een afstandje.

de stille teruggetrokken ernesto
 
de stille teruggetrokken ernesto
deelde met zijn maat francisco
een éénkamerkrot
 
niemand kende echt hun namen
 
in de buurt stonden ze bekend
als lange en korte muzga
 
in de documentaire horen we
hoe ze de verkeerde kant op vluchtten
hoe francisco werd neergestoken en overleefde
en hoe ernesto in brand werd gestoken
 
toen zijn lijf geen vlam wilde vatten
werd hij door de meute in dekens gewikkeld
 
dat brandde beter
 
als ik schrijf dat dit een bewerking is van een artikel uit de groene
geschreven door fred de vries
 
beginnen de namen u wellicht te duizelen
en komt het gedicht minder hard aan
 
daarom heb ik voor u nog een naam
ernesto heet alleen nog ernesto
voor familie en vrienden
 
voor de rest van de wereld
werd hij omgedoopt tot
the burning man



Bron: Trouw, 26 juni 2010

terug naar boven


 

'Onbehaaglijke ruimte'

Door Hans Groenewegen

Bruinja (1974) is een productief dichter die zowel op het podium als op papier goed uit de voeten kan. Hij schrijft effectbewust en bespeelt uiteenlopende registers: het lyrische, het anekdotische, het licht absurde, het prozaïsche. ''Overwoekerd'' begint met een krachtige confrontatie met beelden van de dood. Bruinja snijdt een metaforische leeswijze de pas af door op fysieke verschijnselen te focussen. Dat illusieloze begin opent een onbehaaglijke ruimte. Aan de ene kant zijn er verveelde anekdotische gedichten over het eigen kosmopolitische burgermansbestaan (dan een huwelijk in Zwitserland, dan een onduidelijk bezoek aan Zuid-Afrika, dan het wonen in Amsterdam-West), aan de andere beelden uit die parallelle wereld van oorlog en terrorisme. De gedichten over eigen huwelijksgeluk zijn ontdaan van elke romantiek. De verveling en het onbehagen lijken de wanhoop te maskeren dat poëzie nergens goed voor is. In 'Voor de kat' evolueert de regel ''de wereld staat in brand en ik speel viool'' naar ''de viool staat in brand en ik speel viool.''

Bron: http://mom.biblion.nl

terug naar boven


'Gevecht tegen het muitende lichaam'

Door Willem Thies

Onlangs verscheen bij uitgeverij Cossee de vierde Nederlandstalige dichtbundel van Tsead Bruinja (1974): Overwoekerd. (Bruinja publiceert ook in het Fries poëzie, bij uitgeverij Bornmeer.)Het is een bundel vol lyriek, dynamiek en dramatiek, een hoogst persoonlijke bundel ook, en tegelijk de meest eëngageerde die Bruinja tot nu toe schreef.

Het, overigens titelloze, gedicht dat naamgever is van zowel bundel als openingsafdeling, is wonderschoon en meeslepend:

overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie en er niet mee bezig overwoekerd door de haat en er niet mee bezig overwoekerd door de geilheid en er niet mee bezig overwoekerd door de woede en er niet mee bezig overwoekerd door het geloof en er niet mee bezig door de muziek overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie overwoekerd door de haat overwoekerd door de geilheid overwoekerd door de woede overwoekerd door het geloof overwoekerd door de muziek overwoekerd door het verdriet en er niet mee bezig

Dit is een lied, meer specifiek: een blueslied. Het is een elegie. Het is een bezwering. Een gebed. Een spreekgezang. Een psalm. En toch ook niet, althans: niet alléén. Het is een (zelf)overwinning, een ontworsteling aan wat verstikt, een verheffing, een bevrijding, het is het tegendeel van defaitisme.Naar de vorm is het een simpel gedicht – Bruinja maakt uiterst effectief gebruik van de stijlmiddelen van de repetitio en het parallellisme, middelen die kenmerkend zijn voor de Psalmen en veel (andere) liedteksten, en ook geliefd zijn bij redenaars, zoals in het verleden Martin Luther King en in het heden Barack Obama. Het gedicht getuigt voor mij weliswaar van melancholie en nood, maar toch in de eerste plaats van veerkracht en weerbaarheid. De 'belaagde' laat zich niet levend begraven, laat zich niet verstikken. Hij weigert te capituleren. Simpel als de compositie mag zijn, ze is weloverwogen en doeltreffend. De reeks van parallelle constructies wordt op een gegeven moment, ongeveer halverwege het gedicht, doorbroken: 'door de muziek'; 'overwoekerd' en 'en er niet mee bezig' worden hier weggelaten. Dan volgt een soort tweede couplet, dat begint als een exacte herhaling van het eerste couplet – maar al snel treedt er een tempoversnelling op ('overwoekerd door de jaloezie overwoekerd door de haat (...)'), waardoor het lijkt alsof de (impliciete) ik nu werkelijk van alle kanten overdekt en overmeesterd wordt, het lied nadert zijn apotheose, en uiteindelijk toch de diepe zucht, het tot rust komen, de vertraging, de herwonnen ademruimte.

De bundel Overwoekerd ontleent zijn grote dramatische kracht voor een belangrijk deel aan het middel van de juxtapositie, de nadrukkelijke contrastwerking. 'sneeuw', dat direct volgt op het titelgedicht, is hiervan een goed voorbeeld:

in het najaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
lag ik niet drie dagen bedolven onder de sneeuw
werd mijn eigen vrouw niet door tien mannen verkracht
en levenloos uit een rijdende legertruck geworpen
werden onze kinderen niet van ons afgepakt

in het jaar 2008 was ik een man van vierendertig
rende ik samen met mijn vrouw
naakt over het strand van een duits waddeneiland
doken we een aprilkoude noordzee in
alles aan mij werd klein

in het jaar 2008 was ik niet zwart
deed ik geen gooi naar het presidentschap
waren er geen honderd geweren op me gericht
werd ik maar matig gehaat

in dat afgelopen jaar kwam ik te vaak bij mijn huisarts
die me zei minder te gaan drinken die me maagtabletten gaf
en ik dacht ik ben toch vierendertig en nog geen vierenzestig
en begon minder te drinken

in het jaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
die drie dagen onder de canadese sneeuw bedolven lag
voor wie ik haar diepgelovige man bij de keukentafel bidden zag

in het jaar 2008 had ik goddank mijn vrouw mijn handen en voeten nog

Een mooi, 'rond' gedicht, waarin particuliere en intieme belevenissen met wereldnieuws versneden en gecontrasteerd worden. In de vrouw die 'drie dagen bedolven onder de sneeuw' lag, herkennen we Donna Molnar uit Ancaster, die levend in de sneeuw begraven werd – alleen haar hoofd en nek staken nog uit. Deze dramatische geschiedenis speelde zich af vlak voor kerst 2008. Ook hier is, net als in het titelgedicht, sprake van een levend begraven worden, een overwoekerd worden – Molnar werd overweldigd, overwoekerd door de sneeuw. En ook de vorm van 'sneeuw' is simpel en effectief. Maakt Bruinja in het titelgedicht gebruik van muzikale technieken, hier hanteert hij filmische technieken. Het gedicht krijgt structuur door de montagetechniek van de crosscutting: er wordt heen en weer geschakeld, gesneden tussen verschillende scènes: persoonlijke ervaringen worden afgewisseld met mondiaal nieuws, dat deels dramatisch of zelfs schokkend (r. 3-4) van aard is. Beide krijgen hierdoor reliëf, en relatieve betekenis.

Hierbij is het contrast scherp maar niet totaal – ja, Tsead Bruinja (in zijn gedichten is het onderscheid tussen het lyrisch ik en de dichter zélf, de fysieke persoon die in de Baarsjes in Amsterdam woont en met Saskia Stehouwer is getrouwd, vrijwel verdwenen) heeft een betrekkelijk makkelijk leventje, ja, hij heeft het goed voor elkaar, ja, hij heeft een gelukkig huwelijk, maar ook hij kent persoonlijk leed, persoonlijke zorgen en worstelingen: hij heeft te kampen met ernstige maagklachten, met een weigerachtig lichaam. Zorgen die in het niet vallen afgezet tegen het leed op wereldschaal, ongetwijfeld, maar die niet minder reëel zijn; die degene die erdoor wordt geplaagd, bezighouden en bezwaren. Dat het lichaam de ik (die dus min of meer samenvalt met Tsead Bruinja) regelmatig parten speelt (of op zijn minst niet soepel en optimaal functioneert) en soms opbreekt, blijkt uit meerdere gedichten:

warm water over je stramme schouders (p. 22)

wat valt er te overwinnen in deze hinderlaag die we lichaam noemen
en tegen welk verlies kunnen we ons wapenen?

('Wat durven wij te hopen')

na een avond chinees zit ik lang genoeg op de wc
om me af te vragen of dit lichaam een geschenk is
of een straf

('Bruintje beer op de helft van zijn adembenemende graf')

niettemin is dit gedicht uitstekend geschikt voor dat soort mannen
mannen die zich soms een beetje druk maken
over de toestanden in de wereld

die net iets te veel opscheppen bij het ontbijtbuffet
en hoewel niet moddervet met een opgeblazen gevoel rondbanjeren
door buitenlandse steden

('In basel')

 Niet voor niets fantaseert Bruinja over een volmaakt lichaam:

we verlangen naar een psychedelisch erotische filmhemel
waarin we perfecte lichamen mogen uitkiezen
per standje een aparte set spieren inclusief
atletisch uithoudingsvermogen

Nóg tekenender dan de autobiografisch te lezen passages en verwijzingen naar het lichaam zijn misschien wel de indirecte verwijzingen naar het eigen, weigerachtige lichaam: de gedichten in de eerste afdeling gaan grotendeels over lijken, begrafenissen, crematies, levend verbrand worden, de aantasting en vernietiging van het lichaam – ik vermoed dat deze gedichten freudiaans te duiden zijn, als 'nachtmerrieachtige verbeeldingen', dromen waarin de angsten en zorgen van Bruinja gestalte krijgen. De fascinatie voor de vernietiging van andermans lichaam legt de onderliggende preoccupaties met zijn eigen fysieke gebreken en problemen bloot – althans, in de ogen van de freudianen, de psychoanalytici, de droomduiders; maar ik denk dat het in dit geval een 'veilige aanname' is, een plausibele gedachtegang.

Ander particulier leed is het 'haperend kind', een prachtig beeld voor een kind dat gewenst is, maar dat maar niet komt.

hij sleept een kind door het zand. dat weigert. dat opveert. maak dat je hier wegkomt. maak dat je hier wegkomt. maak dat je van soort verandert. dat je uitsterft. hij sleept een kind door het zand. dat hapert.

Het kind dat hapert, breng ik niet zomaar in verband met een kind dat wordt gewenst maar (nog) niet komt, dat draalt.

Het gedicht 'hier opeten of thuis weggooien' werpt licht op hoe we het 'weigerende' of 'haperende' kind in bovenstaande passage kunnen lezen.

de receptioniste geeft me een sticker met mijn gegevens
en een potje waar ik de sticker op mag plakken
daarna wijst ze me de wc aan  

ik wil haar barvrouw noemen
haar om een biertje vragen

denk aan de snackbarhouder op vlieland
die de kroket uit de frituur haalde en vroeg
hier opeten of thuis weggooien?

als ik na wat nerveus gefriemel
haar het lauwwarme resultaat wil overhandigen
maakt ze een afwerend gebaar en schuift
vliegensvlug een geel bakje naar voren

alles is te groot voor het kleine dat ik lever
het potje het bakje en de lange lijst namen
die het kind later als een mand vuile was
met zich mee mag dragen

nu staat onze gezinswagen geparkeerd
in een straat waar 's avonds door andermans kroost
auto's in brand worden gestoken

maar niet onze auto staat vanavond in lichterlaaie
want wij gaan een weekendje weg

en ook als het een meisje wordt
hoop ik dat zij bitterballen lust

Een onderzoek in een ziekenhuis, een zaadmonster, een stokkend kind – hier ligt een persoonlijk drama ten grondslag aan het gedicht; in ieder geval verloopt het krijgen van kinderen niet zonder problemen, is het een worsteling.  

Na het lezen van 'hier opeten of thuis weggooien?' wordt de volgende passage ineens aangrijpend:

 ik breng mijn kind naar school en het hapert
ik breng mijn kind naar school
en ik krijg een brok in mijn keel

 Het kind dat naar school gebracht wordt, is er nog helemaal niet.

Naast het haperend kind keert de gestorven moeder (naast het kind dat 'nog niet' is, de moeder die 'niet meer' is) terug in deze jongste bundel van Bruinja. Het slotgedicht van Overwoekerd is kort maar uiterst suggestief en geladen:

je kijkt nooit hetzelfde naar haar
van jonge vrouwen

als je moeder een pruik draagt

Vijftien woorden maar, drie regels, en toch genoeg om ontroering teweeg te brengen. En daarvoor hoef je niet per se het gedicht 'één borst' (te vinden in De geboorte van het zwarte paard)te kennen – het drama wordt vermoed, gaat schuil onder dat ene woord, 'pruik': 

in het ziekenhuis rende ik de trap op
sloeg ik de treden over

stoof in de gang vlak voor mijn moeder langs
zag haar niet

thuis had ze nooit een ochtendjas aan
thuis hing zoiets in de kast

kijk maar

ze knoopt het bovenstuk
van haar pyjama
weer open

en ik weet niet wat ik verwachtte
waar haar borst was
leek het dichtgeschroeid

het zag er netjes uit

moeder zei aan de eettafel tegen een vriendje

ik ben hartstikke kaal

hij geloofde het niet

als stan laurel
tilde ze haar pruik op

kijk maar

ze was daarvoor een keer van de trap gevallen
en een poosje buiten westen geweest

ze was een keer misselijk
omdat de nieuwe hagelwitte televisie
pijn aan haar ogen deed

Daarom is voor mij Overwoekerd de bundel van de wapenspreuk Luctor et Emergo ('Ik worstel en kom boven'); van het knokken; het gevecht tegen het muitende lichaam; het verwerken van verdriet en het overwinnen van tegenslag; het hoofd bieden aan problemen; de moed niet verliezen; niet opgeven; de bundel van strijdvaardigheid, veerkracht en weerbaarheid. Niet verstikt raken door wat je dreigt te overwoekeren.

Eerder zei ik al dat Bruinja's poëzie een grote dramatische en lyrische kracht bezit – dit weet hij te bewerkstelligen met name door de inzet van twee (stijl)middelen of technieken: de repetitio of herhaling, die vooral een bezwerend effect heeft (zoals het titelgedicht en 'ik dronk tot ik simpel genoeg was om van te houden') en de gedichten hun lyriek, muzikaliteit en meeslependheid verleent; en de juxtapositie of de contrastwerking, die zorgt voor de dramatiek en impact van de gedichten (bijvoorbeeld 'sneeuw' en 'uw plaats in ons meedogenloze archief').

 Het contrast zit 'm doorgaans in de uiteenlopende stijlen en tonen waarvan Bruinja zich bedient. Zo kan hij (ik zei het al in mijn eerder op Poëzierapport verschenen bespreking van De geboorte van het zwarte paard) hard en ruig uit de hoek komen:

(...)

we plakken huid
over je huid

proppen een vuist
vol mieren

in je hart

(...)

en hier is de trog
waar je uit mag
vreten

(p. 64)

Dit is niet alleen stevig, het is agressief, gewelddadig.

Het contrast geldt niet alleen stijl en toon, maar ook onderwerpskeuze. Zo bevat de eerste afdeling, 'overwoekerd', zoals gezegd, grotendeels gedichten over lijken, waaronder minutieuze beschrijvingen van het verteren van lijken, over begrafenissen, crematie, en zelfs het levend verbranden van mensen, kortom: deze afdeling is rijk aan morbide en macabere horroreffecten, en Bruinja maakt hier ook veelvuldig gebruik van de techniek van de readymade of de half readymade of semireadymade (waardoor sommige gedichten een bijna journalistiek of wetenschappelijk karakter krijgen, zoals 'heb jij de arm ondersteund die het aan kracht ontbrak?', een stapsgewijze beschrijving van een exotisch en 'vreemd' crematieritueel). 

De afdeling die hierop direct volgt, 'twee keer stond ik deze week aan het water', daarentegen, is veel zachter en rustiger van toon, ingetogen en teder en beeldend. Het mooie 'kraag' kan als voorbeeld dienen: 

1. 

tel de voetstappen
die je straks maakt
terug van dit strand

bekijk de persoon naast je
alsof je hem of haar
net ontmoet hebt

bekijk de voetafdruk
en vraag je af wie
daar in staat

hoe goed je elkaar kent

dat dit gezicht
het laatste is
dat je ziet

dat het ritme van haar tred
voordat ze de deur opent
je verlaat

wat bekruipt je?
wat bedwelmt je?

2.

teleurgestelde gezichten onderweg
onder de beladen bomen

de rietkraag
het helmgras

een fietser verdwijnt in de boomwal
achter vingers van wilgentak

een hond rijst op uit het hoge gras

met hun snuiten in het weidse veld
zoeken paarden het lekkerste

een kievit trippelt door een wolk
in een plas

de kleur die je droeg verdwijnt
maar de zon belooft je
toch een nieuwe

onder de beladen
vruchtbare bomen

teleurgesteld 

onderweg

Dit zijn voorbeelden van contrasten tussen gedichten, contrasten in toon en stijl, in idioom en onderwerpskeuze.

Bruinja werkt ook met contrasten binnen gedichten. Een krachtig gedicht, dat geheel en al is gebaseerd op het principe van het contrast, is 'uw plaats in ons meedogenloze archief'.

de soldaten sloegen haar kinderen zo hard
dat ze wel de kamer uit moest komen

leuk voor kinderen zijn knutselen
spelletjes kleurplaten

de vrouwen slapen 's nachts in gebouwtjes
de mannen liggen buiten in de kou

leuk voor mannen zijn topsalarissen
goedbetaalde banen reiskosten

moeder werd achter in de legertruck gezet
en mishandeld

leuk voor moeders zijn bloemen
iets hartigs ontbijt op bed

het leger roofde het geld
en trok haar van de wagen af

goed voor uw wagen
primer wax olie nieuwe banden
van quickfit

daarna werd ze door meer dan tien mannen
in de lokale taal uitgescholden en geslagen

het beste voor slachtoffers van verkrachting
opvang medische zorg juridische begeleiding

het is verstandig hier niet te lang mee te wachten
want hoe langer je wacht hoe groter het gevaar
dat bewèèèismeaterièl verdwêèèènt

of verklaringen hobbel in de weg
onzekerder worden

In dit gedicht, evenals in 'sneeuw', bedient Bruinja zich van de techniek van de crosscutting – zij het in dit geval een heel specifieke vorm daarvan: de dialectische montage, die door de Russische filmregisseur Eisenstein (1898-1948) is ontwikkeld. Dialectische montage is gebaseerd op contrast (bij crosscutting in het algemeen hoeft dit geenszins het geval te zijn; zij is juist vaak op overeenkomst gebaseerd), een 'inhoudelijk' contrast, een contrast dat op ideologische gronden wordt teweeggebracht – om 'de boodschap over te brengen', om de kijker (of lezer in dit geval) van een bepaalde idee te doordringen. Er is sprake van een 'these' en een 'antithese' (en in enkele gevallen van een 'synthese'). Zo herinner ik me de dialectische montage van een scène van een schranspartij van de bourgeoisie, met uitpuilende buiken en vet op de kin, afgewisseld met die van honger lijdende, magere arbeiders, die niets dan wat beschimmeld graan te eten hebben – de arme, onderdrukte klasse. Het contrast is zwaar aangezet. Ik weet niet meer exact uit welke film van Eisenstein deze montage afkomstig is; het moet Staking of Pantserkruiser Potjomkin zijn geweest, beide uit het jaar 1925. Heel veel doet het er ook niet toe. Bij Eisenstein was het overdragen van de ideologische boodschap heilig en zaligmakend, de specifieke plot en personages stonden volledig in dienst hiervan, waren ondergeschikt en min of meer irrelevant. Het ging om de idee, en de klasse, het collectief, niet om individuen of intriges. Ook Bruinja past deze techniek van de dialectische montage toe – en doeltreffend, want het is een indringend gedicht. Het heeft impact. Hij heeft schokkende nieuwsberichten uit oorlogsgebieden, met een gewelddadige strekking, versneden met reclamepraatjes en 'luxe geleuter' uit het veilige, gezellige Westen. Het contrast is, ook hier, nadrukkelijk en bijtend, waardoor de niets-aan-de-handopmerkingen over kleurplaten, topsalarissen en Quickfit iets volkomen ongepasts en gênants krijgen.

Merk overigens op dat er bij ieder montagepunt, iedere overgang, sprake is van een wisselwoord of scharnierwoord – een woord dat het gedicht van het ene op het andere spoor zet, dat het gedicht 'omschakelt' van de ene naar de andere scène: tussen de eerste en tweede strofe fungeert 'kinderen' als zodanig; tussen de derde en de vierde 'mannen'; tussen strofe vijf en zes 'moeder(s)'; tussen zeven en acht 'wagen'.
 Een bezwaar tegen dit gedicht zou kunnen luiden (zoals ook tegen Eisensteins films) dat de montage wel erg ruw en bruusk is, en weinig subtiel en verfijnd. Dat de gehanteerde manipulatiemechanismen wel erg doorzichtig zijn – feitelijk is dit gedicht pure propaganda; niet in dienst van het kapitalisme, noch van het communisme; maar het wil de lezer wel degelijk manipuleren en beïnvloeden, het wil hem bewegen tot sociale betrokkenheid, tot solidariteit met de geweldsslachtoffers elders in de wereld, hem met hen laten sympathiseren, en vooral: hem zich schuldig en medeplichtig laten voelen, hem zich laten schamen. Dat mag zo zijn, dit gedicht mag een staaltje manipulatie en zelfs propaganda eerste klas zijn, en de gehanteerde technieken en mechanismen mogen behoren tot de 'botte-bijlcategorie', het werkt. Bij mij althans wel. Het is effectief. Het gedicht bereikt zijn doel. Ik voel me schuldig. Ik voel me betrapt. Blijkbaar hoeft het doorzien van de manipulatiemechanismen nog niet te betekenen dat de manipulatie faalt – dat de boodschap (de propaganda) geneutraliseerd wordt, dat de angel eruit wordt gehaald.

Overwoekerd is een contrastrijke bundel. Door de afwisseling en vaak juxtapositie van sterk uiteenlopende stijlen en tonen slaagt Tsead Bruinja erin een grote dramatische kracht en dynamiek te bewerkstelligen, een spanningsveld te creëren, tussen de gedichten onderling en ook binnen de afzonderlijke gedichten. Dat de lezer beseft dat er hier en daar sprake is van effectbejag, doet niets af aan het effect.

Bron: Poëzierapport, 15-06-2010

terug naar boven



Gelukkig liefde

Door Samuel Vriezen

Realistisch schrijven is niet alleen maar een kwestie van gewoon opschrijven wat er aan de hand is. Het betekent ook juist vaak op moeten schrijven hoe je niet in staat bent om in contact te komen met de werkelijkheid, omdat die je ontglipt. Dat geldt des te meer als je zelf een aangenaam leven leidt waarin alles goed lijkt te gaan, in een rijk en vredig westers land, terwijl er elders in de wereld aan de lopende band vreselijke dingen gebeuren.

Het lijkt alsof de werkelijkheid niet hier plaatsvindt, of alsof de eigen werkelijkheid niet betrouwbaar kan zijn. Het leidt tot een poëzie waarbij in de normale leefomgeving een onderhuidse dreiging wordt gevoeld, of een spoor van wantrouwen: misschien kan zulke poëzie 'realisme van het ongemak' heten. Het is een gegeven dat ik geregeld, in uiteenlopende varianten bij jongere dichters vandaag bespeur.

Overwoekerd van Tsead Bruinja kan goed binnen die tendens gelezen worden. Door de bundel heen is een onmacht bespeurbaar die juist optreedt terwijl je midden in het leven staat: 'Overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de liefde en er niet mee bezig [...]'. Alsof de dichter zich levend begraven heeft, zich in het leven begraven heeft, al levend niet in het leven staat. Niet toevallig staan er in het begin van de bundel enkele gedichten over lichamelijkheid en over de verbrandbaarheid van het lichaam, over crematie en over de moord op 'the burning man', Ernesto Nhamuave, door een menigte in brand gestoken in Zuid-Afrika in 2008.
Het is tegen de achtergrond van zulk geweld dat Bruinja het leven in het Westen schetst:
 
de soldaten sloegen haar kinderen zo hard
dat ze wel de kamer uit moest komen
 
leuk voor kinderen zijn knutselen
spelletjes kleurplaten
 
(uit 'Uw plaats in ons meedogenloze archief')
 
Ook het eigen leven van de dichter wordt zo gecontextualiseerd: 'in het jaar 2008 had ik goddank mijn vrouw mijn handen en voeten nog', heet het in het gedicht 'Sneeuw'. Onvermijdelijk krijg het Bruinja-zijn zo iets komisch, wat mooi wordt uitgewerkt in een absurde dagdroom getiteld 'Worming up von kwabbestein', waarin hij zichzelf voorstelt als iemand die 'graag wijsheden [declameert] als: Zwitserland is erg duur', maar ook als groot doodrijder van bejaarde vrouwtjes bij het straatracen, als aanstormend gitarist ('Ongetwijfeld zal Tsead ook daarin geil en succesvol blijken') en als dictator van Tsjechië. Het personage dat Bruinja op zulke momenten opvoert heeft duidelijk een schop onder zijn hol nodig.
 
In deze bundel spreekt Bruinja veelal directer, minder zangerig, iets kernachtiger wellicht dan ik van hem uit eerder werk gewoon was. Regelmatig is Overwoekerd hard, cynisch bijna. De toon heeft vaak iets laconieks en wrangs: 'er is een boek dat hij wil schrijven / waarin op iedere pagina een nieuw personage / een fatale ramp overkomt'.
 
Maar ook bevat de bundel ontroerende liefdesgedichten die geplaatst tussen Bruinja's harde observaties juist aan kwetsbaarheid winnen. 'In Basel' bijvoorbeeld is een mooi en complex gedicht, waarin de dichter zijn eigen huwelijk bekijkt in het kader van een aanstonds huwelijk van vrienden en een dichtregel van Raymond Carver: 'we're having a good time here. But hope all will be revealed soon'. Zijn eigen gedicht acht hij geschikt voor 'mannen die liever niet in de spiegel kijken / als ze met hun gelukkig getrouwde vrouw / in het royaal naar hen uitgestoken ochtendlicht / vertrouwd en helder / de gelukkige liefde bedrijven.'
 
De dichters spreekt opvallen genoeg niet van gelukkige getrouwde mannen; in het gedicht komen alleen 'bijna gelukkig getrouwde mannen' voor. Het gaat om een kwetsbare liefde': daarmee krijgt hhet bedrijven van 'de gelukkige liefde' op het eind ook juist zijn extra aangrijpende, affirmatieve lading.
 
Met Overwoekerd door Bruinja vaak hard, soms ontroerend, steeds secuur verslag van het leven in een ongemakkelijk vredige wereld, die gelukkig niet van alle hoop verstoken is.

Bron: Awater, zomer 2010

terug naar boven



'Bedrieglijk simpel en licht'

Door Holly Moors

Ik heb steeds de neiging om de man Bruinsma te noemen, waarschijnljk omdat ik zijn voornaam al exotisch genoeg vind, maar dat neemt niet weg dat ik zeer onder de indruk was van de nieuwe gedichtenbundel van de Friese dichter Tsead Bruinja.

De gedichten van de Friese dichter Tsead Bruinja ogen bedrieglijk simpel en licht. Ze zijn zo plezierig en prettig leesbaar dat je er zelfs mensen die denken niets met poëzie te hebben, mee kunt overhalen eens te luisteren. En als ze dan ook maar een klein beetje poëtische ziel hebben, dan voelen ze ook dat er onder die prettig leesbare oppervlakte meer schuilgaat.

Dat is het mooie aan de gedichten van Bruinja - je hoort meteen dat ze goed zijn, en dat elk woord op de perfecte plaats staat. Maar tegelijkertijd weet hij op een geheimzinnige manier tussen de regels, tussen de woorden, melancholie tevoorschijn te toveren, zoete treurnis.

Overwoekerd is de naam van een bundel waar iedere poëzieliefhebber lang mee kan doen. Gedichten die je wil gaan voorlezen, die je in stilte wilt proeven, die je lang wil laten nawerken, die onder de huid kruipen, doen glimlachen, of doen mijmeren. Gedichten die raken ook, die binnenkomen. Een bundel om stil van te worden.

P.s. Dat de man genomineerd was voor de Dichter des Vaderlands en andere wetenswaardigheden die je meestal in recensies aantreft leiden wat mij betreft alleen maar af van waar het hier om gaat - intieme en tegelijk grootse poëzie.

Bron: http://www.moorsmagazine.com/dichtershoek/bruinja.html

terug naar boven



Bijna gelukkig getrouwde man leest poëzie

Door Joep van Ruiten

Achteraf is het zo'n ramp niet dat Ramsey Nasr ruim een jaar geleden boven Tsead Bruinja werd verkozen als Dichter des Vaderlands. Omdat het Bruinja alle ruimte geeft te doen waar hij goed in is.

Overwoekerd is zijn tiende bundel. Verspreid over zeven afdelingen schotelt hij ons 55 gedichten voor die vertrouwd aan doen, wat inhoud, toon en vorm betreft. Tegelijkertijd beschikken ze over een typische Bruinjafrisheid.

Het is iets wat met een nieuwe oogst te maken heeft, maar misschien nog wel meer met het belangrijkste kenmerk van zijn poëzie: speelsheid.

In het titelgedicht wordt het malen van de geest beschreven.Woorden en regels worden aan elkaar geregen tot een loop: 'overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie en er niet mee bezig overwoekerd door de haat en er niet mee bezig overwoekerd door de geilheid en er niet mee bezig'.

Kop in het zand? Hier is eerder een hypersensitief dichter aan het woord, iemand die poëzie ademt en drinkt. En daar niet altijd gelukkig van wordt, laat staan financieel beter. Uit Voor de kat: 'de wereld staat in brand en ik speel viool/ met wat men in mijn hoed smijt/ financier ik de fabriek/ die violen maakt'.

Poëzie als dwangmatigheid, als onontkoombaar lot. In In Basel, waar een huwelijksfeest wordt gezocht, grijpt de dichter verzameld naar de rode wijn en de verzamelde verzameld naar de rode wijn en de verzamelde poëzie van Raymond Carver - terwijl zijn vrouw al slaapt.

Om vervolgens een gedicht te schrijven voor 'mannen die zich soms een beetje druk maken over de toestand in de wereld'. En dan vraagt hij de zich af: 'Maar welke bijna gelukkige getrouwde man leest er nu poëzie?'

Soms lijkt hij cynisch, of op zijn minst mismoedig. Zin in braderie opent met 'troep kijken/ troep kopen'.Waarna het verlangen wordt uitgesproken naar 'een psychedelische erotische filmhemel/ waarin we perfecte lichamen mogen uitkiezen'.

Inclusief 'door de week en in het weekend een dagje alleskoopparadijs'. Plus 'uit onze monden één grote geile lavastroom/ van zelfverheerlijking.'

Het korte slotgedicht is zelfs nooit hetzelfde naar haar/ van n treurig: 'je kijkt nooit hetzelfde naar haar/ van jonge vrouwen/ als je moeder een pruikt draagt.'

Zo ook de laatste strofe van Wat durven wij te hopen: 'Wat durven wij te verwachten van dit leven/ waar durven we op te hopen op meer dan n een goeie buurman/ een goeie vrouw haar hart als een vesting/ en een te verdragen aantal tegenslagen.'

Bruinja somberheid in de schoenen te schuiven zou hem te kort doen. Daarvoor staan er in zijn tiende bundel te veel gedichten waar levenslust uitspreekt. Zoals Hé blad aan de bomen hé, een klassieker in de dop, en Worming up Von Kwabbestein, waarin de dichter zich verheugt op wat komen gaat: gitaarspelen met de Squirrel Nut Zippers en neuken in Big Beaver Lick, Kentucky.

Die Bruinja is onverminderd gretig en laat zien dat hij nog steeds volslagen onbevangen kan zijn. Overwoekerd mag dan geen vrolijke bundel zijn, het is wel een rijke bundel, een waarin hij met indrukwekkend gemak zijn veelzijdigheid demonstreert.

Bron: Dagblad van het Noorden (http://www.dvhn.nl/), 5 juni 2010

terug naar boven



'Emotionele pit en stoere bolster'

Door Albert Hogeweij

De nieuwe, fraai vormgegeven bundel van Tsead Bruinja toont voorop een scherp genomen foto van een schop die niet lang tevoren nog gebruikt moet zijn gezien de aarde die er nog aan zit. Achterop ligt de dichter zorgeloos in het hoge gras te dromen. Tussen voor- en achterplat staan 55 gedichten gegroepeerd over 7 afdelingen. Ditmaal geen motto’s van collega-dichters dan wel popmuzikanten, maar is gewoon Bruinja zelf (op een ingelaste sample van Paul van Ostaijen na) ongehinderd aan het woord met al zijn lef en minimale interpunctie en in al zijn kwetsbaarheid. Soms lyrisch getoonzet in de beleving van de (ontoereikendheid van de) liefde tot zijn vrouw naast hem, of het wachten op het wonder van boven. Want Bruinja toont zich ook ontvankelijk voor het religieuze. Een geslaagd gedicht als Licht lijkt daarop te zinspelen:

er is licht
en iets dat daartussen staat

een muur
een figuur

een leven lang
ben je onbenaderbaar

kweek je vuisten
bedek je een graf

met je hele lichaam

verduister je het gat
van een deur

er is licht
iets dan daartussen staat

en er is een weg
waarop je je spullen achterlaat

er is licht
dat je iets wil vertellen

ga weg
laat liggen

neem op

Maar Tsead Bruinja kennen we ook als de man die de ongerijmde trivialiteiten van de omringende, soms huiselijke dan weer vervreemdende werkelijkheid niet schuwt in zijn werk. Hij pikt daarbij maar al te gretig de instantpoëzie (ready mades) mee die de realiteit ons soms al aanreikt. In dit soort gedichten toont de dichter zijn bravoure en zijn flair. Bruinja mijdt het schrijnen niet, zet zijn boosheid of verontwaardiging in, en kruidt het hier en daar met wat maatschappijkritiek, zoals bijvoorbeeld in het sarcastische gedicht Goed Nieuws. In het gedicht Uw plaats in ons meedogenloze archief beproeft Bruinja met succes de sampletechniek. De strofen waarin zich een documentaire-achtig verhaal ontvouwt over mishandeling door soldaten worden afgewisseld met teksten uit een folder die de televisiekijker(?) blijkbaar tegelijkertijd verveeld aan het doorbladeren is. Beide teksten lopen vloeiend en daarin laat zich de hand van een ervaren dichter zien.

Dat de anekdotisch opgezette gedichten zich niet loszingen van die werkelijkheid mag het verwijt niet zijn, maar toch wekken sommige gedichten wel eens de indruk dat de dichter er te makkelijk van uitging dat een wat vlakke anekdote met een enkele rake regel een heel gedicht kunnen schragen. Niet altijd wringt het, wil ik maar zeggen. Niet altijd wil het wonder uit de taal ontstaan. En van waar moet het wonder in de poëzie anders komen? In het gedicht Het haar op onze wonden wordt grijs moet een niet onaardige regel als ‘het is zo’n dag waarop je naar de andere kant van het land zou rijden / vanwege een advertentie op marktplaats’ de aanzienlijk mindere regels als ‘de auto staat uit te blazen onder de kap / en tegenover je een engerd van wie ze na zijn geboorte / meteen de mal hebben gebroken,’ in zijn nabijheid dulden.  Soms schuurt het tegen het flauwe aan zoals in een strofe uit Sneeuw dat eerder in NRC Handelsblad verscheen: ‘in het jaar 2008 was ik een man van vierendertig / rende ik samen met mijn vrouw / naakt over het strand van een Duits Waddeneiland / doken we een aprilkoude Noordzee in / alles aan mij werd klein.’ Zoiets bevalt mij matig. Maar terwijl ik bij het lezen van de titel van het gedicht Bruintje Beer op de helft van zijn adembenemende graf  mijn hart al vasthield bij de gedachte hier een gedicht over een stoelgang voor mijn kiezen te krijgen, las ik de eerste regel: ‘na een avond chinees zit ik lang genoeg op de wc / om me af te vragen of dit lichaam een geschenk ik / of een straf.’ en vond die eerlijk gezegd niet onaardig. Maar echt raak wordt het pas verderop in dit gedicht bij een regel als: ‘verwelken doen we morgen wel / de nikkei index beleefde een matige dag melden ze op rtl / maar mijn tong voelde fit aan.’ Die fitte tong en die matige nikkei index vormen samen een uitstekend paar.  Maar dergelijke verwrongen combinaties waarin het vonkt, laten zich niet makkelijk opsporen, al zijn er wel degelijk.

Een heel ander gedicht is het titelloze gedicht waaraan de bundel niettemin zijn titel ontleende: ‘overwoekerd door de dood en er niet mee bezig overwoekerd door de / liefde en er niet mee bezig overwoekerd door de jaloezie en er niet /  mee bezig overwoekerd door de haat en er niet mee bezig / overwoekerd door de geilheid (..)’ enz. enz. Een in zijn massiviteit sterk en overtuigend gedicht dat geheel zonder interpunctie geschreven is en zich waarschijnlijk als een langgerekte zin wil laten lezen.

In Oud nummer wordt uit een ander vaatje getapt. Hierin wordt de aandoenlijke kant van ontoereikendheid op een mooie, ingehouden, haast serene wijze verwoord:

op een dinsdagavond viel
het telefoonnummer van een oude vriend
hem in

er werd door een vrouw opgenomen

ik liep langs de tv
hoefde het alleen maar
op te schrijven

het boek viel dicht op de bladzijde
waarop de hoofdpersoon
langs een tv liep

er is iets wat ik moet zeggen
maar wat ik niet kan zeggen

mijn vader vertelde over de sloten achter zijn ouderlijk huis
terwijl ik hem belde om advies te vragen
over een nieuwe wasmachine

Maar het echte hoogtepunt van de bundel vormde voor mij overduidelijk Het op de groei gekochte einde:

aan de overkant van een zin en aan de achterkant van het zwart
van wat niet kunnen slapen is klinkt het zingen van een vogel
maar het kan ook het tikken zijn van een stuk waslijn tegen een paal
de wind door een wapperende vlag

en daar dan doorheen prikken de lijntjes verbinden en dat overkant noemen
geef het geen gezicht geen hoofdletter want wind is niet adem die vermoeid
de wolken de bergtop over duwt

laat dit op de groei gekochte leven zwabberen als een kinderbeen met speling
in de knie en zie dit is af te stellen op daar
één sprongetje maar en je bent er

en geef het een andere naam kijk of de hand uit de lucht of van de grond komt
mis je haar?

één sprongetje en je bent er

tussen neus en lippen door je mond aan het gas je mond aan de honing
in de verte klinkt een vogel zijn lied een massieve woning

een onpeilbare gracht van woorden om je leefhuis om je vleeshuls

                                                           wie niet komt

is de vogel

                                                           wie niet zingt

die slaapt

                                                           in de vogel

                                   zingt

                                               braaf

zing geen hoofdletter
maar fluit een jazzy akkoord

bouw je spieren op
wees rap en sterk voor de vogel
voor het spel met de vogel

zwijgend wordt het lidmaatschap
verlengd

ik heb je lief
als een sikkeneurige ezel
ja ja ja
en ik heb je lief

zingt het brood
zingt het lichaam
en splijt de vogel

Dit is een ronduit gaaf gedicht en dit toont Bruinja op z’n best. Hier hebben de emotionele pit en de stoere bolster elkaar gevonden. En hoe mooi voegt de ready-made van het zwijgend verlengde lidmaatschap zich in het geheel. Gaat dit over slapeloosheid, wordt hier de kwetsbaarheid van het leven beleden, of uiteindelijk toch misschien de liefde bedreven? Het is van ondergeschikt belang omdat de woorden elkaar aftasten, uittesten en loszingen van hun betekenis om samen een spel te vormen, waarin ze de eigen verbeelding van de lezer gul laten delen.

Al was lezing van de bundel een aangename ervaring en zal herlezing dat later niet minder zijn, ik vermoed niet dat deze bundel uiteindelijk op het erepodium van de allerbeste bundels van 2010 belandt, maar het gedicht Het op de groei gekochte einde  kan wat mij betreft dingen naar de prijs voor het beste vers van het jaar.


Bron: Literair Nederland, 04-06-2010

terug naar boven



uit: Dubbeltijd

Door Erik Lindner

...Tsead Bruinja, die zowel in het Fries als in het Nederlands dicht, publiceerde ondertussen Overwoekerd, een wereldse bundel in een opvallend eenvoudig parlando geschreven...

...Tsead Bruinja debuteerde sterk met Dat het zo hoorde, in 2003 verschenen bij Contact. Daarvoor verschenen een aantal Friese bundels bij Bornmeer. Hem in het Fries horen voordragen is bijzonder: het is klankrijk, lyrisch en gedreven. De twee gedichten die hij vertaalde van een andere Friese dichter, Elmar Kuiper, in de bundel Roep de rotweiller op (BnM/De Contrabas), waren sterk vertaald. Ook zijn derde Nederlandse bundel Bang voor de bal bevatte mooie gedichten.

Bruinja is bijzonder getalenteerd. Hij staat bijna op springen van vitaliteit. Er bestaat een video van een tournee langs Friese scholen om stemmen te vergaren voor zijn kandidatuur als dichter des vaderlands. Bruinja wordt geflankeerd door Daniël Dee, de onvervalste punkdichter Bart FM Droog en de Iraakse dichter Mowaffk Al-Sawad. Het zijn vooral de fragmenten waarin Bruinja zelf voordraagt, de scholieren stil krijgt en als een konijn door de aula hupt en over de tafels van de scholieren loopt: beelden die indruk maken en ook een beetje beangstigen. Zoveel overtuiging, zoveel gedrevenheid. Toch is Bruinja alles behalve een ongeleid projectiel. Hij weet donders goed wat hij doet. Hij studeerde Engels in Groningen en onderging, samen met de Friese dichter Albertina Soepboer, invloed van Maria van Daalen. Tegelijk beklom hij waar mogelijk de podia.

Overwoekerd heet zijn nieuwe bundel. In de net zo genoemde afdeling waar de bundel mee opent, heet het 'overwoekerd door jaloezie en er niet mee bezig'. Dat is net iets anders dan H.C. ten Berge's 'O transmontanus/ in wedijver opgegroeid/ heb je de wedijver afgelegd'. Soepel klinken de gedichten van Bruinja en toch stemmen ze ongemakkelijk. Dat lijkt ook de bedoeling: 'bij warm weer wordt een lijk binnen twee weken opgegeten door de maden'. Het zijn gedichten over ontbinding, over een crematie. Bruinja lijkt zich in de eerste serie iets gelegen te hebben gelaten aan wat Thomas Vaessens aan het begin van dit seizoen (bij een bijeenkomst van de SLAA, getiteld 'Nieuwe geluiden') met wat geïrriteerde stem 'een debatje' noemde over engagement en literatuur, dat zich afspeelde terwijl Bruinja Overwoekerd schreef. Een paar pagina's later staat er in de bundel: 'als ik schrijf dat dit een bewerking is van een artikel uit de groene/ geschreven door fred de vries// beginnen de namen u wellicht te duizelen/ en komt het gedicht minder hard aan'.

In de tweede afdeling, 'twee keer stond ik deze week aan het water', registreert de dichter rustiger. 'een fietser verdwijnt in de boomwal' en 'een hond rijst op uit het hoge gras'. Er staan mooie wendingen in over een wapperende vlag en een waslijn die tegen een paal tikt. 'wind is niet adem die vermoeid de wolken de bergtop over duwt', schrijft Bruinja. De derde afdeling heet 'je gaat tegen haar aan liggen terwijl ze slaapt' en bevat mooi lome liefdesgedichten, met daartussen een roepend 'hé zon in de lucht' dat aan Van Ostaijen doet denken. Daarop volgt een serie gedichten 'met een groot wit nummer op de rug' waarin Bruinja de spreektaal volgt, ongeveer zoals Martin Reints dat doet. Een ik-figuur en zijn vrouw kijken in broek en handdoek naar de sneeuw buiten. Verderop schrijft Bruinja: 'waar durven we op te hopen meer dan op een goede buurman'. In het gedicht In Basel is er sprake van een spiegel van een gelukkig getrouwde man die naar een huwelijk gaat - en samenvalt met de bruidegom. Een bezoek aan Zuid-Afrika duikt op in het gedicht Hector Pierterson, vernoemd naar een jongen van dertien die in 1976 werd vermoord.

En dan gaat Bruinja in de vijfde reeks 'worming up von kwabbenstein' los. De mens pakt het liefst op ooghoogte de kroket is een typerende titel. En hij kreet er op los: 'caramba doe mij nog een ranja'. Het laatste gedicht uit de afdeling opent zo: 'de wereld staat in brand en ik speel viool'. De sterkste afdeling is de zesde, 'bakkie for hire'. Opnieuw komt zijn bezoek aan Zuid-Afrika terug, maar dan geabstraheerder, meer door de gedichten heen geschoven. Wereldwijsheid en directe taal komen hier samen. 'mijn huid is een brochure/ mijn gezicht een gezicht/ dat op mijn hoofd/ zit geplakt'. In de laatste afdeling 'verkeerd verbonden' worden gruwelijke gebeurtenissen versneden met opgewekte reclame. Treffend is de opening 'de schoonmaker mopt keurig om de patiënt heen/ die in katzwijm op de vloer ligt'. Te midden van een gedicht vol argeloze vergissingen staat de regel: 'er is iets wat ik wil zeggen/ maar wat ik niet kan zeggen'....

Bron: De Groene Website, 25-05-2010

terug naar boven


 


Verwelken doen we morgen

Door Eppie Dam

Wie in 2000 zijn poëziedebuut maakt en in 2010 de tiende bundel publiceert, mag een productief dichter worden genoemd. Overwoekerd is de titel van Tsead Bruinja's nummer tien, een volledig Nederlandstalige bundel, uitgegeven door Cossee. Drie van de negen voorgangers schreef hij ook al in het Nederlands, vier in het Fries; de overige twee verschenen in beide talen.
 
Overwoekerd telt 55 gedichten, verdeeld over zeven rubrieken. De indeling is amper dwingend en oogt even willekeurig als de vaak open titels van de afzonderlijke gedichten. Bruinja laat als dichter veel open. In een van de gedichten laat hij anderen aan het woord over zijn poezie: 'de een zei gatenkaas tegen mijn gedichten / de ander zei licht valt van bovenaf door zijn regels'. Dat mag gezegd zijn van poëzie die van nature ademt en doorschijnend is.

Op de recensiewebsite Poëzierapport tekent Willem Thies, in 2008, Bruinja als ,,een dichter die teder en liefdevol kan zingen, maar ook stevige, ruige beelden en klanken kan gebruiken.
Zachtmoedig én stoer. Een strelende hand én een vuist.'' De woorden 'stoer' en 'vuist' mogen minder toepasselijk zijn, in essentie is het een typering die Bruinja's poëzie recht doet. Hij oogst van twee wallen, kent van het leven de lichtzijde en de duistere kant, zoals het een dichter van formaat betaamt.

De menselijke staat in al zijn facetten vormt de grondtoon van deze doorleefde en bezielde bundel. Het bestaan wordt overwoekerd door de dood, woede en verdriet, haat en liefde, geilheid en geloof, jaloezie en muziek. Maar, zo laat de dichter tienmaal weten, hij is 'er niet mee bezig'. Soms leidt die ongebonden houding tot inzicht, gevolgd door mildheid en aanvaarding.

Wat de wrede scherprechter betreft: 'nu zie ik voor me / hoe onze namen verdwijnen in een eindeloze grijze landingsbaan / voor het nageslacht' en 'elke dag is een goede / om met dat verdwijnen / te beginnen'. In een ander gedicht calculeert hij 'een te verdragen aantal tegenslagen' in. En, weer een ander gedicht, 'verwelken doen we morgen wel'.

Met 'Overwoekerd' schreef Tsead Bruinja een verontrustend, maar tegelijk vrolijk en bemoedigend dichtwerk. Hij herkent de chaos van de wereld en erkent het onverbiddelijke van de tijd, maar hij weigert er op voorhand aan ten onder te gaan. Zonder bitterheid of verbetenheid, enkel in het besef dat de kaarten van het bestaan nu eenmaal zo zijn geschud. Het weerhoudt hem niet om zich, vol overgave en met speelse vitaliteit, te richten op 'ons dagelijkse leven'.

'Wat durven wij te hopen', 'Bruintje Beer op de helft van zijn adembenemende graf', 'Goed nieuws', 'Mijn kokosnoot niet te lang' en 'Uw plaats in ons meedogenloze archief' zijn de parels in deze rijk geschakeerde bundel. Waarbij aangetekend dat Bruinja de Nederlandse taal vooral niet minder tot glans weet te brengen dan de Friese.
 
Bron: Leeuwarder Courant, 21-05-2010 (http://www.leeuwardercourant.nl/)

terug naar boven



uit: Nu u! In je brandt de hemel

Door Liesbeth Goedbloed

Echo's is een poëzierubriek waarin nieuwe gedichten gelezen worden tegen de achtergrond van oudere gedichten, romans en andere teksten.

Nu u! is een opvallende bundel van Literair Productiehuis De Wintertuin. In deze bundel reageren hedendaagse dichters op oudere, klassieke gedichten. Publicist Harold Polis schrijft in het voorwoord: , ,If you can't read them, rewrite them. De dichters van Nu u! zitten naast hun illustere voorgangers en zetten al hun talent in om iets nieuws te maken.

Die 'quatre-mains' van oude en nieuwe gedichten vormt de basis van dit project." H.H. ter Balkt staat naast P.C. Hooft, Tsead Bruinja schrijft een extatische echo van Paul van Ostaijens 'Marc groet 's morgens de dingen' en Eva Gerlach reageert op Willem Kloos' 'Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten'.(...)

Bron: Nederlands Dagblad, 13-05-2010

terug naar boven


Oudere recensies van eerdere bundels (o.a. uit Farsk, Dagblad van het Noorden, De Recensent, Meander NRC, De Leeuwarder Courant, Schoonschip en Ravage) via deze link.


Om wat foarfallen is - Oer Angel fan Tsead Bruinja

Troch Rieuwert Krol

Tsead Bruinja hat twa dichtkarriêres. Ien yn it Nederlânsk mei Dat het zo hoorde (2003), Batterij (2004) en Bang voor de bal (2007), en ien yn it Frysk mei De wizers yn it read (2000), De man dy’t rinne moat (2001), Gegrommel fan satyn (2003) en Gers dat alfêst laket (2005). Net allinnich is de taal in ferskil ek de toan, de styl en ûnderwurpen binne oars yn it Frysk as yn it Nederlânsk. Miskien wie dat in ûntwikkeling dy’t no ta in ein kommen is mei de lêst ferskynde bondel Angel. Hjir liket de oersetting in oare (taal)ferzje fan itselde gedicht te wêzen en net mear.

Angel is in twatalige dichtbondel útjûn yn krante(tabloid)formaat, mei op ’e bledsiden lofts de Fryske tekst en rjochts de oersetting? yn it Nederlânsk. In bondel foar dyjinge dy’t leaver Nederlânsk lêze as Frysk? Of is it in bondel foar de Nederlânske merk? It giet yn Angel om de gelyktidige ferskining fan de Fryske en oersette tekst. Dizze wike seach ik dat Angel ek gewoan as bondel útkaam is. Frjemd. Wat hat de needsaak fan de eardere útjefte as krante dan west?

De bondel iepenet mei in tal fersen dy’t ôfwike fan it oeuvre fan Bruinja. Se binne beheind yn romte, yn byld en skruten hast fan toan. Mar hiel dúdlik en as glês sa helder.
Bruinja liket him te beheinen ta in lyts tal faktoaren. Yn de earste ôfdieling komt it byld fan hannen hieltyd werom. Immen sjocht syn hannen en lêst dêr wat yn. It hat wat ferûntrêstens. De titel fan dy ôfdieling, ‘lit de ûnderhannelings begjinne’ aksintuearret de driging. It earste gedicht giet sa:

septimber
de bijen binne noch net útiten

op it plein
sliept de kermis

ik jou net genôch om dy film
om derhinne

myn hân is in kûmke
gjin latte

Yn de Nederlânske oersetting sjocht dat der sa út: (september / de bijen zijn nog niet uitgegeten // op het plein / slaapt de kermis // ik geef niet genoeg om die film / om erheen // mijn hand is een kommetje / geen lat)

De útdrukking ‘ik geef niet genoeg om die film om erheen’ liket my in net bedoeld frisisme. Fierder binne de teksten hast itselde. Der is eins gjin spjeld tusken te krijen. De ein fan de simmer dy’t noch krekt net foarby is en in jonge dy’t mei de siel ûnder de earm yn in doarp wennet en in grut langstme projektearret yn de lege kûm dy’t syn hân is. Wa follet dy romte? De simmer is foarbygongen en no hat er noch gjinien.
It twadde gedicht:

it ljocht fan de fjoertoer
strykt oer de hûzen
en de tsjerke

in wolk protters
draait om ’e toer

snie dy’t net bakke wol
leit yn myn hannen

en ik ha gjin flibe mear

(Nederlânsk: het licht van de vuurtoren / strijkt over de huizen / en de kerk // een zwerm spreeuwen / draait om de toren // sneeuw die niet plakken wil / ligt in mijn handen // en ik heb geen spuug meer)

It is winter wurden. Mar kinst fan de snie neat meitsje. It doarp is stil. It ljocht komt en ferdwynt mar de jonge hat gjin flibe mear om fierder te boartsjen. Hy is allinnich en hopet dat freontsjes ek mei de snie boartsje wolle, mar der komt gjinien. It is fêst in snein. De jonge giet net nei tsjerke, hy sjocht wol hoe’t it ljocht fan de fjoertoer oer de tsjerke strykt. Hy sil dêr letter dit gedicht oer skriuwe. Dy’t binnen sieten yn tsjerke of hûs, smûk by heit en mem, dy sille him net lêze. De jonge is de taskôger.

Jierren letter, de jonge is in man en in dichter wurden: ‘fan ’e moarn // wekker yn âld farwetter’. ‘mear as tsien jier / troch dizze slinke fearn / iten skiten en dien // ik swim troch myn eigen smoargens’. Dan folget in gedicht yn en út it no fan de dichter. Op de folgjende bledside in gedicht yn in lettertype, twa kear sa grut oer in boat dy’t besiket om stil te lizzen en dêrby de modder fan de feart omheech spat. Dat is wat de dichter yn dizze bondel wêze wol en faaks wol wêze moat: in skroef dy’t de modder en smoargens út it âlde farwetter de loft yn spuitsje moat. Moai wurk.

It twadde part fan de earste ôfdieling giet fierder mei in ik, de jonge, dy’t de dichter in do begjint oan te sprekken. No komme we telâne yn it werklike drama.

mei in prûmke yn de mûle
yn de iene hân de boarnamer
en yn de oare de tuolle
rint hy by de groppe del

boarstbern

salvje him

En it folgjende gedicht:

it baarnt my yn ’e bûse
wat er sein hat

klopjacht fan fingers
ik wol dy by my ha

fêstbûn
opjage wyld

krûpt út ’e bûse
krûpt út ’e mûle

Stiet in pear fersen fierder:

‘soe ik dit tsjin dy sizze
at ik net sa benaud wie?’

Wêrom is er sa benaud? De folgende ôfdielingen yn de bondel fertelle dêr net sa’n protte oer. Ik fyn dy ek net sa oertsjûgend, foaral It boek en de dea, liket mear in fers dat tefolle driuwt op in darling dy’t de dichter fermoardzje moatte hie. Mar dan op side 34 yn it part dat apen hyt, begjint it wer. Wer komme de hannen út it earste part werom. ‘sy ferlegen mei syn hannen is’. En: ‘al lulk foardat ik hannen hie’. ‘de binnenkant / fan myn hannen projeksjeskerm / dêr’t ik yn spuide // en wriuwde / oant it nei fjoer rûkte // fûsten dy’t ik net oan it wurk sette’.
De dichter giet fierder mei it tinken oer plakken dêr’t er de do ophingje kin; oan hokker beam? Mar dan komt er ta in soarte fan bittere ferjouwing yn it lêste fers dat ik sitearje sil:

der is in soad dêr’t wy net oer prate
at wy deroer prate

ik sjoch dy oan
en achter dyn wetterige eagen
skynt it fertriet

spitigernôch baarnt der gjin twifel
leit der gjin ark

ûnder it ôfdak fan dyn tinzen

gjin fûsten
om wat foarfallen is
rjocht te breidzjen

De nije gedichten fan Bruinja litte in nije ûntwikkeling sjen yn it oeuvre fan in skriuwer mei in grutte produksje. Yn syn earste, Fryske bondels wie er beheind, mar spruts er altyd immen oan. It wie hast sentiminteel. Mar wol keunstich en moai. Letter, yn syn Nederlânske fersen foaral, wurde de gedichten grutter en wurden se droegen troch it ritme fan in swolch wurden dy’t net botte subtyl is, mar wol moai. Moai? It wurke. Der wie immen oan it wurd dy’t wol wist wat er sei en sizze woe. No yn Angel is er foar in part werom by de earste fersen en giet it ek wer oer wat út syn bernejierren dat nea beneamd wurde kinne sil. Wer is de romte yn de fersen oar it algemien net grut. De foarm en de oansprekfoarm fan dizze gedichten liket noch it meast op notysjes. De (emosjonele) spanning is dêrtroch wat fuort, mar it drama is grutter wurden.

Bron: Ensafh, april 2009

terug naar boven


Handel in poëzie

Door Hein Walter

Tsead Bruinja is cultureel ondernemer, zijn handel is poëzie. Ik sta in zijn digitale adressenbestand en krijg regelmatig e-mail over zijn ondernemingen. Ik heb er waardering voor. Schrijven, promoten, optreden, organiseren, een dagtaak moet hij eraan hebben. Hij zorgt daarbij voor nieuwe impulsen, leest voor op onverwachte plaatsen, zoals zorgcentra, scholen, waardoor nieuw publiek wordt aangesproken. Petje af.  Zijn poëzie is gelukkig ook de moeite waard om te volgen.

Tsead Bruinja is een van de vijf dichters die zijn genomineerd voor de Dichter des Vaderlands. Op 28 januari zal de winnaar bekend zijn. Ik hoop dat hij dat is.

Zijn nieuwste bundel, Angel, moet zijn promotie ondersteunen. Het uiterlijk van de bundel is opmerkelijk: een krant, op tabloidformaat, voor € 4,50 te koop. Om het bereik  nog extra te vergroten is de bundel tot 28 januari ook gratis te downloaden.

Tsead Bruinja is een tweetalige dichter. De gedichten in Angel zijn te lezen in het Nederlands maar ook in het Fries. Ik heb het gevoel dat ze in het Fries geschreven zijn en later omgezet naar Nederlands, maar zeker weten doe ik dat niet. Fries is een mooie taal en heeft voor mij, merk ik, dezelfde charme als Zuid-Afrikaans. Het zingt meer dan het Nederlands. Een zin als Oant de drek fan de boaiem omheech kaam klinkt mooi, ik hoor er een oude, mystieke klank in, de taal van engelen misschien wel, een neerwaartse beweging vanuit de hemel tot de aarde; de betekenis toont de omgekeerde beweging: tot de drek van de bodem omhoog kwam.

De bundel is verdeeld in zes afdelingen, waarbij elke afdeling wordt ingezet door een paginagrote afbeelding van verschillende  beeldend kunstenaars . Elk gedicht heeft voldoende wit, zodat het geheel over het algemeen rustig oogt, maar het viel me toch op dat een tabloid toch echt anders leest dan een boek. Ik krijg er moeilijk vat op. Bij een krant lees ik altijd eerst de rechterpagina, en dat deed ik hier ook. Verder bladerde ik steeds  heen en weer, soms dwalend over het papier.

De titel van de bundel is Angel. Dat ik er engel in lees, ligt na mijn opmerking over het Fries voor de hand, maar ik weet niet of dat de bedoeling is. Het is niet duidelijk of het een Fries woord is of een Nederlands. Angel. Moet ik denken aan giftige poëzie? Dat valt nogal mee. Tsead Bruinja schrijft zonder scheldpartijen, is geen angry man, ik denk eerder zachtaardig, als ik door de regels van zijn gedichten probeer heen te kijken – ik heb hem nooit ontmoet. Het openingsgedicht opent: septimber / de bijen binne noch net útiten (september / de bijen zijn nog niet uitgegeten). Maar een paar gedichten verder ontdek ik dat angel het Fries is voor hengel. En op de eerste afbeelding, van Hans Wap, staat een man met twee manshoge vissen. Angel, het kan veel kanten op.
In de eerste afdeling staan gedichten die op mij overkomen als schetsen. Er wordt een aanzet gegeven, maar de lezer mag het invullen. Bijvoorbeeld:

de nacht en wat ik
ervan verwacht

staan voor de deur

bij de haard
forceer ik kruispunten
trek ik een loodlijn
van toen naar nu

waar spreeuwen
op zitten

en zingen


De tweede afdeling, geopend door een tekening van Roos Custers waarop een skelet met een silhouet van Badman omringd door losse letters, heet het boek en de dood. Het gaat om één gedicht, verdeeld in vier delen. De ik-figuur krijgt bezoek van twee figuren: Schuld  en de Dood. Schuld kwam bij me om aan het boek te werken, begint het. Ik kan bij het lezen van dit gedicht de neiging om te psychologiseren niet onderdrukken: schuld blafte / schreef een blaadje vol / liep naar het boek / duwde het blaadje erbij in // dat hij mijn naam / onderaan de tekst / zette // was niet het ergste // dat ik wist / dat ik met dat boek / aan de gang / moest // het blaffen….

De laatste afdeling van Angel intrigeert me het meest. Het heet Apen. Ik kies daaruit een gedicht met venijn. Het roept een beeld op van vroeger, van Bartje, van een armoedige kindertijd, een leven in een huishouden waarin niet de moeite wordt genomen om de borden af te wassen voor de volgende gang, en de metaforen van een kind dat zijn boosheid uit in begrippen die hij kent: monopoly en verstoppertje.

er zijn twee bomen
waaraan ik je kan ophangen

boven de pootafdrukken van koeien
in de slootkant

boven de fiets in de berm

waterhoentje op een omgekeerde winkelwagen
die half uit het water steekt
daaronder

twee bomen
waaraan ik je kan ophangen

aan de ene hangt buutvrij
voor mijn ziel

aan de andere hangt

ga direct naar de gevangenis
ga niet langs start
u ontvangt geen f 200,-

opgedroogde snert in het half uitgelepelde bord
op tafel

vla eroverheen

niet mokken
tsead

Bron: Roodkoper, maart 2009

terug naar boven



Boekekast of krantebak?

Troch Harmen Wind

Hy sjocht derút as in krante, de nije bondel Angel fan Tsead Bruinja. (Tydlik as gratis download.) Alhiel nij is it idee net, mar wol nijsgjirrich. Wy kenne 'De poëziekrant', mar dy is al lang in gewoan tydskrift. En 'Bulkboek', bekend sûnt 1971, is yn haadsaak proaza, rjochte op de skoallen. Yn de jierren sechtich wienen yn Fryslân de saneamde 'weismytfersen' populêr: poëzy moast demokratisearre wurde, dus ûnder de minsken. Fuort mei de beheinde oplagen fan djoere elitêre ferseboekjes.

De gedichten waarden as 'praatpoëzy' ferspraat op folders, kaarten, kladden, ensfh. De populêre posters fan 'Plint' binne dêr in moderne - minder goedkeape - fariant op. Wat hat it foar doel en jou yn 2008 in folsleine bondel út yn 'e foarm fan in krante? Dat Tsead Bruinja him kandidaat stelt foar 'Dichter des Vaderlands' sil dêr net los fan stean. (Elk kin syn stim noch útbringe, de útslach wurdt op 28 jannewaris bekendmakke.) De krante mei dan hjoed as nijsmedium minder oanslaan, dit is in promoasjeútjefte dy't him net beheine wol ta in literêre elite, mar mikt op in breder publyk. Hoewol't de samling twatalich is, hat de titel gjin oersetting. It wurd 'angel' bestiet yn it Frysk sawol as yn it Nederlânsk, mar yn it Frysk is de earste assosjaasje 'fiskje' en yn it Hollânsk 'prippe', al hat it dy betsjutting ek yn it Frysk.

Dat skept ferwachtings. Op achtentweintich siden binne yn totaal fjirtich gedichten ôfprinte. Seis siden toane byldzjend wurk (fan û.o. Hans Wap, Roos Custers, Anne Feddema, Ramon Verberne). Angel befettet gearhingjende gedichten, yn ôfdielings opboud, oer in eksistinsjele kwestje: de ûnmooglikheid om los te kommen fan dyn ferline, of leaver, de needsaak om dat ferline yn dyn persoanlike ûntjouwing rjocht te dwaan. De dichter hat úteinlik neat mear te sizzen as er syn ôfkomst fersmyt. It giet dus eins om de spanning tusken frijheid en ôfhinklikens. Dêr spylje skuld en dea yn mei. Hy moat syn part skriuwe oan 'it âlde boek', wylst er in soad agresje yn him hat, dêr't er mei oan is: 'machteleazens / fan in net útfierde plot / waard eangst // foar myn hannen / om de ferkearde strôt.'

As der ien is dêr't er mei fjochtsje moat, is it mei de oar dy't er wêze woe. Is dit tagonklike poëzy? Wol yn taal, mar net yn wêzen. It is frijwat (djipte-)psychologysk en metafoarysk wat hjir oan 'e oarder komt. Tsead Bruinja is noch altyd fier fan hûs. Fan in werberte is gjin sprake. It iennichste gedicht mei in titel is tagelyk de útsetter: 'Gjin bertekaartsje' dat as rie jout: soargje goed foar jim bern/foar dyn frou ( ) lit har net allinnich / lit my net allinnich // skriuw in boek. It heart suver fredich. Mar de angel is net út it fleis. Dizze útjefte sil der net yn slagje om it publyk fan it fine tonkje te ferbreedzjen mei de massa fan de hastige hap. Tenei dochs mar wer kieze foar de boekekast. De krantebak is foar de resinsjes.

Bron: Leeuwarder Courant, 23-01-2009

terug naar boven



Nee, er is geen land om trots op te zijn

Door Arie van den Berg


Wordt Tsead Bruinja na Gerrit Komrij en Driek van Wissen de nieuwe Dichter des Vaderlands? Hij is een van de vijf genomineerden en volgens insiders maakt hij een goede kans, mede door de intensieve campagne die hij dezer dagen voert. Bruinja is behalve dichter ook bloemlezer en een fervent propagandist van de poëzie.

Sinds 2000 publiceerde hij vier Friestalige bundels en vanaf 2003 drie Nederlandstalige. Zijn nieuwe bundel is tweetalig uitgegeven. Niet in boekvorm, maar als krant op tabloidformaat, voor een bedrag dat geen portemonnee zal deren.

Angel is niet alleen afwijkend qua publicatievorm. Bruinja's Nederlandstalige poëzie werd per bundel grilliger, want caleidoscopisch, met tal van inhoudelijke dwarspaden en kruisingen. In Bang voor de bal (2007) was hij ook minder introvert dan in het vroegere werk, maar die introversie is ten dele teruggekeerd in Angel. Dat is opmerkelijk, want woede en schuld zijn de kernthema's van deze bundel. Ze worden echter niet meer caleidoscopisch gepresenteerd, maar, vooral in het begin van de bundel, haast onderkoeld of gelaten, in korte noterende versregels. Pas bij herlezing ontdek je dat Bruinja hier een literaire wet toepast, die door Rutger Kopland treffend is verwoord: 'Om een gedicht persoonlijk te maken, moet je het allemaal zo onpersoonlijk mogelijk neerzetten.' Dat doet Bruinja vooral in 'laat de onderhandelingen beginnen', de eerste afdeling van Angel.

de schade van de regen
viel mee

zo moet het niet
elke keer beginnen

zo moeten niet
alle dagen beginnen

de schade van de regen
van dagen

zo moet het

kom naar me toe
met je regen

De lapidaire stijl van deze regels vraagt om context. Bruinja biedt die, niet alleen in de vijftien andere gedichten van zijn eerste verzenreeks, maar in toenemende mate in de vijf volgende afdelingen van Angel. De titels van die afdelingen getuigen van een stijgende emotionaliteit: 'het boek en de dood', 'nee, er is geen land om trots op te zijn', 'een hiernamaals niet kunnen bedenken', 'aan wat probeer ik zo traag en laks te ontkomen?' en 'apen'. Naar het einde van de bundel toe groeien de gedichten ook in lengte. En dan wordt de dichter van Bang voor de bal weer zichtbaar. En ook die van Batterij (2004). Letterlijk zelfs, want verwijzend, in een gedicht op bladzijde 34: 'al kwaad voordat ik handen had/ maar niet kwaad op mijn moeder/ in haar buik// het wachten was op een goeie batterij/ een boksbal waar ik mijn handen/ op kon stukslaan// een discobal die door mijn oogleden heen/ mij kon herinneren aan wat ik/ de bal had ingeslagen// batterij de wereld// een dansvloer/ een filmhuis// een schoolplein/ en een kermis// de binnenkant/ van mijn handen projectiescherm/ waar ik in spuugde// en wreef/ tot het naar vuur rook// vuisten die ik niet aan het werk zette'

Elk woord in dit vers is een trefwoord in Bruinja's oeuvre. Dansvloer, filmhuis, schoolplein en kermis zijn herhaaldelijk de locaties van zijn gedichten. En ook qua opbouw is dit een sleutelvers. Net als in zijn vorige bundels is niet elk gedicht in Angel raak. Dat is inherent aan het experimentele karakter van de poëzie van Tsead Bruinja. Zijn verzen zijn geen verslag van een onderzoek, maar het onderzoek zelf. In die zin vormen ze van bundel naar bundel een constante eenheid.

Een experiment is ook de vormgeving van deze publicatie. De krant is speels, maar dienstbaar aan de tekst vormgegeven en bevat naast de gedichten ook zes paginagrote illustraties. Op 18 december jl. was Angel gratis te downloaden vanaf het poëzieweblog www.decontrabas.com. Daarmee maakten dichter en uitgever een uitnodigend gebaar naar een jonger poëziepubliek. Ook in dit opzicht heeft Bruinja de kwaliteiten voor het vaderlandse dichterschap.


Bron: NRC, 16-01-2009

terug naar boven


 

Angel van Tsead Bruinja

door Ezra de Haan (Schrijver, dichter en journalist)


Vaak is de krant slechts geschikt voor de vis van morgen. De bundel Angel van Tsead Bruinja bewijst dat het tegendeel ook mogelijk is. Verschenen in krantvorm zal zijn poëzie krachtig genoeg zijn om desondanks te overleven. In Angel bouwt Bruinja zijn tweetalige oeuvre uit op de vanzelfsprekende wijze die hem eigen is. Hoogstens is er nu meer sprake van woede dan in zijn vorige bundels…

Het spel met de taal begint al bij de titel. Je denkt bij Angel eerder aan een haak, de tong van een slang, een doorn, het stekende orgaan van een wesp of iets dat grieft zoals de angel der smart of het spitse ondereind van een mes, vijl of boor. Wie Fries of Duits spreekt, denkt meteen aan het woord hengel. Die wordt dan ook twee maal uitgeworpen op pagina 11 in een gedicht waarin veel van de bovengenoemde begrippen voorkomen. Niet alleen de hengel en de haak maar ook het grieven.

De bundel bestaat uit de delen: ‘Laat de onderhandelingen beginnen’,’ Het boek en de dood’, ‘Nee er is geen land om trots op te zijn’, ‘Een hiernamaals niet kunnen bedenken’, ‘Aan wat probeer ik zo traag en laks te ontkomen?’ en ‘Open’.

De woorden die Tsead Bruinja ons in Angel voorzet lijken karig. Naarmate je langer leest, kom je tot inzicht dat die gedachte een misvatting is. Die weinige woorden zijn goed doordacht en staan op hun plek. Een strofe lijkt op zich vaak al een gedicht. Meerdere strofen tezamen vormen een stevig bouwwerk dat op klank, beeld en gedachten is gebaseerd. De vorm wisselt. Een gedicht als ‘Vrede Kaak Laars Vrede’ bestaat uit niet meer dan twee keer dezelfde zelfstandige naamwoorden. ‘Martijn was een Hollandse schlemiel uit Zwaagwesteinde’ is een parlando gedicht, schrijnend in al zijn niets onziende eerlijkheid en door de opsommingen, alsof Bruinja het gebeurde en de ‘schuldigen’ met de vinger aanwijst.

En daarmee komen we bij de angel in deze bundel van Tsead Bruinja. Het gaat om schuld en het schuldig zijn, om de vraag of we onderdrukker of onderdaan zijn. In ‘Laat de onderhandelingen beginnen’ sijpelt het kwaad langzaam de nog poëtische wereld van Bruinja binnen. De rand van de wereld is scheermesscherp en bloed zit aan zijn vingers. In een volgend gedicht klinkt het woord moord. Bruinja twijfelt aan zijn eigen woorden in ‘Het had familie geweest kunnen zijn’. In ‘De wind gaat koud’ komt ook de oorlog en wat opa deed voorbij. Hij schrijft over het zwijgen als je spreken moet, maar er te bang voor bent en over de kiezen vijlen tot ze glad zijn. Met ieder gedicht lijkt Bruinja verder te willen gaan.

‘Het boek en de dood’ is een korte reeks gedichten waarin Schuld en de dood een belangrijke rol spelen. Schuld is een personage die weet dat de dood hem wacht. De dood heeft een band met Schuld. Beiden zetten ze Bruinja aan het werk om wellicht het boek Angel te schrijven.

‘Nee er is geen land om trots op te zijn’ is een statement. Meteen moet je aan de perfide politieke partij TON denken. Niet het eerste onderwerp waarover dichters schrijven. Maar Bruinja doet dit, schetst een wereld vol friendly fire en collateral damage, vraagt zich af wat hij zou doen, wat hij ooit deed en wie hij zou zijn… als het ooit oorlog wordt.

In ‘Aan wat probeer ik zo traag en laks te ontkomen?’ schroeft Tsead Bruinja zichzelf de duimschroeven nog wat vaster aan. Na twee gedichten waarin drank, drugs en vraatzucht te berde worden gebracht, gaat Bruinja te rade bij zichzelf in ‘Wat ontwijk ik?’ Waarom gaat hij het grote avontuur uit de weg en is hij tevreden met het wijntje op de bank voor de televisie? Tevreden met een vriendelijke kater, een aardig humeur en een pik die werkt. Het verstoppertje spelen met diepe gedachten die onaf op de zolder liggen. Het is de onprettige gedachtegang die ons allemaal met zekere regelmaat overkomt. We zijn zo tevreden en overtuigd van het behoud van dat wat we hebben dat slechts de dood van een naaste ons wakker kan schudden. Beter dan in ‘Je televisie is kapot’ kan dit niet beschreven worden.

Met ‘Open’ sluit Tsead Bruinja de bundel. Hij is terug bij af. Het is de wereld om hem heen. Die van mannen die aan een vrouw zitten zonder het te vragen. Bruinja’s vuisten die hij niet aan het werk zette. De bomen waaraan je iemand op kunt hangen. En het prijskaartje dat daaraan vastzit: Buutvrij voor zijn ziel of ga direct naar de gevangenis. Maar ook over het ouder worden. Het dunner worden van het haar, het slijten van darmen en longen. Het zijn de slagvelden in zijn hoofd. De angst voor zijn handen om de verkeerde strot.

Angel is een prachtbundel, bijzonder door de vormgeving en de diverse illustraties maar vooral door de gedichten die zowel in het Fries als het Nederlands te genieten zijn. Tijdens de presentatie in Perdu te Amsterdam las Tsead Bruinja ze voor. Het werd een duel tussen het ronkende, expressieve Fries en het nuchtere, kale Nederlands. Met kleine voorsprong won het Fries. Wie de bundel leest en hardop die Friese versie tot zich laat komen, merkt hoe woorden beeld worden. Het zijn gedichten die de stilte in zich dragen. Het wit tussen de regels klinkt door. Totdat de dichter het wel mooi vindt en oorverdovend toeslaat.


Bron: http://www.literatuurplein.nl/recensie.jsp?recensieId=86, januari 2009

terug naar boven



'Afwisselend, klankrijk en krachtig
'

Door Jelle van der Meulen

De vijfde Friese dichtbundel van Tsead Bruinja (1974), Angel, die eind 2008 verscheen, is op zijn minst apart. Dat begint al bij de vorm, want je kunt je zelfs afvragen of je dit wel een dichtbundel kan noemen. Van Dale zegt dat een dichtbundel een verzameling gedichten is die in een boekdeel zijn verzameld. En Bruinja's nieuwe 'bundel' verschijnt als een krant op tabloidformaat.

Die verschijning biedt wel nieuwe mogelijkheden. Meestal staan er twee gedichten op een pagina (geflankeerd door een Nederlandse vertaling). Als je déze gedichten uit zou knippen en zou vouwen, zou je er bijna een bundeltje op 'normaal' formaat van kunnen maken. Maar er zijn ook twee gedichten die in een forser lettergrootte zijn afgedrukt en zo de hele krantenpagina nodig hebben (met op de pagina ernaast de vertaling), naast gedichten die zo lang zijn dat ze in de normale lettergrootte al de hele bladzij beslaan. In een 'gewone' dichtbundel zou zo'n gedicht over verschillende bladzijden verdeeld worden, wat niet hoeft in dit formaat. Bovendien staan er afbeeldingen van diverse kunstenaars tussen de gedichten en de verschillende afdelingen in de bundel, die nu op een flink formaat afgedrukt kunnen worden.

Dankzij het krantenformaat is ook de prijs van deze dichtbundel opvallend te noemen, want het gebeurt niet vaak dat je een nieuwe bundel met een vrij normaal aantal (een veertigtal) gedichten kunt kopen voor € 4,50. Bovendien was de bundel op 18 december, de dag van de presentatie in het Amsterdamse Perdu, gratis te downloaden. Volgens de onvolprezen site van De Contrabas van 19 december is dat 1100 keer gebeurd!

Naast de Friese gedichten en hoofdstuktitels staan Nederlandse vertalingen en ook het colofon is tweetalig, bijvoorbeeld 'Foarmjouwing / Vormgeving' (natuurlijk Gerrit Jan Slagter) of 'Byld / Beeld'. In de informatie op zijn eigen site staat dat Bruinja de gedichten in het Fries schreef en daarom noemde ik hierboven deze bundel dan ook een Friese bundel van deze dichter die afwisselend in het Fries en het Nederlands publiceert. Over de Nederlandse vertalingen kan ik deze keer overigens wat moeilijk echt enthousiast zijn.*

Opvallend genoeg wordt de titel niet vertaald, wat blijkbaar aangeeft dat we hier te maken hebben met het woord 'angel' dat in het Fries hetzelfde betekent als in het Nederlands, namelijk het steekorgaan van wespen en bijen. Gezien de soms stekelige inhoud van de gedichten is die betekenis van de titel logisch, hoewel ik best even gedacht heb aan de betekenis 'hengel', gezien ook het gedicht in de bundel dat begint met de regels 'hy hat de angel / twa kear útsmiten / en ynhelle' ('hij heeft de hengel / twee keer uitgeworpen / en ingehaald', p. 11).

De bundel is afwisselend, klankrijk en krachtig; wat dat betreft herken je de dichter die graag voorleest, of liever: voordraagt. De gedichten variëren in lengte, van het lange gedicht over het pesten van een klasgenoot tot een kort gedicht waarvan de zes regels, of liever de strofen, alleen bestaan uit drie woorden die een keer herhaald worden. De bundel is ook mooi opgebouwd. De eerste afdeling begint met de programmatische titel 'lit de ûnderhandelings begjinne' ('laat de onderhandelingen beginnen'). De eerste gedichten lijken aanvankelijk alleen wat sfeerbeschrijvingen te zijn: 'septimber / de bijen binne noch net útiten' (begin van het eerste gedicht: 'september / de bijen zijn nog niet uitgegeten'), terwijl het tweede gedicht begint met: 'it ljocht fan de fjoertoer / strykt oer de hûzen / en de tsjerke' ('het licht van de vuurtoren / strijkt over de huizen / en de kerk'). Maar beide gedichten eindigen in een ontkenning: 'myn hân is in kûmke / gjin latte' ('mijn hand is een kommetje / geen lat') en 'ik ha gjin flibe mear' ('ik heb geen spuug meer'). Dat zet al een beetje de toon voor het derde gedicht dat eindigt met het bloed dat de dichter aan zijn vingers heeft. Er sluipt steeds meer woede in de gedichten van deze afdeling, die eindigt met de regels 'flymskerp / de wrâld / de râne' ('vlijmscherp / de wereld / de rand' p.13).

In de volgende afdelingen wordt die woede nog manifester. Niet voor niets zegt de uitgever dat Angel een bundel is 'over agressie, schuld en woede, woede als wraak, maar ook woede die in de genen zit'. Bruinja zelf schreef in zijn zijn Volkskrantblog: 'Angel gaat over mij, mijn woede en over het gezin waar ik uit kom. Het is een bundel waarin ik mezelf en de mensen om me heen niet ontzie (...)'. Toch, hoewel de woede overduidelijk aanwezig is, vind ik het gezien deze woorden nog wel meevallen. Jazeker, de familie wordt wel aangevallen, bijvoorbeeld in: 'it soe famylje west ha kind / in wurd dat as in grouwe reedrider / myn beferzen tong spjalte' ('het had familie geweest kunnen / een woord dat als een loodware schaatser / mijn bevroren tong spleet', p.6). Maar nergens raakt de dichter de nuance kwijt en zo agressief is die woede nu toch ook weer niet. In de afdeling 'it boek en de dea', ingeleid door een tekening van Roos Custers, gaat het bovendien over schuld in vier prachtige gedichten, waarin zowel 'skuld' ('schuld') als de 'dea' ('dood') heel mooi gepersonifieerd worden. In die gedichten komen 'schuld' en 'de dood' bij de dichter op bezoek, met een boek waarvan het linnen van de rug gescheurd is en dat met een elastiek bij elkaar gehouden wordt. Als ze weggaan weet de dichter dat hij met 'dat boek' aan de gang moet. Hij legt de schuld zeker niet bij iemand anders.

Zo valt die woede en agressie naar anderen dus vooral wel mee omdat de dichter zichzelf totaal niet ontziet: 'moaie skriuwer bin ik' ('mooie schrijver ben ik', p.23) zegt hij, als hij in de derde afdeling geen hiernamaals kan bedenken, of zich niet voor kan stellen hoe hij erbij loopt als hij tachtig is. Hij maakt zichzelf niet beter dan hij is, als hij beschrijft hoe hij vroeger een klasgenootje pestte in het gedicht dat eindigt met: 'wy fielden ús lekker // wy wienen gemeen' ('wij voelden ons lekker // wij waren gemeen', p.24). Hij weet niet of hij verrader of verzetsman zou zijn in een oorlogssituatie, onderdaan of onderdrukker (p.25). En in de volgende afdeling beziet hij zichzelf als dertiger die 's avonds het liefst op de bank zit met een glas wijn: 'wat ûntwyk ik? // it grutte? / it wichtige? / it aventoer?' ('wat ontwijk ik? // het grote? / het belangrijke? / het avontuur?', p.29).

Bovendien wordt de woede en de agressie ook nog eens ruimschoots gecompenseerd door ontroering. De afdeling 'nee der is gjin lân om grutsk op te wêzen' ('nee er is geen land om trots op te zijn') bestaat uit twee gedichten, waarvan de eerste begint met 'buorfamke / at dyn tún baarnt // lit ik dy dan stikke / of bring ik dy de lytse dea' ('buurmeisje / als je tuin in brandt staat // laat ik je dan stikken / of breng ik je de kleine dood'). Het tweede gedicht eindigt met de regels: 'buorfamke / at dyn tún / wer baarnt // nim ik in suske mei / in mem / en in beppe' ('buurmeisje / als je tuin /weer in brand staat // neem ik een zusje mee / een moeder / en een oma', p. 20). Maar het meest ontroert het slot van de bundel, ingeleid door een motto uit een songtekst van Marillion: 'Why did you hurt the very one / That you should have protected?'. Het is het enige gedicht in de bundel dat een titel heeft: 'Gjin bertekaartsje' ('Geen geboortekaartje'). Daarin kondigt de dichter aan dat hij het er niet bij laat zitten. Hij blijft de tanden van zijn zaag slijpen, maar geeft ondertussen wel raad om goed voor vrouw en kinderen te zorgen en eindigt met de oproep 'lit har net allinnich / lit my net allinnich // skriuw in boek' ('laat haar niet alleen / laat mij niet alleen // schrijf een boek'. Wat een prachtige krant met gedichten.

* De Nederlandse vertalingen bij de Friese gedichten heeft Tsead Bruinja ongetwijfeld zelf gemaakt, zoals dat bij hem meestal het geval is. Van het Fries naar het Nederlands vertalen gaat deze dichter meestal goed af, al frons ik een enkele keer wel eens mijn wenkbrauwen. Nu is het niet zo moeilijk om over vertalingen van poëzie te zeuren, want óf de vertaling is niet poëtisch genoeg, wat nog wel eens het gevolg kan zijn van te letterlijk vertalen, óf de vertaling is te vrij zodat lezers die de oorspronkelijke taal niet kennen 'om de tuin geleid worden'.

Dat laatste beweert bijvoorbeeld Cornelis van der Wal van vertalingen van Jabik Veenbaas in de Spiegel van de Friese poëzie in zijn weblog van 28 december 2008. Hij vindt dat de redactie daar wat kritischer naar had moeten kijken. Vervolgens plaatst Van der Wal wel op 8 januari op zijn weblog zonder commentaar een gedicht van Arthur Rimbaud met een (prachtige!) Nederlandse vertaling van Paul Claes, die omwille van metrum en rijm soms veel verder gaat dan wat Veenbaas doet. Maar goed, Van der Wal raakt in zijn kritiek wel aan mijn gevoel bij deze vertalingen van Bruinja's gedichten: misschien had Bruinja wat kritischer naar zijn eigen vertalingen moeten kijken of iemand anders dat moeten laten doen.

Zoals ik al zei weet Bruinja over het algemeen zijn eigen (en soms ook andermans) gedichten adequaat van het Fries naar het Nederlands om te zetten, maar hier gebeurt dat mij net even te vaak niet goed genoeg. Soms blijft hij mij te dicht bij het Friese origineel; 'ik jou net genôch om dy film / om derhinne' wordt letterlijk vertaald in wat onhandig Nederlands met: 'ik geef niet genoeg om die film / om erheen' (p.4). De mooie dubbelzinnigheid van het Friese 'wat sykje ik / yn de frede' valt weg door de letterlijke vertaling 'wat zoek ik / in de vrede' (p.23). Aan de andere kant ontstaat er door de vertaling in het Nederlands soms een dubbelzinnigheid ('terwijl ik het nest opnam', p. 30) die er in het Fries niet staat ('wylst ik it nêst opkrige').

Opvallend zijn ook enkele afwijkingen van het origineel op plaatsen waar dat niet nodig lijkt: 'in ko dy't yn 'e stront / stiet' wordt naar stijf Nederlands vertaald met 'een koe die in eigen stront / staat' (p. 6). Soms lijkt de vertaling onnodig uit te leggen; 'de winterklean / skansearre' wordt dan bijvoorbeeld: 'de wintervacht / beschadigd' (p.11). En waarom niet het ook in het Nederlands gebruikelijke 'aanslaan' van een hond gebruiken, maar vertalen 'bang voor de hond die blaft' als er in het Fries staat: 'bang foar de hûn dy't oanslacht' (p. 20)? Of waarom een niet in het Fries woordenboek voorkomende samenstelling 'skûlliif' te gemakkelijk vertalen met 'buik'? En misschien maakt het voor de betekenis van het gedicht verder niet uit dat 'de konsjerzje' 'een conciërge' (p. 24) wordt, of 'de kij' gewoon 'koeien' (p. 35), maar toch.

Gemakzuchtig lijkt het ook als in een prachtig gedicht op p. 25 zowel het Friese 'ferdiel ik mysels' als drie strofen verder 'ferpatsje ik mysels' vertaald wordt met 'deel ik mezelf op'. Ronduit lelijk vind ik 'de andere zijn neus zit vol / en zijn lever is stuk' voor 'de oare hat de noas fol / en de lever stikken' (p. 28). En is het slordigheid (typfout? zetfout?) om 'sinajazzmuzyk' te vertalen met 'chinamuziek' (p. 29)? Net zoals het hopelijk slordigheid is dat 'spitigernôch baarnt der gjin twivel / leit der gjin ark' afgezwakt wordt tot: 'jammer genoeg ligt er geen twijfel / ligt er geen gereedschap' (p. 35) en een strofe verder 'gjin fûsten / om wat foarfallen is / rjocht te breidzjen' in het Nederlands wordt:'geen gereedschap of vuisten / om wat er gebeurd is / recht te breien'.

Bron: Website Jelle van der Meulen, januari 2009

terug naar boven


 

Brug tussen Friesland en Holland

Door Edwin Fagel

Een dichter uit 1974 is dan misschien niet piepjong meer, maar het valt toch niet te verwachten dat die nu al een dikke verzamelbundel uitbrengt met een overzicht van zijn dichtwerk. Of nog krasser: een dikke bundel waarin slechts een keuze bij elkaar is gebracht, een overzicht van ongeveer de helft van het oeuvre.
 
We kunnen gerust stellen dat Tsead Bruinja (geboren in 1974) een zeer productieve dichter is. Hij bracht tussen 2000 en 2007 vier Friestalige bundels uit en drie Nederlandstalige – wat dus neerkomt op een bundel per jaar. Je vraagt je af hoe een uitgever de uitgave van het Verzameld werk van deze dichter gaat aanpakken, als dat bijvoorbeeld ter gelegenheid van diens 80ste verjaardag moet gaan verschijnen. Dit jaar verscheen bij uitgeverij Cossee De geboorte van het zwarte paard, en deze recensie is alweer bijna achterhaald omdat de vijfde Friestalige bundel alweer op komst is.
 
De Nederlandse poëzielezer is niet erg gewend aan het lezen van, en luisteren naar, gedichten in het Fries - ondanks alle inspanningen en initiatieven van Friese dichters ter promotie van hun taal en werk. Omdat Bruinja in beide talen schrijft, vervult hij al sinds enige tijd (zeg: sinds de publicatie van zijn Nederlandstalige debuut in 2003) de brugfunctie tussen Nederland en Friesland. De uitgave van deze tweetalige bloemlezing is hier een goed voorbeeld van. Bruinja vertaalde zijn gedichten, op enkele uitzonderingen na, eigenhandig.
 
Wie Bruinja wel eens in het Fries heeft horen voorlezen, weet dat hij behendig de hardheid van die taal met de zangerigheid ervan weet te combineren. Het is de taal van het platteland (op de bundel treffend geïllustreerd met een landschappelijke foto waar de uitgeverij het patent op lijkt te hebben). De taal waar met blote knuisten de knollen mee uit de grond worden getrokken. De taal waarmee hartgrondig op de grond wordt gespuwd. Maar ook de taal waarmee een pasgeboren baby in veel te grote armen wordt gewiegd. Tederheid in het Fries, althans in de gedichten van Tsead Bruinja, heeft nog altijd iets stoers, iets onbehouwens, iets onbeholpens. Maar wekt juist daardoor de indruk oprecht te zijn.

De eerste afdelingen van de bundel verhalen van een jeugd in Friesland, die wordt overheerst door het overlijden van de moeder. Bruinja schetst deze jeugd in enkele rake beelden en observaties. Met name de beschrijvingen van de ziekte van de moeder lijken aan de werkelijkheid ontleent en zijn daardoor grof-direct, wat ze aangrijpend maakt. Maar gek genoeg overtuigt Bruinja in het gedicht waarin hij zijn verbeelding over dit onderwerp de volle vrijheid geeft nog het meest. Het Fries is niet mijn taal dus ik citeer het gedicht in het Nederlands. Wat eigenlijk jammer is, want het knarsende, korrelige, zompige van het Fries gaat in de vertalingen goeddeels verloren. Enfin, het gedicht gaat als volgt:
 
DE PAARDEN
 
soms voelde ze zich niet goed op haar plaats dan zei ze
dat haar ziel niet in de metallic ford escort mee kon komen
en dat hij haar op een wit paard achterna kwam
van op visite in lutjebroek
 
nooit was zij verder gegaan dan in haar verbeelding
waar de danser haar een lapdance gaf op de rode
pluchen bekleding achter in een goedkope bar
waar ze haar ziel in tweeën spleet en later deelde
 
door drie om te overleven dankbaar voor slaap
en o zo dankbaar voor morfine zakte ze langzaam weg
haar vast houden was verleden tijd en in de magere slaap
 
die haar coma was kwamen voor het laatst alle zielen
te paard in haar thuis om voor het eerst voor haar uit
op een onmogelijke hemel af te gaan
 
(p. 23)  
 
Mooi aan deze bundel is dat zij de ontwikkeling van de dichter duidelijk laat zien. In de latere gedichten laat Bruinja namelijk het thema van ouders en grootouders los en met zijn thematiek worden ook zijn vormen veelzijdiger, en zijn gebruik van de taal. Bruinja etaleert in deze bundel eens te meer zijn vermogen romantische gedichten te schrijven zonder sentimenteel te worden, humoristische gedichten zonder melig te worden, melancholische gedichten zonder drakerig te worden. In deze bundel is het talent van Bruinja duidelijk zichtbaar en komt hij uit de hoek met mooie regels als:
 
de goede aarde die zich omdraait naar de zon
en de nacht die zich terugtrekt uit haar takken
 
(Uit: ‘Meisje onder de appelboom’, p. 135)
 
Ook is duidelijk te zien dat Bruinja in deze fase van zijn dichterschap vaak nog scherpte miste. Het gedicht ‘Zon op de bunker’ op p. 125 is hiervan een goed voorbeeld. Het gedicht beschrijft een situatie waarin een man in een bunker wordt uitgekleed (sterk beeld), waarna hem wordt opgedragen dat hij moet goochelen:
 
goochelen zonder handen
goochelen zonder iets te hebben geleerd
goochelen zonder trucjes
goochelen zonder kleren aan
goochelen zonder apparaten
 
Het effect van deze herhaling moet bij een voordracht fraai zijn, zeker met het Friese ‘gûchelje’. Op papier heeft de herhaling echter onvoldoende lading en is zij eerder langdradig. De keuze uit de Friese gedichten had dan ook wellicht wat strenger uit mogen vallen.
 
Sowieso heeft Bruinja’s veelzijdigheid de keerzijde dat zijn poëzie richting lijkt te ontberen: met wat voor dichter hebben we hier eigenlijk te maken? Anderzijds kan men stellen dat juist dit element van ongrijpbaarheid het eigene van deze dichter vormt. De geboorte van het zwarte paard geeft een goede indruk van de Friese dichter als een jonge man. Er zullen ongetwijfeld, nog vóór hij de respectabele leeftijd van 80 bereikt, vele indrukken volgen. 

Bron: http://www.derecensent.nl/pivot/entry.php?id=822

terug naar boven

 



Hedendaagse Friese lyriek

Door Fleur De Meyer

Dat er een stevige, negentiende-eeuwse wind door alle lagen van de West-Europese maatschappij blaast, zal de lezer niet echt verbazen. Symptomen zijn de steeds luider wordende roep naar vaste waarden en ijzersterke zekerheden, het onwrikbare geloof in de statistiek en het cijfermatige, de radicalisering en de ruk naar rechts. Dit als een reactie op een groeiende onzekerheid die als een octopus om zich heen grijpt. Kunst is al vanouds een instrument om de hartslag van de maatschappij te meten. Bijgevolg zijn poëten de welwillende hartslagmeter van het onderliggende, genadeloos pulserende ritme van de Realiteit.

In het Nederlandstalige dichtlandschap klopt het dichtershart met twee snelheden. Onze noorderburen vertalen de maatschappelijke impuls vrij direct en open. Kenmerken zijn het grotere performancegehalte, de sterke invloed van cabaretkunst en de nadruk op het klank- en taalspel. Deze dynamiek is in Vlaanderen minder zichtbaar (met enkele uitzonderingen zoals Paul Van Ostaijen). Vlaamse dichters grijpen eerder terug naar een meer existentiële, cathartische, bij tijd en wijle introspectieve, traditie om de Realiteit te kaderen.

De huidige maatschappelijke pulsatie wordt ook door de Friese dichter-performer Tsead Bruinja gehoord en vertaald in zijn nieuwste dichtbundel De geboorte van het zwarte paard. Na drie goed ontvangen dichtbundels, Dat het zo hoorde, Batterij en Bang voor de bal is het tijd voor een tweetalige editie van een selectie van zijn Friese gedichten.

Tsead Bruinja is een jonge, veelzijdige Friese dichter (° 1974) die regelmatig samen met muzikanten het podium beklimt. Zo maakte hij deel uit van het collectief Gewassen. In een bonte mix van Engels, Fries en Nederlands brengt deze performancegroep poëzie, rap, computeranimatie en muziek. Naast zijn dichtactiviteiten schrijft Tsead Bruinja verder ook recensies en werkt hij mee aan tal van projecten. In Vlaanderen is hij geen nobele onbekende. Zo was hij al te horen tijdens De Nachten, Zuiderzinnen en het Uitzaaiend kaf.

In De geboorte van het zwarte paard, in het Fries wordt dit De berte fan it swarte hynder, maakt Tsead Bruinja een selectie uit zijn Friese dichtoeuvre. Dit resulteert in een bundel die de lezer zowel de Friese originelen als de Nederlandse vertalingen serveert. In het Vlaamse lezersoor klinkt het Fries als een vaag bekende, zangerige taal die melancholische beelden oproept van vlakke, uitgestrekte landschappen, uitgeschuurd door een strakke noordwester.

Die vlakke, uitgestrekte landschappen zijn door Tsead Bruinja drukbevolkt met familieleden, meisjes, en af en toe een dichter. De eerste twee cycli van de zesdelige bundel zijn geheel gewijd aan liefdevolle portretten van Bruinja’s ouders en grootouders. Melig wordt Bruinja nooit. Hij trapt niet in de valstrik van verleidelijke, maar indigestie veroorzakende, zoetigheid. De dichter combineert lyrische beeldspraak met harde taal. De nostalgische jeugdherinneringen zijn getekend door de vroegtijdige dood van zijn moeder. Als de dichter in de laatste vier cycli van de bundel luchtiger en speelser wordt en onder meer de liefde bezingt, sluimert er op de achtergrond een onrustig en veeg gevoel.

Bruinja’s poëticale strategie is compact, rechttoe rechtaan, en wordt aangestuurd door een krachtig associatief vermogen. De gedichten zijn gekenmerkt door een sterke muzikale inslag die af en toe iets te nadrukkelijk aanwezig is. Dit alles zorgt ervoor dat de Friese dichter ontegensprekelijk een romanticus is die als reactie op een onzekere, wispelturige en gevaarlijke wereld de lier bezwerend bovenhaalt.

In de eerste cyclus heit en mem, of Vader en moeder, bezweert Bruinja de Unheimlichkeit door terug te grijpen naar zijn jeugd. Onbekommerd was die jeugd niet. De ziekte en uiteindelijke dood van zijn moeder werpen een donkere schaduw over de gedichten. Bruinja schuwt daarbij een direct en rauw taalgebruik niet.

            in het ziekenhuis rende ik de trap op
            sloeg ik treden over

            stoof in de gang vlak voor mijn moeder langs
            zag haar niet

            thuis had ze nooit een ochtendjas aan
            thuis hing zoiets in de kast

            kijk maar

            ze knoopt het bovenstuk
            van haar pyjama
            weer open

            en ik weet niet meer wat ik verwachtte
            waar haar borst was
            leek het dichtgeschroeid

            het zag er netjes uit

            moeder zei aan de eettafel tegen een vriendje

            ik ben hartstikke kaal

            hij geloofde het niet
            als stan laurel
            tilde ze haar pruik op

            kijk maar
            ze was daarvoor een keer van de trap gevallen
            en een poosje buiten westen geweest

            ze was een keer misselijk
            omdat de nieuwe hagelwitte televisie
            pijn aan haar ogen deed

            (Eén borst, De geboorte van het zwarte paard)

De laconieke toon verhaalt de aftakelende gezondheid van de moeder. Bruinja’s verzen en strofen zijn kort en ritmisch. Hij maakt gebruik van de herhaling om het gedicht een eenvoudige cadans mee te geven en het ritme te ondersteunen. Die stijlfiguur past de dichter frequent toe, af en toe zelfs iets te snel waardoor er een gevoel van gewenning optreedt.

In Bruidegom is de herhaling het meest productief. Het lange gedicht is geconstrueerd met regelmatige vierregelige strofen die afgewisseld worden met een refrein. Het refrein doet aan als een kinderlied en Bruinja voegt er volgens de regels van de kunst telkens een variatie aan toe. Interpunctie en hoofdletters ontbreken volledig, overigens in de hele bundel, waardoor de lyriek een vloeiende dynamiek kent.
           
            kom vader bind me de houtjes onder
            ik heb mijn krappe jongenslaarsje bijna aan
            kom bind me de houtjes onder
            het ijs is dun als je vermoeide gezicht
            uit waterige ogen staar je me aan
            kom nog een keer uit je dikke wollen graf
            en bind me de houtjes onder
            het water zal ons over zich heen zien vliegen

zzzzzzzzzo bracht moeder ons met de auto naar de vaart
            waar onze reis begon met haar alleen
            in onze gedachten over doorzichtig zwart
            over pas op struikeltakken en

            bevroren brasems vissticks grapte
            ik probeer het ijs te breken met
            kinderhumor met kinderhanden
            maar jij was bij je zieke vrouw thuis
            […]
           
            (Bruidegom, De geboorte van het zwarte paard)

De vaderfiguur is een oude, afwezige man die met moeite de ziekte van zijn vrouw torst. Het jonge kind vraagt smekend om de ‘houtjes’ en wijst de vader op zijn afwezigheid: ‘deze wereld is de echte/ tussen mij en haar was jij de brugman’.

De tweede cyclus Pake en beppe, Opa en oma, pakt uit met een reeks naturalistisch aandoende portretten van de grootouders. De hoofdrol wordt door de grootvader gespeeld. De oude man is niet alleen een pionier van duurzaam leven - hij recycleert zowat alles, tot zijn eigen doodskist toe - , hij koestert ook een belangstelling voor Duitse seksfilms en een grote liefde voor zijn koeien.

            opa combineerde nette pakken van gestorven vrienden
            zijn wijsheid had hij uit de krant en van oude heren bijvoorbeeld
            zijn vaders uitspraak alles verder dan leeuwarden is buiten de deur
            […]

            (Merz, De geboorte van het zwarte paard)

De grootvader is het meest opmerkelijke personage in de bundel. De lezer ‘ziet’ de inventieve oude man zo over zijn erf kuieren, scheldend tegen de oma zodat ‘ze in haar broek piste’. Ondanks de gortdroge humor en de treffende omschrijvingen is ook hier de dood niet ver te zoeken. De portretten zijn gekleurd door de dreiging van ziekte en dood die overal op de loer liggen.

In de volgende cycli bezingt Bruinja ondermeer de liefde. De gedichten zijn luchtiger en zangerig. Af en toe schakelt de Friese dichter over op een ritmische parlandostijl.

                        aan de waterkant plagen de groene golven van de zee
                        het lijk van een vogel dat op een slaafs braaf hondje lijkt
                        de witte aan elkaar geplakte veren de onderkant van de dichte snavel
                        als een hondenkin plat tegen de grond trieste waterogen kijken
                        […]

                    (Schier, De geboorte van het zwarte paard)

Ondanks de luchtigheid en sensuele ondertoon verwijst Bruinja’s lyrisch lexicon steeds opnieuw naar het verval en de nakende dood: handen zijn koud van het balsemen, de tijd heeft een grafschrift, liefde bederft, stenen dienen om de doden te treiteren.

De geboorte van het zwarte paard getuigt van Bruinja’s lyrische muzikaliteit en performance-ervaring. Toch is dit niet altijd bevorderlijk voor de kwaliteit van de gedichten. Bruinja neemt soms iets te snel een toevlucht tot het gebruik van de herhaling waardoor de gedichten het karakter van een lied krijgen. Een aantal gedichten uit de laatste vier cycli van de bundel bevatten beelden en gedachtesprongen die niet helemaal uit de startblokken komen. Het gebruik van een refrein of herhaling kan daar weinig aan verhelpen. Daarom had de selectie van de gedichten best wat strenger gemogen.

De combinatie van de muzikale, romantische lyriek en de onverbloemde, soms rauwe, taal zorgt er echter voor dat De geboorte van het zwarte paard aangenaam om lezen is. Bruinja is een adept van de huidige Nederlandse dichtkunst. Hij absorbeert de onzekere maatschappelijke tendens en de wispelturigheid van het leven, en kruidt dit met ritmiek, taalspel en af en toe een scheut droge humor.

Het nostalgisch teruggrijpen naar het familienest en de liefde in een poging om de groeiende onzekerheid te bezweren, getuigen van een neonegentiende-eeuwse dynamiek. Waarden zoals familie, liefde en traditie – dus ook de Friese dichtkunst – bieden een houvast in een wereld waar verval en dood overal op de loer liggen. Bruinja’s dichtstijl, de combinatie van zachte en harde taal, bekrachtigt de heropleving van een negentiende-eeuwse contradictie: het conflict tussen dynamiek en stabiliteit, beweging en stilstand.

Kortom, De geboorte van het zwarte paard is een bundel die de lezer laat proeven van de hedendaagse Friese lyriek. Tsead Bruinja heeft talent en het wordt dus afwachten wat hij de lezer in zijn volgende bundel zal serveren.

Bron: Poëziekrant, 2008

terug naar boven

 


Profiel Tsead Bruinja bij de KB

De Koninklijke Bibliotheek presenteerde in het kader van de verkiezing van de Dichter des Vaderlands, in samenwerking met NRC Handelsblad, Poetry International en de Poëzieclub een overzicht van dichters uit de 20ste en 21ste eeuw. Hieronder het profiel van Tsead Bruinja.

Introductie

Tsead Bruinja is een opvallende figuur in poëzieminnend Nederland, die niet stil blijft zitten. Zo publiceert hij met enige regelmaat dichtbundels in het Fries of Nederlands en heeft hij naam gemaakt als podiumdichter. Hij studeerde Engels en Fries aan de Rijksuniversiteit Groningen en was betrokken bij de organisatie van literaire evenementen als Dichters in de Prinsentuin en de Poëziemarathon (beide in Groningen). Hoewel hij waarschijnlijk het bekendst is door zijn voordrachten, heeft Bruinja in de ruim tien jaar dat hij actief is als dichter ook op andere fronten flink aan de weg getimmerd. Zo was hij als recensent verbonden aan Trouw, het tijdschrift Awater (waarvan hij ook redacteur is) en de sites boeken.vpro.nl en ietsmetboeken van de NPS. Daarnaast heeft hij verschillende bloemlezingen samengesteld, waaronder een bundel met moderne Friese poëzie, Droom in blauwe regenjas. Ook nam hij in 2008 zitting in de jury van de Jo Peters Poëzieprijs (waarvoor hij met zijn debuut Dat het zo hoorde ook genomineerd was) en de P.C. Hooftprijs.

In zijn gedichten behandelt hij klassieke thema’s als liefde en dood, maar schuwt hij ook het experiment niet. In zijn sterk associatieve poëzie zonder interpunctie en hoofdletters laat Bruinja de lezer zelf leestekens plaatsen en bepalen waar de ene zin ophoudt en de ander begint. Hij gunt de lezer een openhartige blik op zijn kindertijd, al dan niet mislukte liefdes en zijn stille wens om vader te worden. Ondertussen ziet Bruinja geen reden op te houden bij de landsgrenzen. Er verschenen vertalingen van zijn werk in onder meer het Afrikaans, het Arabisch en het Engels. Ook treedt hij regelmatig in het buitenland op, zoals in België, Duitsland en Engeland.

De Nederlandstalige bundels

I. Startschot: "iemand sprak wat woorden"

I n de bundel Startschot publiceerde Tsead Bruinja eigen werk en het werk van enkele andere dichters in eigen beheer. Bruinja’s poëzie is in deze bundel kort en bondig. De gedichten zijn veelal beknopte observaties:

iemand sprak
wat woorden

over handen
over elkaar
gebogen hoofden
(p. 5)

Of humoristische statements:


mijn verzoek

om nieuwe tralies
gaat nogal in de papieren
zitten

hier is je taart
hier is je vijl
(p. 6)

Het derde gedicht wordt gekenmerkt door een spel met taalconventies:


laat me roepen

als je het weet

ik wacht
tussen het gras
je hoeft de hemel
maar af te zoeken

spiegel in haar
als in water
speel met
wolkenschuim

verruil dorst
voor lucht
voor later
(p. 7)

De meeste van Bruinja’s gedichten in Startschot hebben, zoals ook zijn latere werk, geen interpunctie. Toch komt er af en toe wat interpunctie voor, met name in gedichten die een meer traditionele vorm hebben, zoals het sonnet:

Mijn omhooggevallen spoorwegbrug onder

constructie, naar boven bekleed met platen,
vormt van deze vrouw het geraamte, dat aan
de mond van de Nijl had kunnen staan lonken

De Parijzenaren zagen haar wording

aan met glazige ogen en lieten
luidruchtig protest achter, riepen in
oren van wie er op straat liep te morren

na nachten te veel wijn in herbergen

en rood geworden wangen, probeerden
jaloezie te vangen in even grote

woorden werden gedichten in hoofden

bleven flarden gedachten-droesem werd
het verlangen te reiken naar de hemel
(p. 9)

De zinnen in Bruinja’s gedichten lopen steevast in elkaar over. Middenin een strofe lijkt soms een andere zin te beginnen, waardoor het nodig is aandachtig te lezen. Dergelijke zinsconstructies komen ook voor in de andere dichtbundels van Tsead Bruinja.

II. Dat het zo hoorde: "ik zei ik zie de roos als een wrak in aanbouw"

Met zijn Nederlandstalig debuut werd Tsead Bruinja genomineerd voor de tweede Jo Peters Poëzieprijs. Bruinja’s poëzie valt op door de soms afwijkende vorm en de mogelijkheid tot verschillende interpretaties. De gedichten in Dat het zo hoorde doen soms denken aan de stijl van de Vijftigers. De taal lijkt te stromen en meerdere lezingen zijn mogelijk:

de dingen kleefden niet goed aan mijn
twijfelende handen zochten liever de vloer
(p. 34)

Het lijkt soms of de taal, door het ontbreken van leestekens, zijn eigen werkt doet. In gedichten die aandoen als stukjes proza lopen zinnen in elkaar over en volgen associaties elkaar schijnbaar willekeurig op:


inclusief onbegrip kwam ik gesneld naar moeder aarde later dan het

mysterie haar intrede had maar ruim op tijd om jaloers jachtig toe te kijken
hoe ik wou dat ik twee jezussen was aan wetenschaps laatste avondmaal de
wijn schonk en het brood brak ik stond versteld zo pijnloos werd ik
(p. 16)

Veel van de gedichten in
Dat het zo hoorde hebben de liefde als onderwerp. Het lyrische ik in Bruinja’s poëzie heeft vaak een moeizame relatie tot degene die hij liefheeft. Verlangens die niet vervuld worden en ongelukkige liefdes zijn onderwerpen die in een aantal gedichten terug komen. In het tweede gedicht van de bundel bespreekt een stel of ze niet opnieuw kunnen beginnen na een moeizame periode in hun relatie.

denk je dat we opnieuw kunnen beginnen

jij en ik na wat er is gezegd over ons

denk je dat de afstand die we hebben afgelegd
valt te vergeten

dat we alle slijtplekken van waar we
hebben gezeten al onze vormen
over het hoofd kunnen zien
(p. 4)


De man en de vrouw voelen beiden dat het juiste moment is aangebroken om de verstoorde verhoudingen te herstellen:


nu komt het erop aan zij houdt haar adem in haar adem ligt in longen besloten


En:


nu komt het erop aan hij wijst naar buiten om te zien wat ze van de tekens vindt


De gedichten die over de liefde gaan hebben een soms wat wrange ondertoon:

hij gaat naar de markt
koopt kersen en aardbeien
zo warm is het dat hij
ze verbergt voor de zon
voor zon en maden

op een vergeetplek
vangt het gisten aan
hij eet ze en rent de stad
door haar beeltenis
schittert
als kaapgedrag
in bekende gezichten
(p. 6)

In het gedicht ‘Appels kopen’ komt het verlangen van de dichter naar een (onbereikbare) vrouw naar voren. Vanwege de meerduidigheid van Bruinja’s poëzie, moet de lezer echter zijn eigen conclusies trekken over de relatie van de ik-persoon tot de vrouw:

als zij komt gaat alles dansen
mag een gospelgilletje over komen varen
uit het zuiden van tabak ver amerika

mijn slotheupen willen wiegen
zich in haar leegte wagen
tot dageraad me komt breken
en zij weer naast me slaapt

De laatste regel kan op meerdere manieren opgevat worden. Het is de vraag of de ik-persoon een relatie heeft of heeft gehad met de vrouw over wie hij spreekt. Aan de ene kant kan het gedicht gelezen worden als een lofzang op de geliefde van de ik-persoon. Aan de andere kant kan het ook gelezen worden als een verlangen naar wat ooit is geweest.

Ook herinneringen aan de kindertijd spelen een rol in de gedichten. In het gedicht ‘Brief’ beschrijft Bruinja het huis waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij spreekt echter niet in de ik-vorm, maar richt zich tot een ‘jij’, waardoor de lezer haast het gevoel krijgt deel te hebben aan de herinnering.

in de verbouwde boerderij aan de smalle kronkelende landweg
huist een deel van je dromen
spoken achter de lichtelijk vergeelde vitrage van de ramen
van toen je vader nog rookte en in de stenen
kraakt het langzaam van herinnering aan warmere dagen
van vloeibaarheid en zonnewind
(p. 19)

Bruinja verwijst in enkele gedichten ook naar werk van andere dichters. Zo draagt hij een gedicht op aan Tonnus Oosterhoff, waarin hij verwijst naar diens gedicht ‘In de kwal roept de zee’:

een kwal licht op in de zee
roep niet
(p. 8)

Hij speelt hier in feite met de postmoderne intertekstualiteit (het in eigen werk verwijzen naar andere teksten) die veel van Oosterhoffs gedichten kenmerkt. Het gedicht is niet alleen geschreven voor Oosterhoff, maar doet ook qua toon sterk denken aan zijn werk:

de bureaustoel roept ook
armleunig trekt ze
een bedelkleed aan

binnenzon is ook goed
het kussen zacht genoeg
voor dijend zitvlees

veert het
ja alles veert

dag
dag

Bruinja lijkt in de laatste regels een spel te spelen met Oosterhoffs parlando-achtige manier van schrijven. De laatste vier regels lijken op de korte conversaties die vaak in de poëzie van Oosterhoff voorkomen.

In een ander gedicht spreekt hij een collega-dichter, genaamd Wouter (mogelijk Wouter Godijn) aan:

wouter doorgaans lieten de dingen
me met rust maar sinds ik jou lees

beginnen ze te kletsen en te praten
erger ik me eraan dan beginnen ze
te blaten en dat is niet het raarste
wouter maar dat toontje dat spreekt
me tegen als een vrouw van wie
het moeilijk houden is heb je daar
ook zo’n zwak voor dat heb je dus gegeven
(p. 22)

In Bruinja’s poëzie speelt muziek een grote rol. Niet alleen maakt hij tijdens zijn optredens gebruik van muziek, ook in zijn dichtbundels hebben ritme en muzikaliteit een duidelijke plaats. Het tweede gedicht in Dat het zo hoorde eindigt als een liedje, waardoor het woord ‘stemmoment’ een bijzondere betekenis krijgt:

nu komt het erop aan dit maakt het stemmoment overbodig

waar is dan de gorgelman met kloten in zijn keel
in het kasteel in het kasteel

waar is dan de klier met de hanentred
in de bak in de bak

waar is de sjoelkampioen met het onechte kind
in de zaal in de zaal
(p. 4)

III. Batterij: "mijn haat zal u vlijen"

De bundel Batterij bestaat uit vier delen, waarin veel verschillende onderwerpen aan bod komen. Zo komen in het eerste deel, ‘…kind dat buiten nacht komt zeggen’, gedichten voor die lijken op jeugdherinneringen, maar ook gedichten die observaties over mensen bevatten. In het gedicht ‘vier en een half volt legotreintje’ is sprake van een jeugdherinnering:

vier en half volt legotreintje
verdwijnt in de groene tunnel
van papier-maché

twee jongensbenen in de lange
blauwe broekspijpen
van een jeans

de moeder als man in uniform
de vader als vrouw thuis
wie speelt voor god
wie kiest het scharnier
(p. 6)

Het is hier alsof de dichter zichzelf als jongen observeert. Tegelijkertijd wordt ook duidelijk wat de verhoudingen zijn binnen het gezin waarin de jongen opgroeit. De traditionele verhoudingen tussen man en vrouw zijn bij de vader en moeder omgedraaid. Tussen hen speelt zich een strijd af die nog niet beslist is. De jongen is hier getuige van. Als hij de stekker uit de houder trekt en hem tegen zijn tong houdt, krijgt hij een schok:

vier en een half volt tong
trekt zich terug

in de mond van een tunnel
de tong als mond

praliné
(p. 6)

Het woord ‘praliné’ is voor meerdere interpretaties vatbaar. Zo kan het wijzen op de tong, die opgerold in de mond ligt in de vorm van een praline. Het kan ook betekenen dat de stroomschok voor de jongen niet alleen een pijnlijke ervaring is, maar ergens ook prettig of misschien zelfs troostend.

Veel van de gedichten in Batterij eindigen met een woord of korte statements, zoals in het gedicht ‘sarah & veronica (kollum drachten en afrika)’. De afsluitende woorden ‘een icoon’ geven de betekenis van het gedicht bondig weer. Bruinja laat zien hoe zelfs van de dorpsgek nog een icoon gemaakt kan worden:

de jongen van twaalf achter het klasraam weet hoe sarah krijst

sarah is veertig en kaal
sarah heeft een mes in de tas
krijst
sarah van de drie bulten bij het park
sarah heeft een mes in de tas
jakkert een brief op de post
brief uit de tas
krijst

in de studio wordt daar een beat onder gezet met veel galm op de snare
door een drummer die zich grasmaaiend naar het einde snuift
de lamp stijgt nu boven beiden en schijnt op het dorre gras
(p. 7)

Evenals in Dat het zo hoorde ontbreekt in Batterij elke vorm van interpunctie en is Bruinja wars van het gebruik van hoofdletters. Ook zijn regels op soms ongebruikelijke plaatsen op de pagina geplaatst en zijn de gedichten vet gedrukt in een schreefloze letter. Hiermee doet Bruinja sterk denken aan Lucebert, die steevast koos voor dergelijke typografie in zijn bundels.

In Batterij is de combinatie tussen liefde en agressie een van de thema’s. In het gedicht ‘verborgen arbeidend’ lijkt de lezer op het eerste gezicht getuige te zijn van het schrijfproces van de dichter, die een liefdesgedicht wil schrijven. Hij lijkt niet goed uit zijn woorden te komen en begint steeds opnieuw:

ik breng je naar het park
waar in de lente reigers
de lelijkste geluiden

waar takken na de winter
hun verborgen arbeid
naar buiten

waar ik een lome zon
en speelse honden
zocht
(p. 19)

Later in het gedicht wordt het steeds minder duidelijk wat precies de motieven van de ik-persoon zijn om zijn geliefde mee te nemen naar het park:

en de dunne nacht
het zou haar gaan spijten
ons fles en glazen bracht

Geleidelijk aan wordt aan de hand van de titel van het gedicht duidelijk dat de ik-persoon bij het bezoek aan het park aan iets heel anders moet denken dan aan een romantisch uitje:

ik breng je
maak je geen zorgen

in de lente maken reigers
de lelijkste geluiden

breng je nacht

Door de slotregels rijst het vermoeden dat de ik-persoon een moord op zijn geweten heeft. De lelijke geluiden van de reigers dienen mogelijk om de hulpkreten van de vermoorde vrouw te maskeren. En ook de strofe over takken die na de winter verborgen arbeid blootleggen krijgt een andere betekenis: doordat de natuur zijn werk doet, wordt een verborgen lijk uiteindelijk zichtbaar.

Ook in andere gedichten valt de agressieve toon op:

de kloof zal u vlijen
mijn haat zal u vlijen
           de uwe
mijn                hoon jouw naakt
(p. 18)

Of:

een bijl klepelt zich door het vlees
door de vreselijke armleuningen
terwijl ik ijver aan een gezicht
                                               sloop
                                               dit gezicht
(p. 13)

En:

wordt hem de tong een mes past hij
niet in de krappe huid van je held
zoek dan een nieuwe dode en een lekkere stoel
plek om verse vuisten te kweken

Evenals in Dat het zo hoorde staat Batterij vol met (klank)herhalingen en vaak geestige associaties en wendingen:

ik sprak een troela
ik sprak een zoeloe toe kan
ik me een beetje aftrekken hier
gewoon een beetje rustig aftrekken

Weer andere gedichten bestaan uit treffende karaktertekeningen van heel dagelijkse mensen, zoals in het gedicht ‘portier’:

rook uit de jaren zeventig slaapt in zijn snor als woede op
kinderen in een rijdende ford escort waar vader het woord
zijn onbewezen gelijk logeert

even kijken wie de lekkerste borsten heeft tijdens het college
even snoepen van de truitjes in de pauze

mijn mond is een klooster vol oeh’s en ah’s
maar ik laat mijn broek niet zakken
ik laat mijn kaak niet zakken
voor de docent
(p. 31)

IV. Bang voor de bal: "specialist op het gebied van kozijnen"

In de bundel Bang voor de bal speelt muziek, evenals in Tsead Bruinja’s andere bundels, een belangrijke rol. Vijf van de zes afdelingen van de bundel beginnen met citaten uit teksten van musici die invloed hebben gehad op Bruinja. Zo citeert hij onder meer Marillion, Paul Simon en Dire Straits. In sommige gedichten luistert de dichter ook naar muziek:

een koor zingt
en het erbarmen maakt de lucht om ons heen
zo dik als stroop

dan stopt de plaat
alle ingewanden
vallen uit het lied

waar wij naar kijken
alsof onze eerste kribbe
een gitaarkoffer was
(p. 27)

Of:

ergens zingt iemand

kom niet samen
kom niet samen

drijf een wig

Er wordt niet alleen verwezen naar teksten van musici. Ook is er plaats voor readymades, zoals een advertentie uit de metro, waarmee de afdeling ‘hartbewaking’ opent. Daarnaast beginnen veel gedichten met citaten van andere dichters of schrijvers. Hij speelt een spel met de citaten in zijn gedichten. Zo steekt hij in het gedicht ‘dienst’ in het geheel niet onder stoelen of banken dat hij de schrijver Enzensberger citeert:

ik laat mij graag de wet voorschrijven door een ander
zo draagt enzensberger me op lees geen gedichten mijn zoon
lees de dienstregelingen die zijn secuurder

Soms sijpelen in de gedichten tekstfragmenten door die niets met poëzie van doen hebben. Zo verwerkt hij meldingen op internetpagina’s in zijn eigen dichtregels:

geplaatst door grom…snavel
10:34 :: er zijn twee reacties :: meezingen

de ijsvogel graaft in een rechte wand
zijn nest

van drie meter diep
met zijn snavel

geplaatst door nest…bevuiler
22:53 :: er zijn vier reacties :: meezingen

ik sta naast mijn opa
in het nieuwe graf

de wanden zijn kaarsrecht

hij veegt met een rode zakdoek
het zweet van zijn schedel

hij moedigt me aan
(p. 22)

En:

olie winnen uit teerzanden
stond er in de krant
vanmiddag
(p. 28) 

In de afdeling ‘vader storen’ spelen Bruinja’s jeugdherinneringen weer een rol. De lezer krijgt de indruk dat de vader een moeizame relatie onderhoudt met zijn gezin:

vader storen
die kleine machines
maakt

daarmee met
de wereld praat

wat kropt
hij op
(p. 20)

Of:

het is niet meer aan jou vader

mijn buik is hongerdoof
voor de lessen die je opbraakt

ik dacht we hameren beiden
op hetzelfde stuk marmer

maar dan met een muur ertussen
(p. 23)

In andere gedichten is Bruinja geïnspireerd door de wereldgeschiedenis. Zo wijdt hij twee gedichten aan Henry Kissinger, waarin een kritische toon te beluisteren valt:

vier henry’s liggen strak in het pak met hun buik
op een stoel door de lucht te zwemmen

de eerste kissinger brabbelt

een schutting bekladden of een eiland opblazen
ik neem liever een fout besluit
dan dat ik op de wijsheid wacht
(p. 36)

Bruinja levert ook commentaar op gebeurtenissen die actueel waren toen hij zijn bundel schreef:

dion graus van beesten met dion
weliswaar op zijn eigen wijze prominent
bleek geen honden- maar een feestprogramma
bij de limburgse omroep te verzorgen
(p. 46)

En hij geeft een eigen visie op de menselijke evolutie:

ik ga achter die beer staan en jij ervoor. als hij zich naar me omdraait,
sla jij hem met de knuppel.

er zijn dingen die niet alleen kunt doen en die het leven een stuk
gemakkelijker maken.

de mens verloor, op een enkeling na, het haar op zijn lichaam
en kreeg het koud.

de huiden. men kon praten en sprak over elkaars huiden als men niet
over elkaars knuppel sprak.

naaikransjes ontstonden.
(p. 32)

In Bang voor de bal staan veel gedichten waarin Bruinja gebeurtenissen of uitspraken van mensen uit zijn dagelijks leven heeft verwerkt en die als een soort readymades functioneren:

een buurman informeert
heb jij die haspel nog nodig
(p. 42)

Of:

we liggen achter zeurt oprah
niet alleen op de rijken maar ook op
arme landen als polen en turkije
(p. 43)

En:

ik zit aan tafel met mijn onderbuurman die na vijf jaar
heeft besloten over de watervlekken heen te verven
(p. 12)

Ook levert hij commentaar op zijn eigen gedichten:

vroeger schreef ik gedichten over mijn vader en moeder
over opa’s en oma’s met een rustiek en pijnlijk verleden

nu luister ik naar mijn buurman
(p. 12)

In Bang voor de bal experimenteert Bruinja niet alleen met readymades en fragmenten uit het dagelijks leven. Ook de vorm van een gedicht is soms een belangrijk, betekenisgevend element. Zo staat het gedicht ‘bang voor de bal door het winkelraam’ in een tabel, die staat voor de etalage van een winkel.

De Kritiek

Tsead Bruinja’s Nederlandstalig debuut, Dat het zo hoorde, werd overwegend goed ontvangen door recensenten. Ilja Leonard Pfeijffer sprak van een ‘goed debuut’ in NRC Handelsblad. Hij gaf aan nog heel wat van Bruinja te verwachten na het lezen van de bundel. En ook Piet Gerbrandy oordeelde positief over de bundel (in De Volkskrant van 5 september 2003). Hij omschreef Bruinja als een dichter die ‘de lezer meesleept en inpakt’. Volgens Gerbrandy was Bruinja’s werk van een ander kaliber dan poëzie die op papier indruk maakt, maar op het podium niet overeind blijft of poëzie die het in een zaal goed doet, maar in gedrukte vorm niet weet te overtuigen. De poëzie van Bruinja ‘stroomt, soms breed, soms smal’ en ‘kiest vaak een onverwachte bedding of mondt uit in een delta die de lezer verschillende mogelijkheden biedt het stroomgebied te verlaten’, zo oordeelde Gerbrandy. Maria Barnas was het in De Groene Amsterdammer van dertien maart 2004 in grote lijnen eens met Gerbrandy. Ze besprak dezelfde gedichten als Gerbrandy in zijn recensie en zei daarover dat er muzikaliteit in ‘zindert’. Ze vergeleek de gedichten in Dat het zo hoorde met een orkest dat aan het stemmen is: ‘muzikaliteit zindert in alle gedichten van Bruinja, en is meeslepend wanneer de dichter met stemmomenten en bezwerende herhalingen meeslepende situaties creëert waarbij de heldere stem de boventoon voert’.

Hoewel Bruinja in de landelijke pers meestal kon rekenen op positieve recensies, was niet iedereen even enthousiast. Adriaan Jaeggi, bijvoorbeeld, besprak in Het Parool van twee januari 2004 een aantal bundels uit 2003 die hij het nog waard achtte om te bespreken. Dat het zo hoorde rekende hij ook tot zijn selectie bijna vergeten bundels. Hij oordeelde dat Bruinja ‘geen geweldige bundel’ had geschreven, maar dat hij het wel leuk vond om de dichter, die ‘welgemoed op weg’ was, te volgen.

In zijn ‘debuut’ was Bruinja volgens Gerbrandy een ‘romanticus in de traditie van Heine, Haverschmidt en Slauerhoff’. Kester Freriks zag in Dat het zo hoorde ook een link met de romantische traditie, zo stelde hij in een interview dat hij met Bruinja in de NRC hield. De opvolger Batterij was volgens Freriks ‘harder en vooral explosiever van toon’. Ook Arie van den Berg herkende de hardere toon van Batterij in NRC. Hij oordeelde dat Bruinja’s bundel, naast zwakkere momenten, sterke gedichten over de liefde bevatten. Volgens Van den Berg is Bruinja ‘op zijn best’ als hij zich ‘zachtmoedig tot kwetsbaar’ toont. Volgens hem komt die kwetsbaarheid, evenals in Dat het zo hoorde, het sterkst naar voren in gedichten die gaan over het verlangen naar of de onvervuldheid van liefde.

Ook Thomas Vaessens wijdde een recensie aan Batterij in het Financieel Dagblad. In de recensie zei hij veel respect te hebben voor Bruinja’s ‘elan’. Maar tegelijkertijd vond hij Batterij ook te snel gemaakt. De sterke regels worden volgens Vaessens te vaak afgewisseld met veel zwakkere regels, die het niveau van de gedichten vaak doen inzakken. Volgens Vaessens was het in Dat het zo hoorde nog te ‘vergoelijken’ dat Bruinja’s poëzie zwakkere momenten kende, maar was het jammer dat ook Batterij ‘aan dit euvel lijdt’. Ook ten aanzien van Batterij waren de reacties in de pers dus overwegend positief, maar plaatsten enkele recensenten wel kanttekeningen bij zijn werk, dat ze niet altijd als even sterk beoordeelden.

De ontvangst van Bruinja’s derde bundel Bang voor de bal was opnieuw positief te noemen. Ook dit keer weer besprak Piet Gerbrandy de bundel in De Volkskrant, met dezelfde positieve toon die hij aansloeg ten aanzien van Bruinja’s andere Nederlandstalige bundels. Hij omschreef Bruinja als een dichter die ‘ontspannen’ en ‘ontvankelijke poëzie’ wil schrijven. Maar Gerbrandy zag in hem ook een dichter die midden in de wereld staat en deze ‘niet alleen geamuseerd, maar ook met zorg beschouwt’. Een ook Arie van den Berg oordeelde weer positief in de NRC, waarin hij stelde dat Bruinja ‘lyrisch en genegen’ kan zijn, maar tegelijkertijd ook een vlijmscherpe pen kan hanteren. Volgens Van den Berg zijn in Bang voor de bal ‘alle toonaarden’ vertegenwoordigd. In bittere, soms humoristische gedichten houdt Bruinja volgens hem altijd ‘een rake lijn naar wat werkelijkheid heet’.

Bron: http://www.kb.nl/dichters/bruinja/bruinja-01.html

terug naar boven

 



Verschilt niet wezenlijk van hun Nederlandstalige oeuvre

door Rob Schouten

... Maar weer andere jonge Friese dichters die in twee talen dichten, bijvoorbeeld Albertina Soepboer en Tsead Bruinja, geven een ander beeld. Hun Friese werk verschilt voor het gevoel niet wezenlijk van hun Nederlandstalige oeuvre, het heeft geen typisch Friese thematiek of couleur locale, het is alleen de taal die het onderscheid maakt.

Bron: Vrij Nederland, 30-09-2008 (Stuk o.a. over de bloemlezing Het goud op de weg)

terug naar boven

 



Uit: Kinderdichters worden zondagsdichters; Waarom het zo lastig is om goede poëzie voor kinderen te schrijven

Door Karel Berkhout

...Tsead Bruinja pakt het simpel en effectief aan door steeds met 'hé' de aandacht te vestigen op gewone dingen: 'hé blad aan de bomen hé/ hé zon in de lucht hé.' Helaas verpest hij zijn gedicht met: 'hé het conflict dat ik vermijd hé'. Dat is politieagentenproza.

Bron: NRC, 26-09-2008

terug naar boven

 



Terug bij waar het begon

De Friese gedichten van Tsead Bruinja

Door Victor Schiferli

Poëzie schrijf je in de taal waarin je bent opgegroeid – al zijn er uitzonderingen, zoals Joseph Brodsky die overschakelde van het Russisch op het Engels of de Amerikaan Lloyd Haft die in het Nederlands gedichten schrijft. De dichter zoekt in een nieuwe taal zijn weg en laat zijn oude taal – een gereedschapskist vol vocabulaire, uitdrukkingen en citaten – achter zich. Voor Tsead Bruinja is dat anders: hij is (net als bijvoorbeeld Albertina Soepboer) een dichter in twee talen tegelijk schrijft, het Fries (dat bij hem thuis werd gesproken) en het Nederlands (dat hij leerde van de radio, tv en op school, zoals hij vertelde in een interview). Van de zeven dichtbundels die hij sinds 2000 publiceerde, schreef hij er drie in het Nederlands en vier in het Fries.
    
En nu is er De geboorte van het zwarte paard, een ruime, tweetalig uitgegeven en door hemzelf vertaalde selectie van zijn Friese gedichten, waarmee de Nederlandse lezer nu voor het eerst kennis kan maken met een groot deel van Bruinja’s oeuvre.

Zijn laatste bundel Bang voor de bal (2006) bevat een gedicht met de droge titel ‘Specialist op het gebied van kozijnen’, waarin de regel: ‘Vroeger schreef ik gedichten over mijn vader en moeder / over opa’s en oma’s met een rustiek en pijnlijk verleden.’ Dat klinkt bijna verontschuldigend, en het is misschien ook zo dat je met een dergelijke thematiek niet op de barricades van de poëzie staat. 

In plaats van te dichten over familieaangelegenheden luistert Bruinja (of althans de ‘ik’ uit het gedicht) voortaan naar zijn voortratelende buurman, die het heeft over mensen die ouder worden, kilo’s eraf proberen te lopen en kinderen uitzwaaien. Het gedicht eindigt met de vrouw van de dichter die met een kind op schoot zit en bij hem kennelijk een vaderwens teweeg brengt (‘ik raak niet uitgekeken hoe goed het haar staat’). Hoewel er het dichterlijke voornemen bestond niet te schrijven over wat dicht bij huis lag, zijn we weer terug bij waar het begon: de familie. Maar hoe erg is dat?

Van sommige critici mag je niet schrijven over grote onderwerpen uit je persoonlijk leven, zoals de dood van je eigen kind. Het zou larmoyante poëzie opleveren over gevoelens die je het beste binnenshuis zou moeten verwerken. De vraag is of een bepaalde thematiek – hoe zwaarbeladen ook – per definitie beroerde gedichten oplevert. Tsead Bruinja schrijft over het tegenovergestelde waar onder anderen Anna Enquist, Esther Jansma en Hester Knibbe over hebben gedicht, namelijk de dood van zijn eigen moeder toen hij nog jong was.

Een moeilijker te beschrijven onderwerp is nauwelijks voorstelbaar, toch levert het aangrijpende poëzie op als het gaat over een moeder die de schroeiplek van haar verdwenen borst aan haar zoon toont, of een vriendje voor de grap aan het schrikken maakt door haar pruik op te tillen. Het komt vooral door de beelden die Bruinja gebruikt, zoals: ‘ze was een keer misselijk / omdat de nieuwe hagelwitte televisie / pijn aan haar ogen deed.’ Het effect van een woord als ‘hagelwit’ komt extra hard aan en maakt de grootte en de onbevattelijkheid van het verlies invoelbaar.

Bruinja laveert knap tussen vervreemding en zelfspot, en heeft een scherp oor voor het ongerijmde. Als hij over zijn opa schrijft, krijg je geen rustieke of nostalgische taferelen maar de opmerking dat die ‘naar seksfilms op duitsland keek / die ik zocht.’ Vroeger was het dan niet best, tegenwoordig is het niet veel beter. Deze bundel bevat ruwe beelden van het leven op het platteland: het kopen van koeien, stinkende matrassen, pasgemaaide grasvelden, een werkeloze postbode, een peuk in een natte berm. De ik-figuur ziet de schoonheid ervan en relativeert door zichzelf als toeschouwend personage op te voeren. Prachtig is het slot van een gedicht over wolkenvelden in de avondschemer, regels waarin een koude wind waait:

wie blaast er over je heen schier wie geeft je kippenvel
wat zet de haren op je huid nog recht overeind
na zoveel levendige elegieën na zo’n overdosis fries requiem


Bron: Parool, 24-09-2008

terug naar boven



'Een zachtmoedig zanger, die af en toe onverwacht hard en ruig uit de hoek kan komen'


door Willem Thies

Tsead Bruinja (1974) schreef vier Friestalige dichtbundels, waarvan de eerste in 2000 en de laatste in 2005 door Bornmeer is uitgegeven. In 2003 kwam zijn Nederlandstalig debuut, Dat het zo hoorde, uit, gevolgd door Batterij (2005) en Bang voor de bal (2007). Onlangs verscheen bij uitgeverij Cossee een brede, tweetalige selectie uit Bruinja’s Friese gedichten: De geboorte van het zwarte paard.

De berte fan it swarte hynder – zo luidt de Friese titel van de bloemlezing. Bruinja heeft de gedichten zelf vertaald, en in veel gevallen bewerkt. Voor een niet-ingevoerde als ik dat ben, klinkt de Friese taal vreemd maar verwant; en enerzijds zangerig, anderzijds ruig. Als ik een Fries gedicht hoor of hardop lees, kan ik het voor een deel volgen, maar veel ontgaat mij – in die zin is Fries voor mij vergelijkbaar met die andere verwante taal, het Afrikaans, dat diezelfde eigenschappen bundelt: lyrisch en ruw, ‘boers’. En dit zijn precies de stijlkenmerken die ik aan Bruinja toeken: hij is een dichter die teder en liefdevol kan zingen, maar ook stevige, ruige beelden en klanken kan gebruiken. Zachtmoedig én stoer. Een strelende hand én een vuist.

Voorbeelden van dit krachtige, ruige taalgebruik zijn: ‘ram een moker door de buis’ (‘flessenpost’); ‘zanger die met lijm / aan zijn klauwen’ (‘meisje onder de appelboom’); ‘een afgeragde piano’ (‘elk woord dat je mij in handen legt...’); ‘uit een oude stacaravan / stapt de ruige sloper’ (‘onder welk kopje zitten de centen’). Alsof de dichter zijn eigen zingen soms wil doorbreken met harde beelden en klanken.

De geboorte van het zwarte paard valt uiteen in zes afdelingen: ‘vader en moeder’, ‘opa en oma’, ‘liefste niemand weet’, ‘zo likt de zee’, ‘het verschil in versie’ en ‘grasmeisje’. De eerste twee afdelingen geven een beeld van Bruinja’s jeugd op het Friese platteland (in deze gedichten lijkt het lyrisch ik min of meer samen te vallen met Tsead Bruinja zélf, in zijn lagere- en middelbareschooljaren). In deze jeugd zijn ziekte en dood van zijn moeder (zij had kanker, en zou hieraan sterven) van grote betekenis.

één borst

in het ziekenhuis rende ik de trap op
sloeg ik treden over

stoof in de gang vlak voor mijn moeder langs
zag haar niet

thuis had ze nooit een ochtendjas aan
thuis hing zoiets in de kast

kijk maar

ze knoopt het bovenstuk
van haar pyjama
weer open

en ik weet niet meer wat ik verwachtte
waar haar borst was
leek het dichtgeschroeid

het zag er netjes uit

moeder zei aan de eettafel tegen een vriendje

ik ben hartstikke kaal

hij geloofde het niet
als stan laurel
tilde ze haar pruik op

kijk maar

ze was daarvoor een keer van de trap gevallen
en een poosje buiten westen geweest

ze was een keer misselijk
omdat de nieuwe hagelwitte televisie
pijn aan haar ogen deed

Een aangrijpend gedicht, temeer vanwege het droge, onderkoelde ‘het zag er netjes uit’.
Natuurlijk werpt het ziekbed van de moeder een grimmige schaduw over het leven van de zoon en de vader. In het gedicht ‘Bruidegom’ herinnert de jongen zich hoe hij met zijn vader over de bevroren vaart schaatste, en hoezeer zij beiden in gedachten elders waren, thuis, bij de zieke moeder. ‘Bruidegom’ is veel lyrischer dan het vrij concrete, verhalende ‘één borst’. De jongen richt zich rechtstreeks tot de vader, memoreert die dagen samen op het ijs, vraagt hem tot driemaal toe (met geringe variaties): ‘kom vader bind me de houtjes onder’. De herhaling van deze vraag, in een gecursiveerde passage, werkt bezwerend: als een incantatieformule, een magische spreuk – de jongen wil het afsmeken.

Bruidegom

(...)

zoals jij mij probeerde uit een wak
onder een brug te trekken
en jezelf in paniek een nat pak bezorgde
zo zal dit lied ook mij niet kunnen sparen

kom vader bind me de houtjes onder
ik heb mijn krappe jongenslaarsjes bijna aan
kom bind me de houtjes onder
het ijs is dun als je vermoeide gezicht
uit waterige ogen staar je me aan
kom nog een keer uit je dikke wollen graf
en bind me de houtjes onder
het water zal ons over zich heen zien vliegen

zo bracht moeder ons met de auto naar de vaart
waar onze eerste reis begon met haar alleen
in onze gedachten over doorzichtig zwart
over pas op kijk struikeltakken en

bevroren brasems vissticks grapte
ik probeerde het ijs te breken met
kinderhumor met kinderhanden
maar jij was bij je zieke vrouw thuis

(...)

de gouden haan de spitse kerktoren
vlakbij de boerderij waar jij
jezelf leerde zenden en drummen
waar je vader je galopperen zag

het zadel een naakte paardenrug
vroeg ging de schep voor hem de grond in
die mij drievoudig zijn naam leende
toen ik nog geen vader heten kon

kom bind me de houtjes onder
ik heb de krappe jongenslaarsjes aan
bind me de houtjes onder
het ijs is dun als de tijdelijke afstand tussen ons
nu ik je over de grenzen heen droog kan aankijken
moet je me nog één keer de houtjes onderbinden
of klim nog één keer in de pen
en laat het papier ons over het ijs
zien vliegen jagen en janken

vertel nog eens hoe jij de leraar muziek
die jou met zijn sleutelbos een laffe
oorvijg gaf recht in z’n zak trapte
flauwgevallen zogenaamd

je verrekte het sorry te zeggen
tegen directeuren bleef met je kwaaie kop
thuis (...)

bind me de houtjes onder vader
deze wereld is de echte
tussen mij en haar was jij de brugman

(...)

Dit gedicht is in meerdere opzichten exemplarisch voor Bruinja’s stijl en de motieven in zijn werk. Het is goeddeels lyrisch van toon, met name in het middengedeelte (‘waar je vader je galopperen zag // het zadel een naakte paardenrug’): gedragen, meeslepend, zwierig als de lange halen van het schaatsen zelf. Het gedicht wordt zelfs ‘dit lied’ genoemd, en dit effect wordt versterkt door de variatie op de gecursiveerde passage, als een refrein.

Op een gegeven moment is er sprake van een stijlbreuk, alsof de dichter Bruinja vond dat hij wat ál te zangerig werd, en hij maakt korte metten met de gedragen toon: ‘vertel nog eens hoe jij de leraar muziek / die jou met zijn sleutelbos een laffe / oorvijg gaf recht in z’n zak trapte / flauwgevallen zogenaamd // je verrekte het sorry te zeggen’. In plaats van de zwierige halen felle, korte klanken, een dwingend ritme dat de melodie verstoort. Nu geen lyrisch, maar prozaïsch taalgebruik, regelrechte spreektaal zelfs. Het is een volmaakt voorbeeld van samengaan van stijl en inhoud; of misschien is het zo dat de dichter Bruinja doelbewust de (lied)vorm saboteert, omdat hij niet al te onverbloemd en schaamteloos lyrisch wil zijn.

Ook bevat ‘Bruidegom’ een belangrijk motief in Bruinja’s poëzie – de afstand, en het overbruggen van die afstand: ‘het ijs is dun als de tijdelijke afstand tussen ons’; ‘tussen mij en haar was jij de brugman’. Blijkbaar was de vader als een verbindende schakel tussen de moeder en de zoon, maar nu hangt daar een loodzwaar massief verdriet tussen. De vader en zoon zijn samen maar niet bij elkaar, zij zijn verzonken in hun afzonderlijke gedachten.

In de tweede afdeling, ‘opa en oma’, schetst Bruinja een beeld van zijn grootouders; vooral het portret van zijn grootvader is treffend. In diens handen krijgt alles een tweede leven, alles wordt gerecycled. Het eerste gedicht van deze afdeling heet dan ook veelbetekenend ‘merz’ (Kurt Schwitters verwerkte schroot en afval in zijn bouwwerken):

opa was een merzbouwer van het eerste uur
hij maakte een garage en kippenhokken van sloophout
propte ook nog eens honderd konijnen
van verschillende rassen achter roestig gaas
en gaf ze gras te vreten dat hij rondkruide
in een kar gemaakt van balkjes en kunstmestzakken

(...)

opa combineerde nette pakken van gestorven vrienden

Enkele gedichten verderop heet het: ‘bij hem bleef nooit iets ongebruikt’.
Opa gooit geen spullen weg, hij hergebruikt ze in een nieuwe context, geeft ze een nieuwe functie. Zoals in het mooie ‘de laatste lap grond’:

de rode kadett stopt bij de laatste lap grond
die de oud-boer kocht het graf voor zijn dochter
naast zijn vader en moeder van wie hij de stenen
ook niet groen kan laten worden

op deze dagen verruilt hij zijn kiel voor een pak
haalt hij van de markt in dokkum en uit zijn tuin
bloemen voor in de omgespoelde hakpotten
groente die haast net zo goed is als eigen kweek

hij geeft ze water uit een schone karnemelkfles
terwijl onze hond naast hem zit

alsof ze weet waar ze is

de rust in haar ogen
de kwispelende staart

Zelfs aan het graf van de dochter (de moeder van de jongen) geeft de grootvader alles een tweede leven: de afgewassen Hak-potten fungeren als vazen, de omgespoelde karnemelkfles als gieter. Doordat Bruinja nooit hoofdletters en interpunctie (zoals het liggend streepje) gebruikt, las ik ‘hakpotten’ oorspronkelijk als een type pot. Kookpot, kamerpot, bloempot, spaarpot en... hakpot! Waarom niet? Toen begon het pas te dagen dat het hier de bekende groente van Hak betreft (‘groente die haast net zo goed is als eigen kweek’), en dat het dus om Hak-potten gaat.

Grootvader blijkt zo volhardend in deze gewoonte, dat zelfs de dood hem er niet van kan weerhouden aan het recyclen te slaan. Zoals in het gedicht ‘spook’, dat zwartromantische trekken heeft:

op het kerkhof naast zijn schuur komt hij uit zijn graf
bekijkt zijn lichaam en het pak dat zijn botten bijeenhoudt
wil een horloge of een van de planken meenemen
prima hout waar hij best een nieuw kippenhok van kan bouwen

hij schrikt van een kever die zijn neusgat uit komt lopen
met wat roods aan zijn rug

Opa die de planken van zijn eigen doodskist monstert (zonde om ze in de grond te laten!), erop klopt en besluit dat het prima geschikt is voor een kippenhok. Het heeft iets troostrijks dat niets zijn definitieve vorm en plek heeft, alles kan worden afgebroken om te dienen als bouwstenen voor iets nieuws.

De volgende afdelingen (drie tot en met zes) zijn een stuk lyrischer en speelser, en ook de liefde wordt bezongen.

Bruinja maakt veelvuldig gebruik van de stijlfiguur van de herhaling. Soms wat gemakzuchtig. Zoals in ‘de man die lopen moet’:

hij is de man die lopen moet
die lopen lopen lopen moet

zo vol van begeerte
en vrouwverslaafd
zo blind voor
hoe het er met hem
voor staat verdomme
dat hij lopen moet
lopen tot hij
doorzichtig wordt
en dun als lucht
zijn verlangen
opgelost ziet

hij is de man die lopen moet
die lopen lopen lopen moet

door het park
langs de zandbak
door de zandbak
het klimrek in
waar hij droomt
van woestijn
tonghagedissen
en stuifzand
zo dun als hij
worden wil

hij is de man die lopen moet
die lopen lopen lopen moet

met zijn droom
zijn droom waar geen hek
omheen past

Ook hier krijgt de herhaalde passage het karakter van een refrein, en het gedicht als geheel dat van een lied. Maar op de een of andere manier vind ik het procédé hier wat al te gemakkelijk toegepast, wat gratuit, het verwordt tot een trucje. De bezwerende werking die de herhaling in ‘Bruidegom’ heeft (en de vervoering daarvan), ontbreekt hier ten enenmale.

En een gedicht als ‘gras dat alvast lag’ komt op mij eerlijk gezegd geforceerd speels over:

elk woord dat ik bij je neerleg
aan de grond en voor je voeten
is een woord te veel

het koude gras daaronder
pas gemaaid net nat
van de maan
het ligt een dag

nu wachten op de zon
en hand voor de mond
en hand voor de grap

wachten op hoe

pas gemaaid gras
lacht

kijkt mij aan
kom overeind
lacht lacht lacht

elk woord
waar woord lacht
lacht
blij

als een bed dat nog niet op
gemaakt is

lacht
pas
gemaaid en glad

pas gemaaid en blij
lacht het gras met de hand
op de mond

en elk woord dat ik later schijnbaar zacht
bij je neerleg op het nieuwe gras en voor je kostbare voeten
is een woord te veel dat lacht en lachen zal

De woorden worden eindeloos, in talloze combinaties, herhaald. De vermeende speelsheid van het gedicht komt niet natuurlijk, niet ‘spontaan’ over. De dichter valt terug op een trucje, heeft zich er met een jantje-van-leiden van afgemaakt.

Dit is een gevaar dat dreigt voor een dichter met sterk muzikale, zangerige kwaliteiten als Bruinja. Al te vaak hanteert hij niet alleen een lyrische stijl, maar geeft hij het gedicht ook de vorm van een lied; laat hij bepaalde beelden of regels, of complete passages, keer op keer terugkomen; componeert hij, met andere woorden, zijn gedicht als was het een lied.

Wat Bruinja niet valt te ontzeggen is een groot associatief vermogen; en doorgaans weet hij zijn drang tot associëren ook nog eens te doseren, waardoor het niet in willekeur ontaardt. Dit leidt tot verrassende beeldmontages, betekeniswendingen en gedachtesprongen.

De tweetalige bloemlezing De geboorte van het zwarte paard bevat veel sterk werk, al had de selectie iets strenger gemogen. Tsead Bruinja is een zachtmoedig zanger, die af en toe onverwacht hard en ruig uit de hoek kan komen.

Bron: http://poezierapport.blogspot.com/

terug naar boven


Tsead Bruinja - De geboorte van het zwarte paard/De berte fan it swarte hynder. Een keuze uit de Friese gedichten, bewerkt en vertaald door de dichter (2008)

door Jelle van der Meulen

Enkele moderne Friese dichters als Cornelis van der Wal en Abe de Vries waren Tsead Bruinja al voorgegaan met een tweetalige bloemlezing, maar nu is er zeer terecht ook één verschenen van zíjn Friese poëzie. Bruinja is door een paar Nederlandstalige bundels en door opvallende optredens al bij het Nederlandse poëziepubliek bekend, maar nu kan dat publiek ook kennis nemen van zijn Friestalige werk. Bruinja koos de gedichten zelf en maakte (op één na) de vertalingen. Daarbij rangschikte hij de gedichten in afdelingen als 'vader en moeder' of 'opa en oma', met veel gedichten uit zijn eerste bundels, en 'liefste niemand weet' (waarvan het titelgedicht het mooiste liefdesgedicht van deze eeuw is) of 'grasmeisje' met gedichten uit zijn latere werk, waardoor ook een ontwikkeling in zijn dichten te zien is. Jammer dat nergens staat uit welke bundels de gedichten komen of dat Bruinja enkele gedichten enigszins herschreef. Soms maakte hij ze bondiger, voorzag ze van een titel of voegde twee gedichten tot één gedicht samen. Het levert alles bij elkaar wel een prachtig overzicht op van bijna tien jaar poëzie van één van Frieslands beste dichters van dit moment.

Bron: http://home.planet.nl/~meul2882/fries/Bruinja,Tsead.html

terug naar boven


Onder de koeiestaart vandaan

Michaël Zeeman in de Volkskrant over Het goud op de weg, de bloemlezing uit de Friese poëzie sinds 1888 die door Abe de Vries werd samengesteld

...Traditioneel kent de Friese literatuur daardoor een sterke hang naar zelfrechtvaardiging, zowel expliciet - in beginselverklaringen omtrent haar unieke eigenschappen - als impliciet in de nadrukkelijke keuze voor een zo zuiver mogelijke literaire taal. In het Fries geschreven literatuur heeft bijna onvermijdelijk een hogere taak.
Daar wil (Abe) de Vries van af. En dus maakte hij een eigenwijze, brutale en hier en daar zelfs provocerende keuze uit ruim een eeuw Friese poëzie, een keuze die nogal verschilt van wat de bloemlezers van de Spiegel der Friese poëzie ruim een decennium geleden deden. Door die bovendien tweetalig te maken - de poëtische vertalingen in het Nederlands staan naast de originelen - biedt hij die bovendien aan een veel breder Nederlands publiek aan. De Vries verhoudt zich tot zijn voorgangers zoals Gerrit Komrij dat in zijn geruchtmakende bloemlezing deed tot Victor van Vriesland.
Dat is niet alleen het gevolg van zijn smaak en opvatting, het heeft ook te maken met de opmerkelijke renaissance die de Friese poëzie doormaakt: jongere en dikwijls in twee talen dichtende auteurs als Albertina Soepboer, Elmar Kuiper Tsead Bruinja hebben, juist ook door het haast frivole gemak waarmee zij omgaan met hun tweetaligheid en de benarde positie waarin een van hun beide talen verkeert, de vitaliteit en de rijkdom van hun moedertaal en de daarmee verbonden verbeeldingswereld royaal onder de aandacht gebracht...

Bron: De Volkskrant, 04-07-2008

terug naar boven



Neus ik heb je zegt ze

Onderstaand artikel is in gewijzigde vorm afgedrukt in de Groene Amsterdammer. Het gaat daarbij vooral om wijzigingen in de slotalinea. De versie in de Groene Amsterdammer had als titel 'Sfeervol jammen'. De slotalinea zoals die gepubliceerd is in de Groene vindt u onderaan de tekst.

door Erik Lindner

Tsead Bruinja publiceerde drie bundels in het Nederlands, waarvan de laatste Bang voor de bal vorig jaar verscheen. Hij stelde de bloemlezing Droom in blauwe regenjas. Nieuwe Friese dichters samen en publiceerde eerder gedichten in het Fries. Uit die vier Friese bundels is nu een tweetalige keuze verschenen. Die biedt niet alleen een kans om de ontwikkeling van Bruinja te volgen, ook toont de bloemlezing de aard van de dichter. Hij is in het Fries begonnen en zijn laatste Friese werk Gers dat alfêst laket / Gras dat alvast lacht is van recente aard.
De geboorte van het zwarte paard opent met portretten uit de jeugd van Bruinja, ouders en grootouders, de omgeving en daarmee een portet van Tsead Bruinja zelf: een nieuwsgierige en opgewekte jongen met goed gevoel voor taal en melodie. Die vroege gedichten maken een slinger van associaties met soms een duister beeld, iemand die een slok ammoniak neemt maar terug in de fles laat vallen. Als de ik-figuur zijn vader vraagt hem de houtjes onder te binden staat er ‘het water zal ons over zich heen zien vliegen’. De Friese gedichten zijn verhalender dan zijn Nederlandse werk, niet in de traditie van de welhaast Keltisch-Friese bard Tsjebbe Hettinga, maar eerder lyrisch en zangerig als Hans Lodeizen en sommige versjes van Pieter Boskma. Hij beschrijft een zieke moeder en een vader die haar verzorgt, die haar met armen als de ‘tanden van een vork’ uit bed tilt. Dan komt snel de ontknoping in het gedicht ‘De paarden’:

soms voelde ze zich niet goed op haar plaats dan zei ze
dat haar ziel niet in de metallic ford escort mee kon komen
en dat hij haar op een wit paard zwetend achterna kwam
van op visite in lutjebroek

nooit was zij verder gegaan dan in haar verbeelding
waar de danser haar een lapdance gaf op de rode
pluchen bekleding achter in een goedkope bar
waar ze haar ziel in tweeën spleet en later deelde

door drie om te overleven dankbaar voor haar slaap
en o zo dankbaar voor morfine zakte ze langzaam weg
haar vasthouden was verleden tijd en in magere slaap

die haar coma was kwamen voor het laatst alle zielen
te paard in haar thuis om voor het eerst voor haar uit
op een onmogelijke hemel af te gaan

‘ik wil dit van mij afschudden,’ staat een paar pagina’s verderop als Bruinja liefdevol zijn wat maffe grootvader uittekent, die als een ‘merzbouwer’ kippenhokken timmert en bij het werk op de boerderij ‘zo tegen oma kon schelden / dat ze in haar broek piste’. Ook de grootvader sterft en leeft voort als een spook op het eind van de reeks, als de dichter zijn overleden moeder terugziet in een brandend huis: ‘elke storm neemt een pan van het dak’
Na deze portretten begint een reeks liefdesgedichten in Bruinja’s kenmerkende verschuivende ritme: regels die soms doorlopen en dan weer stokken. Die zijn mooi als er een zachte lyriek in door klinkt, zoals in de regels ‘leg je nog een keer in mij te ruste / leg je neer zoals ik mij loom in jou neerlegde.’ Bruinja heeft geen schroom om onvervalst traditioneel te klinken, net zoals hij even terloops juist een hedendaagse regel gebruikt, en dat gemak maakt hem een aantrekkelijk dichter. Maar het moet gezegd: veel van de gedichten uit het midden van De geboorte van het zwarte paard zijn rommelig en een beetje los zand. Niet alle herhalingen werken even effectief en in die gevallen wordt de zangerigheid te staccato. Sommige wendingen zijn niet te plaatsen of komen teveel voort uit woordassociaties (‘kom toch de radio uit / ram een moker door de buis’) Als hij beschrijft hoe hij een webcam-opname maakt die niets dan een zwart beeld geeft, gebeurt er ook helemaal niets in het gedicht. Sfeervol blijft zijn toon altijd: ‘er was een droom die volslagen in het vat terug kroop / stil als op het eiland een meer dat weet heeft van de zee’. Dat meer midden op het eiland keert herhaaldelijk terug, en ook ziet Bruinja graag haartjes overeind staan, op kippenvel, op borsten en op armen. Bruinja vult zijn beelden in en zingt zijn regels uit. De herhaalde regel ‘zoals het zou zijn en nooit werd’ geeft een Kopland-achtige melancholie aan de gedichten. Die is niet helemaal vreemd in deze bundel als na het sterven van de moeder en grootvader liefdes betreurd worden. Achterin komt dat een keer heel mooi op zijn pootjes terecht in het gedicht ‘duimendief’ als ‘deze vrouw / tegenover je’ een grapje met de dichter uithaalt, hem beetneemt:

brengt glimlachend haar vuist naar mijn neus
die tussen vingers verdwijnt

trekt de neus weg naar een grijze einder

en uit het kleine ding piept een muisje
waar mijn neus eerder klem

neus ik heb je zegt ze

We zijn inmiddels in de gedichten uit Gras dat alvast lacht beland, met opmerkelijk sterkere passages. Mooi beschreven beelden ook: ‘suf water in een sloot’, ‘een ei / met een wild rood geel’  en ‘moe als een made’. Toch is de opeenvolging van die beelden vaak slordig en ronduit stoned. Dat heeft iets swingend maar ook iets Allen Ginsberg-achtigs en daarmee iets gedateerds en gedrogeerds.

De slotalinea zoals Erik Lindner die schreef:

Tsead Bruinja’s dichterschap valt beter te begrijpen door de bundeling van deze eigen vertalingen van zijn Friese gedichten. In zijn laatste Nederlandse bundel verwijst hij naar F. van Dixhoorn en Martin Reints, maar ‘the real Bruinja’ is gul en lyrisch en tegengesteld aan dergelijke poëzie. Het frustrerende is dat Bruinja het wel kan en ook goed kan, maar in zoveel gedichten het zo weinig echt doet, dat dichten. Hij lijkt een goede muzikant die maar een beetje voor zich uit zit te jammen in plaats van tot een lied te komen. Misschien is hij zich te zeer van zijn eigen talent bewust. ‘hand je doet te weinig / dat weet het vuur dat wacht / dat weet het werk dat ligt hand,’ schrijft hij naar aanleiding van de dood van C.O. Jellema. Mooi is het als een man water in de kuilen van zijn handen voor de neuzen van zijn bewakers houdt. Komisch is het als ook zijn opa terugkomt op het eind van de bundel en vlak daarvoor weer een kippenhok wordt opgetrokken. Zijn werk is in hoge mate symphatiek, maar soms net teveel een parabel. Wat hij betekent voor de emancipatie van de Friese poëzie is van onschatbare waarde. Wil Tsead Bruinja als dichter niet de Simon Vinkenoog van de 21ste eeuw worden, dan zal er iets in zijn gedichten dienen te gebeuren. Concentratie en synergie van zijn Friese lyriek en zijn Nederlandse werk kunnen er voor zorgen dat dit talent een goede bundel gaat maken.

De geredigeerde versie van de slotalinea, zoals die in de Groene verscheen:

Het frustrerende is dat Bruinja het wel kan en ook goed kan, maar in zo veel gedichten het zo weinig echt doet, dat dichten. Hij lijkt een goede muzikant die maar een beetje voor zich uit zit te jammen, in plaats van tot een lied te komen. Misschien is hij zich te zeer van zijn eigen talent bewust. ‘hand je doet te weinig/ dat weet het vuur dat wacht/ dat weet het werk dat ligt hand’, schrijft hij naar aanleiding van de dood van C.O. Jellema. Zijn werk is in hoge mate sympathiek, maar soms net te veel een parabel. Wil Tsead Bruinja als dichter niet de Simon Vinkenoog van de 21ste eeuw worden, dan zal er iets in zijn gedichten dienen te gebeuren. Concentratie en synergie van zijn Friese lyriek en zijn Nederlandse werk kunnen ervoor zorgen dat dit talent een goede bundel gaat maken.

Bron: De Groene Amsterdammer en Erik Lindner, 26-06-2008

terug naar boven


TROUW - Net verschenen

"Die begon met één koe / die bij het werk op de boerderij / zo tegen oma kon schelden / dat ze in haar broek piste." Zo begint één van de gedichten, 'Pake', van Tsead Bruinja, één van de beste en bekendste hedendaagse Friese dichters. Zijn ouders, grootouders en geliefden spelen in deze tweetalige verzameling van zijn Friese poëzie een grote rol.

Bron: Trouw, 14-06-2008

terug naar boven


Fragment weblog Herman van Veen

Gisteren de opening van de expositie
ter ere van de Friese dichter Tsead Bruinja.
In het Natuurmuseum Frylân in Leeuwarden.
Edith speelde, Tsead las zijn werk in het Fries
ik het zijne in het Nederlands.
Er waren vriendelijke woorden
van hartelijke mannen.
De burgemeester van de stad,
de heer drs. F.J.M. Crone,
opende het gebeuren
met een handdruk.
Hang er mooi bij.
14 doeken.
Haal als het ware
Tsead’s woorden
uit de verf.
Voor elk doek staat een lessenaar
met het gedicht in het Fries en het Nederlands te lezen.
Alle gedichten staan ook in
“De geboorte van het zwarte paard”,
Tsead’s keuze uit zijn Friese gedichten,
uitgegeven door Cossee.
Schrijnende en liefdevolle zinnen.

“Bruinja staat midden in de wereld,
die hij niet alleen geamuseerd,
maar ook met zorg beschouwt,”
schreef Piet Gerbrandi onlangs
in De Volkskrant.

In de bioscoopkelder van Maarsingh & Van Steijn
ging de documentaire over de mannen en het werk
in première.
“Alsof je het licht vangt”
werd een mooie indringende film
van Jeroen Stek over twee reizigers in taal,
ondergetekende en de dichter.

Bloemen, knuffels, warme handen.

Bron: http://www.hermanvanveen.nl/, 01-06-2008

terug naar boven


Een zekere mate van aandoenlijkheid

...Over de bundel van Bruinja valt weinig te zeggen omdat het een verzameld werk betreft en dus niets nieuws brengt. Toch loopt door de hele bundel een zekere mate van aandoenlijkheid vanwege het op integere wijze open leggen van Bruinja’s persoonlijke leven met daaraan verbonden zijn dichtcarrière.

 
Bron: http://weblog.saskiavandenheuvel.nl/?p=271

terug naar boven



De Pers, Perspectief, Pagina 19, 27-05-2008
 
Gedicht van de week
 
zoals het zou zijn en nooit werd

er schuift een zon achter de wolken
ik eet rozijnen uit een rood doosje en zwerf
door een mij vreemd geworden stad

een doelloze vlindervanger
zonder schepnet zonder vleugels
in een jas beschilderd met ogen

ze zal mijn fries vergeten over een paar uur
verstaat ze me niet meer

mag ik de woordenboeken verbranden
zoals het zou zijn en nooit werd

© Tsead Bruinja, uit: De geboorte van het zwarte paard, Cossee, 2008

Door Chrétien Breukers

Groninger dichters


Journalist en schrijver Herman Sandman heeft een boek geschreven over het literaire leven in (de stad) Groningen: Arcadia der poëten, het literaire leven in Groningen 1945 - 2000. Dit soort boeken is een genot om te lezen: anekdotes vertellen en roddelen zijn leuke bezigheden. Sandman heeft alle verhalen die tot hem zijn gekomen met enige vaardigheid samengesmeed tot dit boek, maar het lijkt wel of hij soms niet heeft kunnen kiezen tussen de vaart van zijn verhaal en een drang tot volledigheid. Waar het het letterkundige leven tot 1975 betreft, is dit geen bezwaar, – de tijd heeft al een selectie gemaakt en de sterke verhalen over coryfeeën als H.N. Werkman, Ab Visser en Belcampo vormen smakelijke lectuur. Maar in de hoofdstukken over de meest recente ontwikkelingen verliest Sandman hier en daar zijn grip. Ronduit vreemd is Sandmans zienswijze dat Driek van Wissens uitverkiezing tot Dichter des Vaderlands (in januari 2005) een hoogtepunt uit de literaire geschiedenis van de stad is. Dat is te ver gezocht. Van Wissen is al met al een te weinig aansprekende figuur om als boegbeeld voor de Groningse literatuur te fungeren. www.uitgeverijpassage.nl

Nieuwe bundel Tsead Bruinja

Een van de meest spraakmakende hedendaagse dichters uit het boek van Herman Sandman, is de in Friesland geboren Tsead Bruinja (1974), die lange tijd in Groningen studeerde en werkte en nu in Amsterdam woont. Hij debuteerde in 2003 met Nederlandstalig werk, maar is ook zeer actief als dichter in het Fries. Uitgeverij Cossee publiceert nu een ruime, tweetalige keuze uit de vier verschenen Friese bundels, onder de titel De geboorte van het zwarte paard. Daarmee zijn nu ongeveer zeventig gedichten ook beschikbaar voor lezers die het Fries niet machtig zijn. Het mooie boek geeft een goed beeld van de ontwikkeling van Bruinja als dichter. ‘Bruinja staat midden in de wereld, die hij niet alleen geamuseerd, maar ook met zorg beschouwd,’ schreef Piet Gerbrandy ooit over hem. En dat is volledig van toepassing op deze bundel. www.cossee.com en zie het gedicht van de week.
Het goud op de weg

En omdat Bruinja in Friesland is geboren, komt hij ook voor in de tweetalige bloemlezing uit de Friese poëzie sinds 1880: Het goud op de weg. Samensteller Abe de Vries maakte deze bloemlezing om aan te tonen dat de Friese poëzie een eigen plaats verdient binnen de Nederlandse literatuur. De laatste decennia zijn namelijk verschillende Friese dichters ‘doorgebroken’. Landelijk bekend zijn onder meer de al genoemde Tsead Bruinja, Tsjêbbe Hettinga en Albertina Soepboer. Maar Het goud op de weg bewijst dat de Friese poëzie meer te bieden heeft: dichters als JabikVeenbaas, Cornelis van der Wal, Anne Feddema en samensteller Abe de Vries verdienen meer aandacht dan ze krijgen. De Vries probeert ook om ‘de eigen ontwikkeling van de Friese poëzie in het grotere Nederlandse en Europese verband’ te schetsen. Als geheel is het tweetalige boek
daarom de ideale gids door een te onbekend poëzielandschap. www.bornmeer.nl
 
Bron: De Pers, Perspectief, Pagina 19, 27-05-2008

terug naar boven


Poëzie top 5 Henk Blanken (Poëzierecensent van het Dagblad van het Noorden)

1. Eva Gerlach, Situaties
2. Remco Campert, Nieuwe herinneringen
3. Tsead Bruinja, Bang voor de bal
4. Nachoem Wijnberg, Uit tien
5. John Schoorl, A Capella
 
Bron: Dagblad van het Noorden, 31-12-2007

terug naar boven


Wasbord spelen op de onderkaak van een dode koe

door Henk van der Veer 

SNEEK- Tsead Bruinja zijn nieuwste Nederlandstalige gedichtenbundel gaat o.a. over angsten, vandaar misschien de titel Bang voor de bal. De bundel is verschenen bij Uitgeverij Cossee in Amsterdam. Tsead Bruinja ( Rinsumageest, 1974 ) debuteerde in 2000 met de Friestalige bundel De wizers yn it read, die werd gevolgd door nog drie Friestalige bundels. In 2003 verscheen zijn Nederlandstalige debuut, Dat het zo hoorde ( Contact ). Deze bundel werd genomineerd voor de Jo Peters PoëziePrijs.

Dat Tsead Bruinja één van de meest vooraanstaande dichters in Nederland is, beweer ik al sinds ik werk van hem lees. Ik ben blijkbaar niet de enige die de gedichten van Tsead Bruinja weet te waarderen. Lees maar wat Herman van Veen over Tsead Bruinja, in de Friesland Post van september j.l., laat optekenen. “In mijn optiek is er in Friesland een dichter opgestaan die tot de beste van de wereld behoort. Ik zou heel graag één of meer van zijn gedichten zingen. Het is een jongeman met een bijzondere moeilijke naam, het klinkt Algerijns.”  Het blijkt Tsead Bruinja te zijn.

Het soms maar moeilijk duidelijk te maken waarom poëzie je aanspreekt, of niet. Tsead Bruinja schrijft beslist geen hapklare-brokken-poëzie, de lezer moet zich beslist wel inspannen om te begrijpen wat hij schrijft. Maar zelfs dan kan het nog moeilijk zijn om door te dringen in de wonderlijke poëziewereld van Bruinja. En toch geniet ik van zijn dichtkunst. Dit gedicht vind ik mooi. Gewoon mooi.

Burgemeester

onder de hoogslaper naast mijn bureau
staat het electrische orgel uit het gesticht
waar mijn huisgenoot werkt

het spijt hem dat hij vreemdgaat

zijn vriendin wacht in haar ochtendjas voor de douche
en begint in de deuropening een gesprek

over de niertransplantatie van de deen in pakistan
en de berooide pakistani’s die nog diezelfde dag
netjes dichtgenaaid en met een tas vol pillen
naar huis worden gestuurd

mijn huisgenoot is de man die de adhd uitvond
een jonge en onervaren burgemeester
van zijn eigen bloedbaan

Wat ik nu zo mooi aan bovenstaande gedicht vind?  De laatste strofe bijvoorbeeld, vind ik niet alleen verrassend, maar ook bizar en hilarisch tegelijk.

De gedichten van Tsead Bruinja roepen meer vragen op dan antwoorden. Neem nu de titel van de bundel, Bang voor de bal. Niet alledaags deze titel. De bundel ontleent zijn titel aan het gedicht ‘Bang voor de bal door het winkelraam’. Waarom het tweede gedeelte van de titel weggelaten? Waarschijnlijk omdat ‘ Bang voor de bal ’ de lading wel dekt. Want het gaat in deze bundel in elk geval over angst. Angst voor van alles en nog wat. Bang voor de bal zou trouwens ook een naam kunnen zijn, een poëtische naam dat wel. Van een jongentje aan het einde van de straat. Het titelgedicht heeft ook een afwijkende typografie in vergelijking met de andere gedichten in de bundel. Dit gedicht doet mij ook denken aan It libben sels, de roman waarmee Piter Boersma in 1998 de Gysbert Japiksprijs won. Tsead Bruinja geeft in zijn poëzie verslag van verschillende gebeurtenissen. Hij observeert. Heel vaak is dat confronterend, voor de dichter, maar ook voor de lezer. Zonder zijn poëzie in een bepaald hoekje te willen drukken of van een etiket te voorzien, durf ik wel te stellen dat er nog al wat prozagedichten in deze bundel staan. Als voorbeeld citeer ik het volgende:

Sons & Daughters

nog vaak kiezen eigenaars eerst het ras uit dat ze wensen en gaan dan
pas op zoek naar een specialist ter zake die hun de nodige adressen
kan doorspelen beter is het eigenlijk vooraf een kenner aan te spreken
die kan helpen bij deze belangrijke beslissing deze kenner kan u in-
lichtingen geven omtrent raskenmerken welke hond het best pas bij
uw levenswijze nog vaak verloopt de aanschaf ondoordacht en impul-
sief met alle gevolgen van dien

u had ons moeten zien
door de banden heen pluto
piet viel voorover in de sla

Geen leestekens, geen hoofdletters. Ik zou dit niet herkennen als poëzie en toch staat het in deze gedichtenbundel. Toen ik het gedicht luidop las, werd het al meer poëzie voor mij!
En die piet viel een gedicht eerder, op de pagina naast Sons & Daughters, ook al voorover in de sla. Tijdens een gezellige barbecue nog wel!

Toch staan er ook juweeltjes van poëtische zinnen in deze bundel. Deze bijvoorbeeld:

vanaf vier hoog klinkt het verkeer op de ring
als een zwerm bijen die een plagerige jongen
op de hielen zit

(eerste strofe van het gedicht Achtergrondinformatie )

En wie een zin als wij spelen wasbord op de onderkaak van een dode koe op papier kan krijgen, mag zich van mij zeker dichter noemen!

Henk van der Veer

Tsead Bruinja, Bang voor de bal, gedichten. Uitgevereij Cosse, Amsterdam. 80 pagina’s. Prijs € 16,90

Bron: Het Sneeker Nieuwsblad, november 2007

terug naar boven


Hartbewaking

door Anneleen De Coux

‘Tijdens het voorlezen in de duinen wordt elly de waard / na afloop van haar voordracht door een opdringerige grijsaard / met een oranje rugzak waarop ravetechno gedrukt staat gevraagd / of zij elly de waard ook kent en of er ooit nog een jaarbrief / van het chr.j. van geel genootschap zal verschijnen // dat hij zo graag het huis eens zou willen zien // ik vraag het publiek of ze een romantisch / of een geëngageerd gedicht willen horen’.

Verhalende verzen uit Bang voor de bal, de derde Nederlandse bundel van de Friese dichter Tsaed Bruinja (1974).Voor wie – stoutmoedig of gewoon naïef – lyrisch ik en auteur met elkaar in verband brengt, kunnen ze heel wat onthullen over Bruinja’s kunstenaarschap. In het gedicht leest een dichter voor. Dat doet Bruinja ook, en meer dan dat: hij maakt poëzie graag tot performance met behulp van uiteenlopende middelen als flamenco, rap en computertechnologie.  
           

Interessant is verder het onderscheid dat het lyrische ik maakt tussen romantische en geëngageerde gedichten. In Bang voor de bal zijn beide soorten aanwezig. ‘Herhaald verzoek’, bijvoorbeeld, is een niet onaardig maar wat melig liefdesgedicht: ‘en ik heb de meest waardeloze knieën // en ik vraag je // elke ochtend dat jij je ogen opendoet / om de wereld nieuw te maken // vraag ik je weer’. Wat het geëngageerde type betreft: in enkele gedichten wordt Henry Kissinger bespot, maar vaker dan tegen individuen wordt hier van leer getrokken tegen de Verenigingen en Instanties die zo belangrijk zijn in onze maatschappij. In ‘Jurk / waarom wil ik met je praten’ is de geschiedenis van de mensheid een geschiedenis van verschillende collectiva, en lijkt de vooruitgang een neerwaartse spiraal. Het instituut Instituut en de illusie van samenhorigheid worden overtuigend ondermijnd in deze bundel. Ieder “wij” veronderstelt een “zij”. En zoals blijkt uit een mini-soap over een hondenclub en het gedicht ‘Gastspreker en voorzitter in de kantine’, is de agressie ook niet uit te roeien in de eigen, gesloten rangen: ‘wij worden niet alleen bij voortduring / gehinderd en dwarsgezeten door mensen / van andere organisaties / maar ook en vooral / door onze eigen leden’.

Een tweedeling als het onderscheid tussen romantische en geëngageerde poëzie is een prachtig ding. Maar ze houdt niet altijd stand. Sommige gedichten uit Bang voor de bal  - zoals ‘Cor’ en ‘Het geld het fruit en de familie’ - zijn (enigszins) romantisch én (enigszins) geëngageerd. De humor, die essentieel is in deze poëzie, helpt bij het overstijgen van de scheiding. Een voorbeeld van die humor uit ‘in de duinen’: iemand uit het publiek vraagt een romantisch gedicht en de dichter begint ‘tuurlijk lust je een stuk van die taart’ voor te lezen, het gedicht dat meteen na ‘in de duinen’ staat afgedrukt. Áls dit al een liefdesgedicht genoemd kan worden, is het er één van de zeer wrange soort. ‘[W]as het haar uit de spoelbak en eet / reken nooit op steun uit onverwachte hoek / maar zet je schrap en eet’, zo luidt het besluit.

Een andere categorisering. Naar aanleiding van het verschijnen van Bang voor de bal heeft Hans Groenewegen een diepgravende bespreking van Bruinja’s Nederlandstalige poëzie  geschreven voor Yang (Groenewegen 2007). Hij gewaagt van een driedeling. Ten eerste onderscheidt Groenewegen de lyrische gedichten, die gekenmerkt worden door een ikperspectief en het overheersen van muzikale strategieën; ten tweede de anekdotische gedichten en portretten; ten slotte de tussenvormen, die vaak surrealistische trekken of absurde wendingen vertonen. In de jongste bundel ziet hij de anekdotische en portretgedichten domineren. Nieuw en tot dezelfde categorie te rekenen is volgens hem de readymade, die hij vanuit een vergelijkbare schrijfhouding geschreven acht. Groenewegen gelooft dat Bruinja geëvolueerd is van een automatisch schrijven – waarbij de hand aangesloten is op de droomtoestand van woorden, beelden en muziek – naar een calculerend schrijven. Wat anekdotische poëzie, poëtische portretten en readymades gemeen hebben, is volgens de criticus een dichter die meer vanuit een concept of een idee werkt dan dat hij beelden, ritmes en woorden exploreert. ‘[I]k weet het // er liggen betekenissen op de loer / die dit gedicht kunnen bederven’, schrijft Bruinja in ‘Specialist op het gebied van kozijnen’ en daarbij denkt de criticus aan betekenissen die buiten de dichterlijke controle vallen. Groenewegen meent dat de (relatieve) vrijheid die de lezer van Bruinja’s meer autonome poëzie had drastisch ingeperkt is, dat het gedicht niet langer een ruimte is waar dichter en lezer elkaar als gelijken kunnen ontmoeten, maar wel een voertuig dat de lezer naar de boodschap van de dichter moet brengen. De criticus voelt zich in een ongemakkelijke of onaantrekkelijke positie gemanoeuvreerd.
Groenewegens artikel is interessant en uitdagend, in het bijzonder daar waar hij concrete gedichten onder de loupe neemt. En wat de schrijf- en leesprocessen betreft, begrijp ik zijn standpunt. Maar als lezeres van Bang voor de bal heb ik niet het gevoel in een eenrichtingsstraat of tredmolen te zijn geplaatst. Af en toe wordt hier inderdaad een zekere bezorgdheid over de boodschap uitgesproken, een bezorgdheid over een goed begrip. Maar deze poëzie is zo springerig dat ik meen voldoende bij de gedichten te kunnen/mogen/moéten fantaseren.

Dat springerige karakter van de gedichten komt grotendeels voort uit de montagetechniek. Bang voor de bal bevat interessante metapoëtische gedichten, waarin gesuggereerd wordt dat “het leven zoals het is” een belangrijke plaats moet krijgen in de poëzie. Het eerste gedicht van de bundel heeft als titel ‘Koppelbaas’, en dat is blijkbaar precies wat een dichter moet zijn. Een koppel-baas. Hij moet verbanden zien tussen dingen die zich aan hem aandienen, en hij moet die verbanden, die voor anderen wellicht niet zo duidelijk zijn, in zijn werk suggereren. Daartoe monteert of hermonteert hij de werkelijkheid. Hij is die werkelijkheid dus de baas en kan er zelfs een nieuwe scheppen: ‘ik zal eens schrijven dat je niet slaapt’, zegt een gedicht. De koppelbaas schrijft echter tegen beter weten in en omdat de drang sterker is dan hijzelf: ‘men weet de boodschap is een bouwval het nieuws vluchtig maar welk / dwaallicht schemert er nu door mijn grijze haar welke zoete onrust zoekt / naar die zachte tourette in mijn tong’.

Het leven is dus de eigenlijke hoofdrolspeler in Bang voor de bal, en dat op twee manieren. Er is in deze bundel veel anekdotiek te vinden, of – beter – de indruk daarvan. Maar het leven is hier ook belangrijk als idee, als tegenpool van de dood. Het leven is de enige optie in wat eigenlijk niet eens een keuze is.

Op de kaft van het boek staat één opgeheven hand op een donkere achtergrond, in de palm ervan staat de titel. Die hand lijkt een halt te willen toeroepen aan wie of wat, ongetwijfeld met een rotvaart, op de persoon afkomt. Ik weet niet waar de hoofdfiguur van Bang voor de bal het meest bevreesd voor is: de dood of het leven. De reekstitel ‘Bang voor de dood’ lijkt die vraag te beantwoorden. Maar uit de bundel blijkt dat ook het leven hard kan aankomen. En een titel als ‘Hartbewaking’ roept niet alleen de gedachte op aan een hartpatiënt en coronary care, hij laat ook denken aan een gevoelige ziel die zichzelf wil beschermen.

Is de bal de dood, dan slaat hij gegarandeerd op een dag de hand weg. Als de bal voor het leven staat, is de afweerhouding nog zinlozer. Want of zij dat nu wil of niet en hoe verkrampt ze ook is, wanneer hij tegen haar aan vliegt, stuurt de hand de bal een bepaalde richting uit. We kunnen bang zijn voor de dood, voor het leven, voor wat aan het rollen gaat als we dit of dat. Maar we kunnen het spel maar beter zo goed mogelijk meespelen. Door leven en dood te zeer te vrezen wordt het leven immers de dood in de pot, en dat is een worst case scenario. In ‘Zegt ze’, één van de mooiste gedichten uit de bundel, lijkt de dood even ondenkbaar als onvermijdelijk, de angst ervoor even zinloos als reëel:

zegt ze

de wind door de twijgen
vindt een knoop

de wind door de twijgen
vindt een stam

struikelt in de slootkant
en vindt deinend water

stuit

ze trekt een cirkel in het zand

het weiland in september ligt er weelderig bij als een rentmeester die
in de bloei van zijn leven het werk neer kan leggen. hoge inzet. oud
geld. een man die desondanks niet plaats wil maken, die het werken is
gaan zien als spelen. hij neemt de zeis om het laatste gras neer te
bedden en op te voeren

hoe kan hier een slotakkoord zijn aanvang vinden
hoe kan hiervoor een instrument uit ons

die bestookt door dromen die we als cruciale bondgenoten zien
een schuur in vluchten bij de minste regen

zegt ze

teken een cirkel op de grond
met twee slapende mensen daarin
om voorlopig

of erger te voorkomen
  
Geen bijgelovig truukje als tekenen in het zand – wat kan herinneren aan schrijven om te blijven én aan wat Jezus deed toen hij op de proef gesteld werd door de schriftgeleerden in de zaak van de overspelige vrouw – zal de dood weghouden. Ook andere maatregelen zijn een maat voor niets. Het enige dat we kunnen doen is het leven leven, en het doorgeven: ‘ergens zingt iemand // kom niet samen / kom niet samen // drijf een wig // maar mijn vrouw houdt mijn week oude nichtje op haar schoot / en ik raak er niet op uitgekeken hoe goed het haar staat // we bespreken hoe het moet met de werkkamer / hoe en waar we zelf dan moeten gaan slapen // een zucht en het kind verdwijnt uit onze gedachten / we slaan een hoek om en zoeken een goed restaurant // stiekem terwijl we al lang over iets anders praten / kijk ik naar het kindje dat niet in haar armen ligt // het ademt en het beweegt / het is er bijna’. In het ook visueel uitgewerkte gedicht waaruit de titel geplukt is, dirigeert een componist op een camping zijn angst naar een deur verderop, en maken twee jongetjes – de ene met meer enthousiasme dan de andere, want ‘bang voor de bal’ lijkt een bijnaam – een afspraak om te gaan spelen. Het slotvers: ‘bang voor de bal schopt’.

Bibliografie: Groenewegen, Hans – (2007) Nieuwe vingers, lange tenen. In: Yang, 43, 1:125-137.

Bron: Poëziekrant, oktober 2007

terug naar boven


Bepoteld door de media

door Jaap de Berg

Omdat 'een goede pr alles is tegenwoordig' (Michael Frijda), onderwerpen schrijvers zich aan 'de terreur der nevenactiviteiten' (A.F.Th. van der Heijden).

Ze lezen hun werk voor 'in een bibliotheek waar nooit wat gebeurt, aan de rand van nergens' (Thomas Verbogt). Ze signeren, ook voor een dame die hun een andere kapper aanbeveelt, omdat ze een natuurlijke haargroei aanziet voor een 'goedkoop permanentje' (Mensje van Keulen). Ze dineren met een oud-lid van de Nobelprijsacademie dat zich een discussie herinnert over Harry Multatuli (Van der Heijden).

Ze laten zich 'bepotelen door de media' (Annejet van der Zijl) en interviewen door journalisten wier research zich heeft beperkt tot één kranteartikel (Christiaan Weijts). Was Ischa Meijer de inquisiteur, dan wist een schrijfster zich voorgoed gebrandmerkt als 'de stomste debutante ter wereld' (Anneloes Timmerije). En moest een auteur bij Adriaan van Dis optreden, dan slikte hij eerst kalmeringspillen (Frans Pointl).

De citaten komen uit een bundel waarin 29 schrijvers verhalen van hun wederwaardigheden met fans, media, studenten, prijsuitreikers en soms ook collega's, van wie vooral Giphart en wijlen Ferron het moeten ontgelden. Zelfspot en relativering staan er borg voor dat veel van het hier opgediste klein leed niet buiten het thema van de Boekenweek valt.

De kwaliteit van de bijdragen is uiteraard wisselend. Trefzekere observaties van Rascha Peper, pakkende anekdotes van Marga Minco en Maarten 't Hart, een ontwapenend relaas van Renate Dorrestein en een hilarische pastische van Bart Chabot moeten de wat warrige prietpraat naast zich dulden van de Friese dichter Tsead Bruinja.

De inleiding bevat tips voor 'allen die ooit nog een schrijver over de vloer durven te halen'. Wie voor zoveel scepsis als hier doorklinkt, gevoelig is, nodige Nelleke Noordervliet uit: "Ik ben de bezoekers zielsdankbaar dat ze voor mij hun warme huis uit komen (--) Ik zou het niet doen."

Bron: Trouw, 23-03-2007

terug naar boven



Achter het venster de angst?

door Pim te Bokkel

Er zit iets in de gedichten van Tsead Bruinja (1974) dat je na de eerste lezing al nieuwsgierig maakt. Zinnen als 'olie winnen uit de teerzanden / stond er in de krant / vanmiddag // toen je niet sliep'. Zinnen die verraderlijk eenvoudig zijn en in de gehoorgang galmen als ze hardop voorgelezen worden. Mooie zinnen die zich lastig laten vangen. Want wat is de noodzaak van die opmerking in een gedicht met de titel Bang voor de dood , waarin de ik-figuur aan de keukentafel van een vakantiehuisje beschrijft hoe zijn geliefde in bed ligt en de slaap niet vat. Wat doet de gedachte aan een krantenkop (welke de hoofdpersoon die middag toen 'de wind het gelui van de klok / meenam naar een ander dorp' ergens las) in een gedicht dat eindigt met de beladen opmerking:

ik zal er niet zijn als je sterft
iemand anders zal je hand vasthouden

(p. 28)

Een banale gedachte tegenover een beladen slotzin. Ineens denk je: 'die geliefde kan elk moment sterven.' Of: 'leeft ze eigenlijk nog wel?' In een zweem van onzekerheid vraag je je af wat die persoon daar nu aan de keukentafel doet. Wat zit hij daar toch gelaten te schrijven! Hij denkt zelfs terug aan een opmerking in de krant. Wordt deze gedachte niet irrelevant na lezing van de slotstrofe? Wie maakt zich nu druk over het procédé van de oliewinning als het ergens onzeker is in welke toestand degene – met wie hij die schone afgelopen dag beleefde – nog leeft?

Herlezing maakt de eerste negen (van de elf) strofen op eenzelfde manier betekenisloos. Het lijkt de banale werkelijkheid te zijn die geschetst wordt; Elvis op een laptop, een stel op vakantie en nog meer details. De tiende strofe schetst in slechts drie regels de herinnering aan een schone dag en dan is er de slotstrofe die alle zin in het voorgaande vermoord. Als lezer bekruipt je een ongemakkelijk gevoel, immers: wat moet je nu nog met al die details?

Een gevoel als dit blijft constant op de achtergrond meespelen bij het lezen van de gedichten in Bruinja's onlangs verschenen bundel Bang voor de bal. Ook al wordt er tegen het einde van de bundel volop taart en fruit uitgedeeld, toch blijft daar die titel. Er is het beeld van een jongetje dat in de mist, op een zaterdagochtend bang is voor de bal die hem zo gemeen dreigt te raken.
Onzekerheid. Je wil het begrijpen.

Wie aan de bundel van Bruinja begint voelt zich al snel machteloos. Hij wordt overladen met vele pagina's gedichten, details; op het eerste gezicht banale of betekenisloze bekentenissen. En hoewel het onzeker is of dit alles wel te begrijpen is, je wil toch op zijn minst een poging doen. Ook al is het begrip uiteindelijk slechts een kleine, ongemakkelijke zekerheid die je even de rust geeft een nachtje te slapen.

Na overvallen te zijn door een gevoel van machteloosheid vond ik een ingang in het hierboven geschetste gedicht 'Bang voor de dood'. De letterlijke overeenkomst met de titel van de bundel was te groot om te negeren. Maar er zijn meer aanwijzingen die de verdrinkende lezer houvast bieden, zo is er ook nog het titelgedicht 'Bang voor de bal door het winkelraam'. Het is vormgegeven als een Word-tabel, waarvan de eerste twee rijen uit drie kolommen bestaan en de laatste uit één. De tabel beeldt de kozijnen van een winkelraam uit. Het gedicht roept, samen met de voorkant van de bundel, het idee op dat alle gedichten in de bundel wellicht vensters zijn door welke de lezer als in een dierentuin de angst beschouwt. Een vooroordeel dat zeker bruikbaar is als werkhypothese bij het lezen van de bundel. Een verdere lezing levert echter wel enkele kanttekeningen op.

In het titelgedicht wordt Bang voor de bal opgevoerd als personage: 'met wie / met bang voor de bal'. We lezen verder, in de vierde cel:

vanaf het einde van deze straat
kruipt onder de stenen door
aan een zijden draadje
mijn zin om te spelen

(p. 16)

Naast deze in het midden van de winkelruit geplaatste strofe, lezen wij hoe een componist op een camping zijn angst naar een volgende tent dirigeert. Daarnaast staat geschreven:

zijn moeder hangt op
als ik aanbel
bang voor de bal
staat op

(p. 16)

Langzaam ontstaat het beeld van een jongetje dat een vriendje belt om te spelen, op vakantie te gaan, of muziek te maken. Om dingen te doen die kinderen zo vrij kunnen doen en volwassenen vaak spielerei noemen. Het spel dat de twee uiteindelijk spelen wordt in het gedicht uitgebeeld als een tweeregelige opsomming van dingen: 'krulspelden stoppelvelden mollenhopen dauw / bang voor de bal schopt'.
Het jongetje dat bang voor de bal is schopt nu zelf. Is dit een overwinning van de angst? Of is het uiteindelijk toch een instandhouding ervan? Bang voor de bal schopt en maakt hij daarmee niet juist iemand anders bang?

Wie er nu bang is, lijkt een gerechtvaardigde vraag. Met het personage Bang voor de bal hebben we kennis gemaakt, maar is Tsead Bruinja zelf niet ook bang? In gedichten als 'Specialist op het gebied van kozijnen' lijkt hij op zoek naar de mogelijkheden van een kind. Een kind dat wellicht onvermijdelijk bang voor de bal is. Is die angst voldoende reden om geen kinderen te nemen?

In het gedicht Bang voor de dood voert hij zijn geliefde op. En, als we mogen aannemen dat Bruinja zelf de hoofdpersoon van zijn gedichten is, volgt al snel het oordeel dat hij openhartig over zijn belevenissen spreekt. Hierbij schuwt hij, de schaamte voorbij, de angst niet. Hij spreekt over het fenomeen 'bioscoopbroek' en bekent dat hij van types houdt 'die hun hart op hun tong dragen / die hun zwakke plekken niet verbergen // net als bono'. Ontboezemingen waarbij je als lezer soms toch achterblijft met een gevoel van plaatsvervangende schaamte. Een verwrongen glimlach op je smoelwerk, of een knoop in je adamsappel die je maar al te graag wegwuift met de aanname dat het gelezene slechts fictie is. Middels deze fantasie hoop je die ongemakkelijke waarheid te ontvluchten. Bijtend is echter die constante dreiging die Bruinja's bundel doorwasemt. De ironie die zich opdringt wanneer we tot de conclusie willen komen dat het spel, de vakantie, of wellicht zelfs ('kruipt onder de stenen door / aan een zijden draadje / mijn zin om te spelen') de poëzie de oplossing is. Bang voor de bal vluchten wij in het spel, maar zien ons telkens geconfronteerd met de dreiging van die bijtende bal tussen je benen.

als ze zeggen
je hebt een bloedneus
zeg ik
nee jij

(p. 72)

Soms lijkt Bruinja te doen of zijn neus bloedt. Tenminste, als lezer hoop je dat hij doet alsof. Deze gedachte biedt je enige houvast. De waarheid dat Bruinja's neus werkelijk bloedt is wellicht te gewaagd voor een interpretatie van zijn gedichten. De zichzelf respecterende lezer verkeert toch liever in de naïviteit dat elk woord een talige – in tegenstelling tot een vleselijke – bestaansreden heeft. Of Bruinja daadwerkelijk uit zijn neus bloedde, en of hij dit deed uit vrijgevigheid (om ons lezers iets duidelijk te maken) is iets wat je als lezer na aanschaf van de bundel slechts kan vermoeden. De dichter is niet aanwezig om uitsluitsel te geven. Het belangrijkste is echter dat Bang voor de bal een bundel is die je ook zonder de dichter aangrijpt. Het biedt je niet slechts de mogelijkheid om door het venster van de poëzie de angst te bekijken. Wie de angst enkel zo benaderde zou slechts tot een oppervlakkig begrip komen. Wie meer wil moet zich erin onderdompelen, verdrinken en vervolgens naar adem snakkend boven komen. Angst is niet iets dat zich laat opsluiten in de etalage van een winkel. Dat heeft Tsead Bruinja goed begrepen.

Bron: In Letterland, juni 2007

terug naar boven


Gelukkige en goede poëzie

door Wytske Visser

"Ze kan niet vangen," zei de kleuterjuf tegen mijn vader. Tja, vijf jaar oud en dan nog steeds niet kunnen vangen; bang voor de bal dus. Als dat maar goed zou komen. Gelukkig was lichamelijke oefening niet iets waar we in hoefden uit te blinken. En de discussie met mijn vader was denk ik snel afgelopen.

Met dat vangen van de bal is het eigenlijk nooit meer goed gekomen. Je zou het kunnen wijten aan een slechte oog-hand-coördinatie, een hekel aan gym, meer van die dingen. Maar over sport schrijft Bruinja niet. Een bal komt eigenlijk niet eens voor in zijn nieuwe bundel Bang voor de bal, laat staan het niet kunnen vangen ervan. Na de bundel een aantal keren gelezen te hebben, lijkt de titel ervan eerder te slaan op een nieuwe invloed in zijn leven. De bal zou wel eens het geluk kunnen zijn, geluk dat een beetje op je af is komen suizen en waar je soms niet snel genoeg op kunt reageren. En misschien schuilt er angst voor dit geluk in hem, of misschien wel voor de breekbaarheid ervan, waar zoveel dichters vóór hem over schreven?

Maar wat is dan dat geluk in de nieuwe bundel van Bruinja? Er zijn wat dingen veranderd die misschien met deze gemoedstoestand te maken hebben. Bruinja is in de eerste plaats van uitgever veranderd. In plaats van door het vertrouwde Contact is deze bundel uitgegeven door Cossee - toch iets serieuzer werk, met veel interessante buitenlandse schrijvers als J.M. Coetzee en David Grossman in het fonds. Ook het uiterlijk van de bundel is daardoor veranderd. Was Batterij (2004) nog gezet in een bijzonder lettertype, Bang voor de bal is eigenlijk een klassieke bundel geworden, met een ‘net' lettertype.

Nieuwe levensfase

De grootste verandering, die misschien ook de meeste invloed had, is dat de dichter vorig jaar getrouwd is. Het lijkt misschien een kleine verandering, maar in de bundel is er sprake van een aantal gedichten waarin deze nieuwe 'levensfase' ter sprake komt. Het geluk dat dat lijkt te hebben gebracht, klinkt door in verschillende gedichten, zoals in de laatste regels van Specialist op het gebied van kozijnen, waarin Bruinja stilstaat bij een prille kinderwens:

maar mijn vrouw houdt mijn week oude nichtje op haar schoot
en ik raak er niet op uitgekeken hoe goed het haar staat

we bespreken hoe het moet met de werkkamer
hoe en waar we zelf dan moeten slapen

een zucht en het kind verdwijnt uit onze gedachten
we slaan een hoek om en zoeken een goed restaurant

Er staan heel wat praktische bezwaren in de weg voor deze dromen. En hoewel deze regels erg zoet zijn, is het te waarderen dat Bruinja de kwetsbare, gevoelige zinnen niet schuwt. Het is beter dan geforceerd een nieuw beeld te zoeken voor het eventuele plezier van een baby, of voor veranderingen in een leven.

Benauwd

Maar de bundel gaat niet alleen over het huwelijk en wat daar zoal bij komt kijken. En Bang voor de bal is ook zeker geen bundel met slechts kwetsbare zinnen. Evenals in Batterij is er ruimte voor het experiment; er zijn een paar bijna prozaïsche gedichten en een gedicht dat zich binnen een tabel laat lezen. Ook zijn er terugkerende elementen. Zo komt een oud-collega uit een Friese supermarkt terug en schrijft Bruinja over hondenclubs en Oprah. Een bijzonder gedicht is Een benauwde dag, een van de meeste kale gedichten in de bundel waarin in slechts weinig woorden het gevoel van een specifieke dag wordt opgeroepen:

de grond wordt op de aarde
gedrukt als een boodschap
op het hart

de lucht achter de bomen
loopt vast

De korte regels geven voelbaar weer wat er gebeurt als er weinig ruimte is voor adem, voor nieuwe gedachten bijvoorbeeld. Want ze vinden geen gehoor, er is geen voedingsbodem voor ze. Er klinkt zwaarte door in het gedicht. Er is niet alleen de benauwdheid van een warme dag, maar deze heeft ook invloed op het 'gemoed', zo blijkt uit de tweede regel, waarin het gewicht van de warme aarde dingen onmogelijk maakt: "wij schatten de afstand/ en blijven van elkaar af". En in dit gedicht klinkt dan weer een beetje Friesland door, de provincie waar Bruinja opgroeide en die een belangrijke rol speelde in verschillende bundels. En niet alles lijkt dan veranderd, want Bruinja schrijft nog steeds mooie poëzie in soms kale zinnen. Gelukkig zijn en goede gedichten schrijven gaan voor een hedendaagse dichter blijkbaar goed samen.

Bron: http://www.8weekly.nl/, 12-05-2007

terug naar boven



Dichter Bruinja schakelt gevoel uit

door Eric Kok

De Friese dichter Tsead Bruinja (1974) heeft naam gemaakt als modern en tegelijk romantisch dichter. Hij schreef vier bundels in het Fries, en onlangs kwam zijn derde bundel in het Nederlands uit, 'Bang voor de bal'.Daarin lijkt hij zijn gevoelens op een afstand te houden: "hij dirigeert/ zijn angst/ naar een deur verderop". En: "lees geen odes mijn zoon/ lees de dienstregelingen die zijn secuurder".Hij schrijft strikt in alledaagse (onpoëtische) woorden, sober en achteloos. Zijn gedichten zijn verhaaltjes met vreemde gedachtesprongen, zonder diepgang: "ik weet het/ er liggen betekenissen op de loer/ die dit gedicht kunnen bederven". Niet voor niets kiest hij kale, emotieloze gedichten van F. van Dixhoorn als motto. Wat overblijft, is het essentiële. Bruinja beschrijft vaak met liefde zijn partner Saskia, bijvoorbeeld als ze ligt te slapen of als ze een kind op schoot heeft. Het zijn de beste, de meest betrokken gedichten, zoals 'Herhaald verzoek':"ik kijk om me,heen/ ener is nietsnieuwsniets oud/ dat ik open kandoen//jij klopt aan// (...)en ik heb de meest waardelozeknieën// en ik vraag je// elkeochtend dat jij je ogen opendoet/om de wereld nieuw te maken//vraag ik je weer".

Bron: Haarlems Dagblad, 31-03-2007

erug naar boven




De lyricus geeft zich over

door Hans Groenewegen

In zijn derde Nederlandstalige dichtbundel (hij publiceert ook in het Fries) slaat Bruinja (1974) nieuwe wegen in. Zijn beide eerste bundels hadden een sterk lyrisch uitgangspunt. Muzikaliteit stuurde zijn verzen meer dan inhoudelijke overwegingen. Daarbij gaf hij ruimte aan grillige, surrealistische associaties. Al is lyriek niet geheel uitgebannen, 'Bang voor de bal' bevat meer gedichten die zorgvuldig zijn geconstrueerd. Grilligheid is gevolg van bewuste breuken. De dichter noemt zich een 'koppelbaas'. Hij koppelt ongelijksoortige elementen, en test daarmee hoeveel spanning een gedicht kan verdragen. De lyricus geeft zich over. De constructeur staat meer boven zijn stof. Dat uit zich in deze bundel een toegenomen aantal anekdotische gedichten en een reeks ready mades. Bruinja toont zich een dichter die niet bang is gewonnen posities te heroverwegen en andere mogelijkheden te onderzoeken. Daarom is hij een van de interessantste onder de jongere dichters.

(NBD|Biblion recensie, Redactie)

terug naar boven


Analyses van een kleine wereld

door Inge Heslinga

“Bij het gedicht ‘na zijn dancing days was er de vrouw met de spons' is het handig om te weten dat een klophengst een hengst is die met gebruik van twee mokers is gecastreerd”. Deze zin komt uit de aantekeningen die achterin de nieuwe bundel van Tsead Bruinja zijn opgenomen. Deze uitleg is typerend voor de dichter die zijn eigen wereld op poëticale wijze probeert in kaart te brengen en die toegankelijk wil maken voor zijn lezers. Geen moeilijke woorden, eenvoudige zinnen en een alledaagse thematiek. Maar wel met een flinke saus van wereldleed, verbazing, tederheid en een vleugje muziek.

Na vier Friestalige en twee Nederlandstalige dichtbundels verscheen van Tsead Bruinja (1974) begin dit jaar weer een Nederlandstalige bundel, getiteld Bang voor de bal. Met deze nieuwe publicatie wilde Bruinja naar eigen zeggen toegankelijker en anekdotischer schrijven en daar lijkt hij redelijk in geslaagd te zijn. In de vierenveertig gedichten, verdeeld over zes hoofdstukken, stipt de dichter thema's aan die afkomstig zijn uit de huiselijke en relationele sfeer, maar tevens komen thema's aan bod als oorlog en onverdraagzaamheid. Met een wat kinderlijke blik aanschouwt en analyseert de dichter de veranderende wereld om hem heen en weet dat op een zo nu en dan zwaar poëtische toon te verwoorden.

Een belangrijke inspiratiebron voor Bruinja is muziek, en dan met name de rockmuziek van grootheden uit de jaren zeventig en tachtig. Vijf van de zes hoofdstukken worden ingeleid door citaten uit nummers van Marillion, Roger Waters (de man achter Pink Floyd) en de Dire Straits. Het motto van de bundel past precies in dit rijtje en is afkomstig uit het nummer ‘Games without frontiers' van Peter Gabriel. Een goede en veilige keus, de titel van dit klassieke nummer roept natuurlijk gelijk associaties op met de titel van de dichtbundel. Het bang zijn voor de bal benadrukt de angst die iemand kan hebben voor een ongevaarlijk voorwerp als de bal, wetende dat die bal in verkeerde handen toch voor een pijnlijke confrontatie kan zorgen. Zoiets als bang zijn voor de wereld en bang zijn voor een wereldijke macht in verkeerde handen, inderdaad.

Het gedicht ‘bang voor de bal door het winkelraam' is het meest opvallende gedicht in de bundel. De tekst van het gedicht is namelijk in zes stukken verdeeld en geplaatst in wat nog het best te omschrijven is als een tabel. Het blijkt de kale omtrek van het winkelraam in de titel te zijn. Een leesaanwijzing ontbreekt, waardoor het gedicht op vele manieren gelezen kan worden. Oorspronkelijk stond dit gedicht op het winkelraam van een galerie in Middelburg, waar de leesvolgorde dus bepaald werd door voorbijgangers die de galerie links of rechts passeerden..

Opbouw

Evenals in zijn vorige bundels schrijft Bruinja ook in Bang voor de bal sterk enjamberende gedichten. Met name in het hoofdstuk ‘vader storen' wordt deze stijlfiguur veel gehanteerd. Zo komt men in het gedicht ‘pelikanenbek' strofes tegen als “ kromme schuit / waarin visjes / spartelen ” en “ terwijl wij kinderen / door de botten // van een maquette / rennen ”. Zeker bij dit laatstgenoemde voorbeeld kan men zich afvragen waarom de dichter heeft gekozen om op deze wijze de versregels af te breken en vooral waarom hij er twee strofes van gemaakt heeft door er een witregel tussen te voegen. Omdat de twee strofes niet los van elkaar lijken te kunnen functioneren, ontstaat de indruk dat dit stijlfiguur toegepast is om het allemaal nóg iets poëtischer te laten lijken en schaadt de overdaad uiteindelijk het gedicht.

Een groot deel van Bruinja's gedichten is opgebouwd uit strofes van twee versregels. Deze distichons worden in de nieuwe bundel vaak afgewisseld met zowel drieregelige strofes als enkele versregels. Die losse versregels kunnen bij Bruinja bestaan uit een volledige zin (“ een echte drinker spoelt zijn flesjes niet om ”), een kleine woordgroep (“ ja joh ”) of een enkel woord (“ inkoppertje ”). Opvallend zijn daarom het handjevol gedichten waarin Bruinja een stukje proza, zowel ongebonden als poëtisch,  als een strofe onderdeel van het geheel laat uitmaken. Dit doet hij bijvoorbeeld in de gedichten in ‘jurk/ waarom wil ik met je praten?' en in ‘zegt ze'. Deze twee gedichten zijn de enige gedichten in de bundel waarin heel summier interpunctie wordt gebruikt. Hieronder volgt een voorbeeld uit ‘zegt ze', en let daarbij ook op de aardige vergelijking tussen een weiland en een rentmeester:

“(…)

stuit

ze trekt een cirkel in het zand

het weiland in september ligt er weelderig bij als een rentmeester die in de bloei van zijn leven het werk neer kan leggen. hoge inzet. oud geld. een man die desondanks niet plaats wil maken, die het werken is gaan zien als spelen. hij neemt de zeis om het laatste gras neer te bedden en op te voeren

hoe kan hier een slotakkoord zijn aanvang vinden
hoe kan hiervoor een instrument uit ons

die bestookt door dromen die we als cruciale bondgenoten zien
een schuur invluchten bij de minste regen

(…)”

Twee andere gedichten die de aandacht trekken waar het gaat om vermenging van proza en poëzie, zijn het openingsgedicht ‘koppelbaas' en het prozagedicht ‘schuim'. In ‘koppelbaas' wordt door het taalgebruik en de lange zinnen de schijn gewekt dat de twee strofes van het gedicht bestaan uit twee stukken versregelloze tekst, oftewel proza. Die schijn bedriegt in dit geval. Door de bladspiegel kan niet met zekerheid beweerd worden dat álle versregels los van elkaar staan, maar toch zijn er op basis van die bladspiegel en de uitlijning van de tekst wel enkele losse versregels binnen de strofes aan te wijzen.

‘Schuim' is een klein prozagedicht over twee geliefden in de badkamer van een hotelkamer, dat verwoord wordt in wat één enkele zin van zo'n honderdvijftig woorden lijkt te zijn: “(…) ik kom erbij ik kom eraan nog even en ik heb een baard een hoed en een snor van schuim het water stijgt de bergen storten langzaam in als ik uitstap (…)”. Interpunctie zou dit gedicht zeker leesbaarder hebben gemaakt, maar door de afwezigheid daarvan is men verplicht om het gedicht in een ruk uit te lezen, wat het verliefde, speelse en onbezorgde gevoel, dat spreekt uit de vrolijke thematiek van het gedicht, juist versterkt.

Kleine wereld

De lezer die in poëzie op zoek is naar vernieuwing in taal of vorm, is bij Bruinja niet aan het juiste adres. Deze Amsterdammer van Friese origine schijft heel degelijke gedichten, maar bijna nergens wordt het echt spannend. Op sommige momenten beginnen de poëtische beschouwingen van Bruinja's wereld, die vooral lijkt te bestaan uit zijn vrouw, boeken en televisie en die daardoor niet zo groot is, te vervelen. Bruinja lijkt door zijn wat afstandelijke analyse van wereldse gebeurtenissen zo nu en dan ver verwijderd van diezelfde wereld. Het voelt zich verheven, maar heeft niet in de gaten dat hij door die verhevenheid minder grip heeft op zijn wereld. De gedichten van Bruinja zijn zeker niet slecht, eerder wat eentonig. Uiteraard is er ook een aantal gedichten in de bundel opgenomen die zeker het lezen en herlezen waard zijn, zoals ‘graat', ‘bang voor de dood' en het al eerder genoemde ‘schuim'. 

Leuke vondsten als “ hun leven is een koelkast / waaruit je na een nacht zwaar drinken / een goed belegde boterham / vandaan tovert ” in ‘specialist op het gebied van kozijnen' en “ mijn huisgenoot is de man die adhd uitvond / een jonge en onervaren burgemeester / van zijn eigen bloedbaan ” in ‘burgemeester' fleuren de zwaar poëtische toon van de wereldbeschouwingen een beetje op, evenals het luchtige gedicht ‘cor':

“ (…)
cor heeft een gat in zijn broekzak waar de hand van zijn vriendin doorheen past
hij heeft vijf schipperstruien vijf spijkerbroeken en een paar kisten

terwijl hij met zijn harige armen
de stinkende bloemkool uit de koeling haalt
en ik de lege flessen inneem
vertelt hij over zijn vriendin
(…)”

Een aardige anekdote is dat Bruinja in december van 2004 al eens de zogenaamde Gouden Lykdoarn voor het grootste cliché in een gedicht in ontvangst mocht nemen. Toen won hij die ‘prestigieuze' prijs, die in het leven was geroepen door Doar.nl, met de zin 'soest sizze kinne / dat er yn syn muzyk wennet / je zou kunnen zeggen / dat hij in zijn muziek woont'. Als die prijs ooit nog weer eens uitgereikt wordt, dan maakt hij met een fragment uit zijn gedicht  ‘Herhaald verzoek' weer een goede kans: “ en er zijn cafés er zijn boeken / die ik open kan doen // er zijn tafels / waar mensen aan zitten ”. Het gedicht ‘In de duinen', waarin de ik-persoon “ verzand [t] in een grap ” gooit daarbij ook hoge ogen.

Mp3's

Een belangrijk aspect van poëzie is, volgens Bruinja, dat een gedicht goed klinkt. De melodie en het ritme moeten er voor zorgen dat een gedicht goed loopt en dus ook goed in elkaar zit. Wie wil controleren of de gedichten uit Bang voor de bal ook goed klinken, kan naar de website van Bruinja surfen. Daar kan men van alle gedichten een audiofile beluisteren, die Bruinja zelf op een bezwerende toon heeft ingesproken. Ook kan men daar twee mp3's terugvinden van voordrachten, met de muzikale begeleiding van Jaap van Keulen.

Bron: Farsk, maart 2003

terug naar boven


Liever geen odes, dienstregelingen!

door Arie van den Berg

In 1968 kreeg Hans Vlek zowel de Reina Prinsen Geerligsprijs als de Jan Campertprijs voor zijn derde dichtbundel Een warm hemd voor de winter. Kenmerkend voor deze bundel was dat Vlek de werkelijkheid van de straat tot poëzie maakte. Het motto vóór in de uitgave liet er geen twijfel over bestaan dat de dichter de lier van het oude vakwerk in de wilgen hing. 'Lies keine Oden, mein Sohn, lies die Fahrpläne: / sie sind genauer,' citeerde hij 'Ins Lesebuch für die Oberstufe' van Hans Magnus Enzensberger.

Ik was verrast deze anderhalve regel uit een Duitse bundel van 1957 bijna vijftig jaar later terug te vinden bij Tsead Bruinja. 'Dienst' heet het gedicht waarin hij naar Enzensberger verwijst. Het eerste couplet ervan luidt:

ik laat mij graag de wet voorschrijven door een ander
zo draagt enzensberger me op lees geen odes mijn zoon
lees de dienstregelingen die zijn secuurder
dus begeef ik me naar het dichtstbijzijnde bushok
tien over half kwart voor en een op het hele uur
onder het bord wacht een reiziger op ontbinding
zijn mond praat niet langer met zijn ontruimde hoofd
wat daar nog woont heeft vertegenwoordi- ging nodig

Van voorschrift naar bushok naar Alzheimer. Bruinja hanteert in Bang voor de bal een meanderende stijl. Zijn eigen invallen en gedachten staan niet buiten spel, maar steeds opnieuw bepaalt de werkelijkheid van alledag de richting van het gedicht. Bruinja weet daarbij wat hij doet, dus stuurt hij bij waar hij kan en benoemt hij. Afwegend soms, zoals in de regels 'er liggen betekenissen op de loer/ die dit gedicht kunnen bederven'. Soms ook kalm concluderend, zoals in 'vroeger schreef ik gedichten over mijn vader en moeder/ over opa's en oma's met een rustiek en pijnlijk verleden // nu luister ik naar mijn buurman'.

Beide citaten komen uit 'Specialist op het gebied van kozijnen'. Dit gedicht is typerend voor wat Bruinja in de 44 verzen van zijn derde bundel nastreeft. Er is zeker verwantschap met Hans Vlek anno 1968; ook in Bang voor de bal is de werkelijkheid van de straat het onderwerp van poëzie. Maar er is ook een duidelijk verschil. Sampling was voor Vlek nog een onbekend begrip. Tsead Bruinja daarentegen lijkt zich te hebben ingeprent dat het materiaal voor gedichten per definitie ongelijksoortig is. Dat hij tot tweemaal toe een citaat van F. van Dixhoorn als motto kiest, is veelzeggend. F. van Dixhoorn is immers bij uitstek een dichter van het ongelijksoortige.

Bruinja's poëzie is caleidoscopisch, maar niettemin lyrisch. Het is even wennen, al die inhoudelijke dwarspaden en kruisingen. Bruinja is ook minder introvert dan in Dat het zo hoorde (2003) en Batterij (2004), maar de regelval is nog even uitgekiend en ook nu weer klinkt er muziek in de taal. Een mooi voorbeeld daarvan is 'Jurk / Waarom wil ik met je praten?' Drie pagina's lang bezingt dit gedicht in 32 korte, opsommende coupletten de evolutie van mens en wapentuig. 'Niet iedereen droeg dezelfde huiden,' stelt de zes na laatste strofe. 'Daarom knuppel in het hok,' vervolgt Bruinja dan, 'knuppel naast de klok / pistool onder het kussen / beter gereedschap / huizen afbreken / hier begint een lied.'

Ook in Bang voor de bal zijn er weer gedichten over liefde. De vrouw van de dichter is dan meestal onderwerp, en net als in Vromans gedichten voor Tineke zindert er in Bruinja's amoureuze passages een gloedvolle warmte tussen de regels. Heel nadrukkelijk, want erotisch, is dat het geval in de eerste coupletten van 'Het geld het fruit en de familie'; zachtmoediger gloeit het slot van 'Specialist op het gebied van kozijnen':

maar mijn vrouw houdt mijn week oude nichtje op haar schoot
en ik raak er niet op uitgekeken hoe goed het haar staat

we bespreken hoe het moet met de werkkamer
hoe en waar we dan zelf moeten gaan slapen

een zucht en het kind verdwijnt uit onze gedachten
we slaan een hoek om en zoeken een goed restaurant

stiekem terwijl we al lang over iets anders praten
kijk ik naar het kindje dat niet in haar armen ligt

het ademt en het beweegt
het is er bijna

Zo lyrisch en genegen kan Bruinja zijn, maar bij tijden ook is zijn pen vlijmscherp. Op het aforistische af soms, zoals in 'Vier Henry's', dat de Nobelprijswinnaar Kissinger over de hekel haalt. 'Vier henry's liggen strak in het pak met hun buik / op een stoel door de lucht te zwemmen,' opent het. Daarna ontvouwt zich een discussie met prangende regels als 'ik neem liever een fout besluit / dan dat ik op de wijsheid wacht' en 'het universum is een onmenselijk decor / waarin men onmogelijk slachtoffer kan zijn'. Alle toonaarden zijn in Bang voor de bal vertegenwoordigd. Soms bitter, soms humoristisch. Maar steeds met een rake lijn naar wat werkelijkheid heet.

Bron: NRC, 23-03-2007

terug naar boven


'Soms zelfs bezwerend'

door Vrouwkje Tuinman

Tsead Bruinja houdt van Marillion, Peter Gabriel en Dire Straits én hij komt er gewoon voor uit. De hoofdstukken uit Bang voor de bal worden bijna allemaal ingeleid door citaten uit een meer of minder symfonisch rocknummer. Het geeft een wat epische sfeer aan zijn derde Nederlandstalige (Bruinja schrijft ook in het Fries) bundel. De dichter werkt inderdaad verhalend, soms zelfs bezwerend. Als hij het heeft over je veilig proberen te voelen, bijvoorbeeld. Of over controledwang, in een hilarisch hoofdstuk over een hondenvereniging. 'Vroeger schreef ik gedichten over mijn vader en moeder / over opa's en oma's met een rustiek en pijnlijk verleden'. Inmiddels gaat het over Bruinja's eigen tijdperk. Hij monteert beelden en stemmingen aan elkaar. Aards wordt hij als het over de liefde gaat: 'mijn vrouw houdt mijn week oude nichtje op haar schoot / en ik raak er niet op uitgekeken hoe goed het haar staat'.

Bron: La Vie en Rose, maart/april 2007

terug naar boven


Het valt niet mee!

door Hanz Mirck

Het valt niet mee, een recensie schrijven over een bundel van Bruinja. Ik nam het me voor en had er zin in, ben er enthousiast over. Maar kan ik in 300 woorden zeggen waarom? Had Bruinja daar geen rekening mee kunnen houden toe hij, om een klein voorbeeldje te noemen, het gedicht ‘specialist op het gebied van kozijnen' schreef?

‘Het regent en de specialist op het gebied van kozijnen zegt / dat het aan het werk van zijn mannen niet kan liggen / [...] vroeger schreef ik gedichten over mijn vader en moeder [...] nu luister ik naar mijn buurman [...] ik weet het // er liggen betekenissen op de loer / die dit gedicht kunen bederven [...] maar mijn vrouw houdt haar week oude nichtje op haar schoot [...]we bespreken waar we dan zelf moeten gaan slapen stiekem [...] kijk ik naar het kindje dat niet in haar armen ligt / het ademt en beweegt / het is er bijna'.

De doorkijkjes die Bruinja ons voorschotelt bieden een vergezicht zover ons oog reikt. ‘de brug zien / en hem wegdenken', klinkt als Nachoem Wijnberg's ‘een vogel waar een vogel is uitgehaald en weer in is teruggezet' maar grappiger, droger, Fries-nuchter. Het glas is doorzichtig maar ook beschreven, zoals in het titelgedicht ‘Bang voor de bal door het winkelraam' waar de ruit is vlakken is ingedeeld waar ‘bang voor de bal' een voetballer is en tegelijk de angst voor breken van het glas, een doorbraak naar het eindeloze.

Verder kom ik niet met mijn hopeloos eenduidige recensentenvocabulaire. Bruinja daarentegen schrijft prachtige muzikale en veelbetekende dingen, waarin altijd zijn gedrevenheid doorklinkt: ‘ik moet erlangs / terwijl cor vertelt over zijn vriendin [...] ik heb winkels afgezocht om mijn hoofd door zijn trui te kunnen steken [...] ik mag de tel niet kwijtraken / ik moet erlangs'. Het past mij ruim baan te maken voor Bruinja.

Bron: Krakatau, nr 43, 2007

terug naar boven


't Kind dat niet in haar armen ligt; De verwondering in de poëzie van Tsead Bruinja

door Piet Gerbrandy

Saskia zou weleens kunnen uitgroeien tot de nieuwe Tineke. Al meer dan een halve eeuw bezingt Leo Vroman zijn geliefde op een ogenschijnlijk zo onbevangen wijze, dat de lezer zich opgenomen denkt in de intimiteit tussen de dichter en zijn Muze. Catullus richtte zich publiekelijk tot Lesbia, Huygens tot zijn 'Sterre', Ter Balkt droeg menig gedicht op aan 'W.W.', maar geen dichter ging in zijn openheid zo ver als Vroman.

Getuigt dat van compromisloze eerlijkheid en authenticiteit, of is het een literaire truc? Die vraag dringt zich op bij lezing van de nieuwe bundel van Tsead Bruinja, die drie ontroerend verliefde gedichten opdraagt 'aan mijn vrouw Saskia'.

Het laatste gedicht van de bundel, waarin de dichter op een dakterras zit te lezen, eindigt met de woorden: 'mijn vrouw slaapt'. Tijdens een optreden merkte Bruinja vorig jaar op dat Saskia zich beklaagd had over het feit dat ze in zijn gedichten altijd sliep. De klacht heeft effect gehad:

op mijn laptop op de keukentafel
van het vakantiehuisje maakt
elvis zijn comeback

ik zal eens schrijven dat je niet slaapt

Het gedicht kabbelt schijnbaar achteloos voort, in een fragmentarische stijl die enigszins aan Martin Reints herinnert. Gedachten aan de geliefde versmelten met beelden van Elvis, het interieur van het huisje en flarden van het wereldnieuws: 'olie winnen uit de teerzanden/ stond er in de krant/ vanmiddag'. Na een witregel vervolgt de dichter melancholisch:

toen je niet sliep
en de wind het gelui van de klok
meenam naar een ander dorp
op dezelfde heuvel

ik zal er niet zijn als je sterft
iemand anders zal je hand vasthouden

Vanwaar die aandacht voor slaap? Bruinja is een dichter die ontspannen, ontvankelijke poëzie wil schrijven. Het is de kunst in een bewustzijnstoestand te geraken die je in staat stelt je over te geven aan wat zich voordoet, zonder direct in te grijpen met verklaringen, categorisering en uitsluiting, oordelen en plannen. Deze dichter is niet iemand die knopen doorhakt. Hij verwondert zich over de onnavolgbare windingen en laat ze liever intact.

Tegelijkertijd staat Bruinja midden in de wereld, die hij niet alleen geamuseerd, maar ook met zorg beschouwt. Zo biedt een van de gedichten een cultuurhistorische visie op het ontstaan van samenlevingen, oorlog en xenofobie: 'voordat men praten kon, werd er gezongen en omdat die zang handig bleek om te onthouden uit welke boom men het beste een goeie/ knuppel kon maken, bleef men zingen.// of: het zingen zelf bleek belangrijker dan de tekst, daarom bleef men zingen.// het hanteren van knuppels bleek belangrijker dan het praten over de knuppels.' Poëzie en agressie gaan gelijk op.

Bruinja laat zich inspireren door de wereldgeschiedenis. In twee gedichten wordt een ontluisterend beeld van Henry Kissinger geschetst: 'vier henry's liggen strak in het pak met hun buik/ op een stoel door de lucht te zwemmen'. Maar deze poëzie reageert ook verbazingwekkend snel op de actualiteit, want in 'Promodag van de hondenclub', waarin onder meer 'drie prominenten uit het hondenwereldje' figureren, lezen we ineens: 'dion graus van beesten met dion (...) kwam en deelde flyers uit/ voor een nieuwe rechtse partij'. Het gedicht wordt gevolgd door het verslag van een treurig uitstapje ('hij had de hele dag bij de infostand staan pimpelen') en een readymade over hondenrassen: 'deze kenner kan u inlichtingen geven omtrent raskenmerken'. Het pijnlijke is dat dit fragment de titel 'Sons & daughters' draagt. Impliceert voortplanting niet altijd zorgvuldige teeltkeuze? Zijn we eigenlijk allemaal diep in ons hart racistisch?

Dat Bruinja zich afvraagt of je in het huidige tijdsgewricht kinderen op de wereld moet zetten, blijkt uit verscheidene verwijzingen naar vaderschap. Sommige strofen zijn van een dermate kwetsbare tederheid, dat de lezer zich blozend afvraagt of hij zijn blik niet moet afwenden: 'maar mijn vrouw houdt mijn week oude nichtje op haar schoot/ en ik raak er niet op uitgekeken hoe het haar staat// we bespreken hoe het moet met de werkkamer/ hoe en waar we dan zelf moeten gaan slapen'. Het gedicht eindigt zo:

stiekem terwijl we al lang over iets anders praten
kijk ik naar het kindje dat niet in haar armen ligt

het ademt en het beweegt
het is er bijna

Heel poëzieminnend Nederland zit zich het komend jaar af te vragen: wordt het een jongen of een meisje? Slaap wel, Saskia. Piet Gerbrandy

Bron: De Volkskrant, 23-02-2007

terug naar boven


De werkelijkheid bezweren

door Remco Ekkers

Is Tsead Bruinja voor de Randstad-provincialen (zij verlaten immers zelden hun provincie en spreken alleen huiverend over het Hoge Noorden) een exotische figuur? De boerenjongen die eerst opgroeit in het onvoorstelbaar lege en nachtelijk donkere landschap van Rinsumageest en later als puber in Kollum en die ondanks de dorpse omgeving veel weet van de muziek van zijn generatie en die dan ook nog als nerd een progressieve en geavanceerde smaak blijkt te hebben - moet zo'n jongen niet op hun verbeelding werken?

Na zijn studie Engels in Groningen, die hij al gauw verving voor het organiseren van dichtersbijeenkomsten, het optreden met en publiceren van Friese en Nederlandse poëzie, gaat hij in Amsterdam wonen en blijkt daar wonderwel zijn plek te vinden. Enerzijds een Einzelgänger, anderzijds een krachtige en zelfbewuste organisator, enerzijds charmant, anderzijds een Draufgänger. Is dat het geheim van het succes van de dichter? De juiste man op de juiste plaats op het juiste moment? Hij kan weergaloos goed netwerken. Als hij ergens optreedt, weet via een piramide-actie op internet iedere geïnteresseerde het binnen een paar dagen.

Er moet meer zijn. Zijn gedichten hebben de kwaliteit die bij zijn positie past. In zijn nieuwe bundel 'Bang voor de bal' staan weer vele soorten gedichten: felle, tedere, politieke, droog-humoristische en treffende ready-mades, en altijd gekenmerkt door sprongen.

Een teder voorbeeld,het tweede deel van specialist op het gebied van kozijnen:

ik weet het

er liggen betekenissen op de loer
die dit gedicht kunnen bederven

ergens zingt iemand

kom niet samen
kom niet samen

drijf een wig

maar mijn vrouw houdt mijn week oude nichtje op haar schoot
en ik raak er niet op uitgekeken hoe goed het haar staat

we bespreken hoe het moet met de werkkamer
hoe en waar we zelf dan moeten gaan slapen

een zucht en het kind verdwijnt uit onze gedachten
we slaan een hoek om en zoeken een goed restaurant

stiekem terwijl we al lang over iets anders praten
kijk ik naar het kindje dat niet in haar armen ligt

het ademt en het beweegt
het is er bijna

Welke betekenissen zouden dit gedicht kunnen bederven? Misschien moet je dat niet expliciet maken, omdat het dan sentimenteel wordt.

De dichter houdt niet van overbodigheid, hij wil niet alles uit leggen. De lezer moet maar met hem meespringen. Hij houdt wel van prikkelende vragen of observaties en het is dan ook geen toeval dat een aantal gedichten begint met een motto van F.van Dixhoorn, de dichter van de ultra korte regeltjes:  'Wat is lekker / bij wat'. Daar kun je een wereld bij verzinnen en dat is denk ik ook wat Tsead Bruinja van ons wil. De lezer moet aan het werk met zijn' teksten.

De titel van de bundel, 'Bang voor de bal', lijkt in het titelgedicht te gaan werken als eigennaam. Wie is er aan de deur? Bang-voor-de-bal. En die persoon is iemand die wel bang is, maar er op afgaat. Een stap verder en je denkt dat het een naam is voor de dichter, als je je maar goed realiseert dat het schrijven van gedichten voor hem een manier is om zijn angst voor de werkelijkheid te bezweren.

Bron: Leeuwarder Courant, 16-02-2007

terug naar boven


Gevoel op afstand houden

door Wilma van den Akker

Dichter en criticus Piet Gerbrandy zei in een interview in Awater (zomer 2005) onder andere: 'Een dichter moet iets te vertellen hebben' en: 'Als het niet gaat over hoe ingewikkeld het leven is, hoeft het voor mij niet.' Dat is natuurlijk maar één mening over poëzie, maar wel een mening waarin ik mij kan vinden. Poëzie die raakt, daar schemert de worsteling doorheen, die roept beelden en gedachten op, waar de lezer zelf nog een tijdje op kan 'kauwen', zonder dat er meteen een pasklaar antwoord op een grote vraag uit rolt. Een andere mogelijkheid is dat het spel met klank en taal zo virtuoos is, dat inhoud en betekenis minder belangrijk worden. Dan valt er op een ander niveau te genieten.

Tsead Bruinja's taalgebruik is niet uitzonderlijk virtuoos, daar moet hij het niet van hebben. Hij schrijft ook in het Fries, daar ligt dat misschien anders, maar het is mij niet gegeven om daar een uitspraak over te doen. In zijn nieuwste bundel Bang voor de bal, die in het Nederlands werd uitgegeven, trof ik vooral observaties en bespiegelingen. Bruinja denkt veel:

(fragment)

denk aan helden in films
hoe je ze niet in een mens
bij elkaar kunt brengen

denk aan hoe een kalf
sabbelt op je vingers
en het slobberen veraf klinkt

(uit: 'Huis aan de kade')

In het gedicht 'Graat' is sprake van wegdenken, weg denken en bedenken. Het komt mij voor dat Bruinja door middel van denken en dichten gevoelens op afstand probeert te houden. Meestal dan, want het (nog) niet bestaande kindje in 'Specialist op het gebied van kozijnen' roept welhaast sentimentele gevoelens op.

(fragment)

stiekem terwijl we al lang over iets anders praten
kijk ik naar het kindje dat niet in haar armen ligt

het ademt en het beweegt
het is er bijna


Maar in het gedicht waaraan de bundel zijn titel ontleende, 'Bang voor de bal door het winkelraam', zegt de dichter: hij dirigeert / zijn angst / naar een deur / verderop. En dat lijkt hij vaak te doen. Hij heeft het afstandelijk over 'mijn huisgenoot' en 'mijn vrouw' en trekt denkbeeldige, beschermende cirkels, bijvoorbeeld in:

een kring van snippers ligt
als een papieren grens om hen heen
te wachten op de wind

(uit: 'Waakhonden')

Humor dan? Dat is ook een manier om te raken, maar:

(fragment)

zo waren er drie prominenten uit het hondenwereldje

geert de bolster gedragstherapeut bekend van vinger aan de poot op vtm
ann de graaf instructeur dog frisbee
en mia van den bulcke van friendly with dogs

(uit: 'Promogdag van de hondenclub')

doet de mondhoeken slechts flauwtjes opkrullen. Dan lees ik toch liever 'Een benauwde dag', dat als volgt begint:

de grond wordt op de aarde
gedrukt als een boodschap
op het hart

de lucht achter de bomen
loopt vast

(…)

Hier slaagt Bruinja erin om een beklemmend gevoel op te roepen. Dat mag hij vaker doen, wat mij betreft, het gevoel wat dichterbij laten komen. Al kan hij er niet altijd de vinger op leggen, want dat is niet nodig om geraakt te worden door poëzie.

SCHAMPSCHOT

net niet spook niet geest in eigen mysterie
net iets gevoeld waar ik nu geen vinger op kan leggen
geen spook wel naam en merk maar vergeten
net nog rook

nat lam dat in een muffe kamer
zijn dagen turft pent

er is daadwerkelijk groei zonder lijden
(…)


Zou het werkelijk? Of is dat wat de dichter graag wenst: groeien zonder pijn, zonder akelige gevoelens, zoals angst?

Bron: http://meander.italics.net/recensies/recensie.php?txt=3244, februari, 2007


terug naar boven


Een heldere mix is van nostalgie, autobiografische elementen en vernuftige taalvondsten

door Ronnie Terpstra van Boekhandel van der Velde te Leeuwarden

vader die niet goed kon melken vroeg op en droeg kalm
zijn arbeiders op wat te doen eindeloos was zijn vindingrijkheid zijn machine
kon tegelijk klappen en rooien totdat mijn tere en bleke zus
is na haar brandwonden rustiger geworden en het zou een gemiste kans zijn
de subtiele verschuivingen in haar karakter ongebruikt en onbenut te laten
men wil het pand tijdens de brand zien niet het krot erna

(fragment uit: KOPPELBAAS)

Een gespreide hand drukt tegen een door regen vochtig geworden raam. Dichtbij en toch ver weg. Deze afbeelding siert de nieuwe bundel van Tsead Bruinja; Bang voor de bal. Nog geen woord heb je gelezen maar de toon is gezet. Prachtige bundel waarin 44 gedichten in 6 clusters zijn onderverdeeld. Alle titels zijn met kapitalen geschreven maar de gedichten zelf bevatten geen hoofdletters. Hierdoor wordt je gedwongen, vooral bij de stukken met lange regels, elk woord te wegen om de context te vangen. Gevolg? Intens leesgedrag met prettige bijwerkingen.

Ik ga me niet wagen aan het duiden van de inhoud, want Bruinja zelf schrijft op pagina 13: er liggen betekenissen op de loer/die dit gedicht kunnen bederven . Wat ik wel kan zeggen is dat deze bundel een heldere mix is van nostalgie, autobiografische elementen en vernuftige taalvondsten.

Nog even terug naar de foto op het omslag. Al die druppels glijden naar beneden en vormen weer een geheel. Net zoals de gedichten in deze bundel.

de componist op de camping werkt aan zijn vakantie
hij dirigeert zijn angst naar een deur verderop

Bron: http://www.boekhandelvandervelde.nl/


terug naar boven



Bang voor de bal

door Fleur Speet

Tsead Bruinja maakt furore. Eerst in het Fries, nu in het Nederlands. Ieder gedicht lijkt een miniroman, waar bijna steeds de wind van het platteland doorheen waait. Fris gras, daarnaar ruikt deze bundel. Bruinja gaat het experiment aan, gebruikt een winkelraam als letterlijk kader, zet muziekteksten in of ironiseert een vacature. Maar hij doet dit alles op een volstrekt volwassen, beheerste manier. Alsof hij is thuisgekomen in zijn eigen poëzie. Met prachtige oneliners als: ‘ik lig onder mijn vrouw te zwoegen als een man van karton'.

Bron: Het Financieele Dagblad, 27-01-2007

terug naar boven


Boek van de week - Tsead Bruinja, Bang voor de bal

door Karien Hilbers, eigenaar Eerste Bergensche Boekhandel

Op 9 januari 2007 verscheen de nieuwe bundel van de Fries/Nederlandse dichter Tsead Bruinja, Bang voor de bal . Zijn derde Nederlandse - hij schreef ook vier Friese bundels - en wat mij betreft is deze nog weer mooier dan de vorige.


Niet dat na lezing alles glashelder is, er blijven genoeg raadsels over. Maar een duidelijke boodschap is ook niet wat de dichter beoogt: Ik weet het / er liggen betekenissen op de loer / die dit gedicht kunnen bederven , schrijft hij in het gedicht Specialist op het gebied van kozijnen . De betekenis bevindt zich daarom net om de hoek, steeds als je meent haar te kunnen grijpen, ontglipt ze je. Dat neemt niet weg dat er veel te beleven en te genieten valt. Humor, maar ook ontroering en zelfs romantiek is deze poëzie niet vreemd. In het gedicht In de duinen zegt de dichter: ik vraag het publiek of ze een romantisch / of een geëngageerd gedicht willen horen en even later: iemand roept / romantisch. Een voorbeeld van een indrukwekkend romantisch gedicht is Herhaald verzoek . Ik citeer de mooie slotregels:

en ik heb de meest waardeloze knieën // en ik vraag je // elke ochtend dat jij je ogen opendoet / om de wereld nieuw te maken // vraag ik je weer

Deze poëzie ontroert, verfrist, verwart, irriteert en maakt je aan het lachen. Het is een persoonlijke bundel, in die zin dat de dichter zijn stof haalt uit zijn directe omgeving, de dingen die hem bezighouden. En daarmee zijn Bruinja's gedichten net zo divers als hij zelf. Een dag in de duinen bij Egmond, Henry Kissinger, de ziekte van Alzheimer, een hotelbad, waakhonden en beveiliging, Oprah, vader, vrouw, kind, liefde en dood. Regelmatig haken de afzonderlijke gedichten op elkaar in, doordat de slotregels van het ene gedicht aansluiten op de beginregels van het volgende, of omdat woorden en beelden zich herhalen. Ook de vorm van deze poëzie is grillig. Er zijn korte en lange gedichten, sommige zijn bijna prozastukjes, soms zijn ze klankrijk en zangerig, andere klinken als spreektaal en zijn anekdotisch en soms lijken ze door ritme en herhaling wel songteksten. Maar altijd is de toon oprecht en geloofwaardig. Heel spaarzaam gaat Bruinja om met komma's en punten, waardoor je als lezer wel eens twijfelt aan wat de juiste lezing is. Dat wordt overigens verduidelijkt door zijn fantastische voordracht. Op zijn website ( www.tseadbruinja.nl ) is de poëzie van Tsead Bruinja te lezen en te beluisteren, zowel met als zonder muziek en een enkele keer met beeld.

Laat deze dichter nog maar veel meer breken en bouwen aan zijn universum:

daarom knuppel in het hok
knuppel naast de klok

pistool onder het kussen

beter gereedschap
huizen afbreken

hier begint een lied

(Bron: Noord-Hollands Dagblad, 02-02-2007)

terug naar boven


Gedichten te koop

door Edwin Fagel

Wie bang is voor de bal, staat langs de kantlijn. Die is het sukkeltje, die telt niet mee. Wie bang is voor de bal en toch mee wil doen, moet zijn angst overwinnen. De derde Nederlandstalige bundel van Tsead Bruinja heet niet voor niets Bang voor de bal . Het titelgedicht ‘Bang voor de bal door het winkelraam' beschrijft op een associatieve manier hoe de angst wordt overwonnen.

De regels bevinden zich in een aantal rechthoeken, en de angst is gepersonifieerd:

met wie/met bang voor de bal

Per vlak, lijkt het, wordt een stadium doorlopen, met de angst als beginpunt:

vanaf het einde van deze straat
kruipt onder de stenen door
aan een zijden draadje
mijn zin om te spelen

via een componist die zijn angst naar een deur verderop dirigeert, tot aan ‘bang voor de bal' die opstaat:

krulspelden stoppelvelden mollenhopen dauw
bang voor de bal schopt

(p. 16)

Ik ben geneigd de eigenaardige typografie uit te leggen als een letterlijke uitbeelding van een winkelraam, een etalage wellicht: het overwinnen van de angst vindt op deze manier in alle openbaarheid plaats en wordt tegelijkertijd te koop aangeboden. Een vrij accurate omschrijving van de bezigheden van een dichter.

Sinds Tsead Bruinja in 2000 debuteerde met de Friestalige bundel De wizers yn it read/ De wijzers in het rood , volgde bijna per jaar een nieuwe bundel; zijn Nederlandstalige debuut Dat het zo hoorde verscheen in 2003, in 2004 gevolgd door Batterij . Verder maakte hij naam als performer, bloemlezer en recensent. De dichter Bruinja is te typeren als een dichter die regelmatig zeer sterk uit de hoek komt, met ‘evergreens' als ‘ik zei ik zie de roos als wrak in aanbouw' of de fraaie titel ‘gras dat alvast lacht' (waar ook een fraai gedicht bij hoort). Maar deze sterke momenten werden vaak afgewisseld met zwakke regels, niet goed uitgewerkte beelden, gemakzuchtige woordkeuzes, kortom, met gedichten die sterk de indruk maakten nog niet af te zijn. In Bang voor de bal toont Bruinja aan als dichter gerijpt te zijn: de bundel bevat in tegenstelling tot de voorgangers geen ‘halve' gedichten.

Opvallend aan de bundel is met name de gevarieerdheid ervan. Bruinja schrijft lange, verhalende gedichten, waarbij de dichter onbekommerd aan de praat raakt:

tijdens het voorlezen in de duinen wordt elly de waard
na afloop van haar voordracht door een opdringerige grijsaard
met een oranje rugzak waarop ravetechno gedrukt staat gevraagd
of zij elly de waard ook kent en of er ooit nog een jaarbrief
van het chr. j. van geel genootschap zal verschijnen

(Uit: ‘In de duinen', p. 52-53)

Maar net zo goed schrijft Bruinja korte, staccato regels waar het hele verhaal in wordt samengebald:

de lucht achter de bomen
loopt vast

(Uit: ‘Een benauwde dag', p. 60)

Soms zelfs wordt de regel gereduceerd tot een aantal kreten:

geplaatst door grom…snavel
10:34 ::er zijn twee reacties :: meezingen

(Uit: ‘Pelikanenbek', p. 21-22)

Bruinja is soms op het sentimentele af lyrisch:

maar mijn vrouw houdt mijn week oude nichtje op haar schoot
en ik raak er niet op uitgekeken hoe goed het haar staat

(Uit: ‘Specialist op het gebied van kozijnen', p. 12-13)

Maar net zo goed schrijft hij cynische regels over Henry Kissinger:

hij kent zeker twintigduizend man
die zijn sprookjesboek nooit zullen lezen

die van die en die en die en die
die de rails die zijn grootvader legde
nooit meer zal kussen

wiens huid weg te rotten ligt
in het land van de spleetoog bijvoorbeeld

(Uit: ‘Een sinaasappel voor Henry', p. 38)

En dan laat ik de quasi-zakelijke gedichten nog buiten beschouwing, waarin bijvoorbeeld de promodag van de hondenclub wordt geëvalueerd.

Deze veelheid aan registers is de kracht van Bruinja, die in deze nieuwe bundel sterker dan tevoren tot uiting komt. De bundel vereist dan ook verschillende manieren van lezen. Dat kan niet anders, de meer verhalende gedichten vereisen nu eenmaal een andere leeshouding dan de gedichten waarbij het de dichter vooral te doen is om de verschillende beelden te laten wringen. Maar de ‘talige' gedichten, waarbij het de dichter met name gaat om het spel met klanken en betekenissen (en waarbij soms de samenhang van de woorden in een regel niet logisch is) vereist weer een ander oog van de lezer.

Deze virtuositeit is wat deze bundel zo goed maakt. Keerzijde daarvan is dat de bundel als geheel richting mist. In het bonte geheel van geëngageerde, romantische, speelse, ironische, cynische en uitbundige gedichten is het moeilijk te onderscheiden wat waarbij hoort, waar het de dichter ernst is en waar je zijn beweringen met een korreltje zout moet nemen. Wat bedoelt hij bijvoorbeeld met zijn opmerking over Dion Graus van de Partij voor de Vrijheid, wat doet Oprah Winfrey in deze bundel en vanwaar de felle aanval op Henry Kissinger, terwijl een aanval op zijn opvolgers wellicht meer voor de hand zou liggen?

Maar dat kan niet anders bij een dichter als Bruinja. Bang voor de bal is te zien als een primair verslag dat de dichter doet van zijn leven, zijn indrukken van de buitenwereld en zijn reactie daar op. Met alle (stemmings)wisselingen kon dit niet anders dan een barokke bundel worden, waarin de lezer op de voet kan volgen hoe de dichter de buitenwereld ervaart. Hij reageert niet altijd even beredeneerd, integendeel, en hij weet ook niet hoe het allemaal beter zou moeten. Maar hij doet minutieus verslag van de manier waarop hij de beangstigende buitenwereld probeert te bedwingen. En dit alles doet hij in alle openbaarheid en biedt hij vervolgens te koop aan. We mogen ons er gelukkig om prijzen.

bron: www.derecensent.nl

terug naar boven


Specialist in kozijnen

Door Henk Blanken

N et een oude buizenradio, die poëzie van Tsead Bruinja. Groenig verlichte schaal, schuifje dat opzij draait langs onbestemde plaatsen, gekraak en af en toe een zin. Op zichzelf niet onbegrijpelijk, maar naast elkaar gezet krijgen die losse woorden iets betoverends.

Bang voor de bal is de derde Nederlandstalige bundel van Bruinja. Een tikje vreemde poëzie is het, ogenschijnlijk lukraak associërend. Zin voor zin helder, maar als compleet gedicht raadselachtig: waar hééft-ie het over? Bij elkaar een bundel waarvan je hooguit min of meer kunt zeggen wat het onderwerp is.

Dat is niet erg. Bruinja is met zijn verhaaltjes tegelijk heel precies. Hij weet wat het effect is van zijn zappende poëzie. Het ontregelt, roept beelden op die niet bij elkaar horen, morrelt aan wat we weten. En dat werkt omdat Bruinja een vakman is.

Hij heeft een feilloos gevoel voor treffende associaties: ”dan stopt de plaat / alle ingewanden / vallen uit het lied”. Geen idee wat hij er precies mee bedoelt, maar des te meer 'voel' je wat er allicht gezegd moest worden.

Neem dit curieuze begin: ”iemand sprak hem aan en de aap lachte minzaam voordat hij / iets terugzei minzaam alsof hij een marmot aan fred oster gaf”. Het laat zien hoe achteloos Bruinja spreektaal gebruikt, hoe hij komma's weglaat om de lezer te laten struikelen over twee betekenissen, en hoe muzikaal hij is.

Bruinja heeft eens gezegd dat het belangrijk is dat zijn poëzie gaat zingen. Dat lees je dan ook. Misschien komt dat van het Fries, zijn eerste taal, de taal waarin men hem het liefst hoort voorlezen – voor wie geen Fries is, zangerige raadseltaal.

In deze bundel is Bruinja wereldser dan voorheen. Hij noemt het ergens prettig omslachtig ”specialist op het gebied van kozijnen”, de vakman die aan het raamwerk tussen 'binnen' en buiten' sleutelt. In zijn gedichten komt Oprah voor, een aanslag in Israël, Bill Gates, Dion Graus, en ook een paar lekker lelijke woorden als ledenwerving en bedrijfswagen.

Vaak leidt dat tot lelijke geëngageerde gedichten, maar niet hier. Omdat het niet opdringerig is, en Bruinja op straat gevonden taal (”in sommige winkels lijkt het altijd opruiming”) onbekommerd naast poëtisch idioom zet: ”ze ziet me/en mijn hart begint te knielen”.

Bruinja is een van de opvallendste dichters van een generatie waartoe ook pakweg Menno Wigman, Vrouwkje Tuinman, Mark Boog en Albertina Soepboer behoren. Een volstrekt eigen geluid en zo geraffineerd dat je na de laatste regel – ”mijn vrouw slaapt”; dus dáár ging het eigenlijk over – denkt dat er een illusionist aan het werk was.

bron: Dagblad van het Noorden, 19-01-2007

terug naar boven


Soms loopt zijn werk van de rails

Tsead Bruinja (1974) publiceert poezie in het Fries en in het Nederlands. Onlangs verscheen zijn tweede Nederlandstalige bundel ''Batterij'', nog maar een jaar na zijn debuut. Bruinja lijkt zich niks aan te trekken van de Nederlandse gewoonte om eens in de drie vier jaar een bundel te publiceren. Hij pakt het meteen groot aan, want naast deze bundel publiceerde hij dit jaar ook nog een grote bloemlezing uit het werk van hedendaagse Friese dichters: ''Droom in blauwe regenjas''*. En daarnaast was hij zelfs te bewonderen op MTV, in een zogenaamde Art Chunk, een korte kunstclip. Zijn gedichten, want daar gaat het hier om, zijn van een al even exuberante veelheid als zijn productie. Soms loopt zijn werk daarom van de rails, maar wie regels kan schrijven als 'de stilte in mijn oude handel / zingt een groeiende beurtzang' verdient sowieso meer dan het predikaat veelbelovend. Alles bij elkaar redenen genoeg om Bruinja te blijven volgen, om te zien hoe hij zich als dichter ontwikkelt.

(Biblion recensie, Redactie)

terug naar boven


DICHTERSALFABET: De B van Bruinja

door Jeroen Mettes

Scroll naar beneden voor een beetje poëzie. Ik ben nog niet helemaal klaar met heel erg boos zijn.

Het water daalt en meer en meer shit komt aan het licht. Niet alleen wat gebeurd is, maar ook wat nu gebeurt wordt steeds pijnlijker. Barbara Bush meent dat de mensen in het Astrodome maar boffen met het gastvrije Texas, want "[they] were underprivileged anyway". Ja, dat woord gebruikte ze. Anyway. Maar bovenal: underprivileged. Dat is geen neutraal sociologische term. Want wie deelt ook al weer de privileges uit? Ik zou zeggen: de geprivilegeerden. Maar de Grand Oil'd Lady zou misschien antwoorden: "God." De typische mix van autoritair cynisme en religiositeit van de Bush dynastie blijft verbazen. Nee, fascisme is het niet. Cowboy absolutisme?

Het NRC: Eén gevolg werd de afgelopen week zichtbaar: blanke en welgestelde zwarte Amerikanen bleken geen idee te hebben hoe hun zwarte landgenoten aan de onderkant leven.

Het NRC onderschat, zoals gebruikelijk, de hogeropgeleiden. Natuurlijk hadden ze een idee. Hun kinderen luisteren naar rappers die het gettoleven romantiseren maar allerminst gezelliger voor doen komen dan het is; en het zal de welgestelden toch wel eens opgevallen zijn dat hun heggenknippers en schoenenpoetsers latino of zwart zijn? Maar misschien bleef het daar bij: een idee -- noodzakelijk vaag, want het leven aan "de onderkant" voltrekt zich overal en voortdurend. Nu zien de welgestelden hun idee, d.i. hun verantwoordelijkheid, geconcretiseerd in een beeld, d.w.z. een heel arsenaal aan beelden, en één symbool: het verdwenen New Orleans.

Dat is een machtig symbool en interessant om te vergelijken met dat van "11 september". Het laatste is een plaatje, een gruwelijk elegante voorstelling (twee rechthoeken; twee rechthoeken verdwenen). De voorstelling dringt zich op aan de toeschouwer, maar is niettemin onmiddellijk voor-stelling: het beeld staat tegenover de toeschouwer. Nog voor we konden denken over aanleiding en gevolgen, was het beeld al compleet. Af. Klaar voor een succesvol rouwproces. Het succes van rouw, volgens Freud, ligt in het nemen van afstand tot het verloren object, in voor-stelling. In die zin was "11 september" een catastrofe die zijn eigen rouwproces in gang zette, zijn eigen ritualisering. Daarom kon het beeld onmiddellijk aangegrepen worden als rechtvaardiging. Wie dacht niet bij het zien van de beelden van de instortende torens: "Dit wordt oorlog"? Natuurlijk werd het oorlog. Maar nu... Wat kunnen we denken, verwachten?

Nu hebben we te maken met een ramp zonder voorstelling. Veel, te veel beelden, maar de ramp in zijn geheel is niet te vangen in één beeld. De catastrofe strekt zich uit in de tijd; de catastrofe is de tijd zelf, de tijd tussen de doorbraak van de dijken en het begin van de reddingsacties. De tijd tussen de Middle Passage en nu?

Er is één symbool maar dat is geen voorstelling. Het staat niet tegenover de toeschouwer, het dringt zich niet op, maar dringt binnen, nestelt zich als een zwarte vogel in het sociale lichaam. De onvoorstelbaarheid van het te laat komen, van de stad verdwenen onder de zeespiegel: dit is een onvoorstelbaarheid die alleen maar geïnternaliseerd kan worden, om psychoanalytisch jargon te gebruiken. Tegenover rouw staat melancholie. Rouw is geëxternaliseerde woede ("verwerkte" woede); melancholie is geïnternaliseerde woede ("onverwerkt"). Die woede keert zich uiteindelijk tegen zichzelf.

Tsead Bruinja is niet zoveel ouder dan ik. Ik herken "de lekkere wijven van veronica", de "dorst van ron brandsteder en het cito-toets cement", de "horde hese kakstudentes"; hij draag een gedicht op aan Falco en Falco's klassieker "Jeanny". Maar het interesseert me niets. Minder als generatiegenoot dan als lezer herken ik het lettertype en de dikgedrukte tekst zonder hoofdletters en lettertekens. Bruinja is een gedomesticeerde Lucebert. Die kleurt beter bij het meubilair in de huiskamer van mijn goede smaak dan de getalpaïseerde Lucebert van Pfeijffer (Vlamingen en ballingen: verhef u middels deze link), maar ik kom niet graag in die kamer. Goede smaak heeft een slecht geweten. Ik ben van plan die kamer vol te hangen met foto's van lijken.

Ik zie talent, maar niets bijzonders. Nee, wacht. Ik zie een bijzonder talent om op een talent te lijken. Geen enkele regel in Batterij (Contact, 2004) is het waard uit het hoofd te leren of te bewaren voor een hypothetisch nageslacht. Maar elke regel leest als officiële poëzie. Iedereen houdt dan ook van hem, en hij houdt van iedereen.

Tegelijk denk ik: een talent is een talent. En als ik het mis heb, geef ik de schuld aan Barbara Bush.

posted by Jeroen Mettes at dinsdag, september 06, 2005

Bron: http://n30.nl/poezienotities

Reacties op dit stuk op de Contrabas (http://www.decontrabas.com/)

Bruinja lijkt me helemaal niet zo'n straatvechter. Integendeel. Volgens mij heeft die jongen geen rancuneus bot in zijn lijf, om maar eens een aardig anglicisme in de strijd te gooien.

Geplaatst door: Catharina Blaauwendraad | 7-9-05

Wie iemand zo afbrandt als Mettes doet, mag toch wel met wat meer Analyse, Argumenten, Onderbouwing en Voorbeelden komen dan hij daar presenteert, geen namelijk.

Geplaatst door: Abe | 7-9-05

Schrijft Oscar van Gelderen nu onder het pseudoniem van Jeroen Mettes?

Geplaatst door: Fred Papenhove | 7-9-05

"Ik zie talent, maar niets bijzonders. Nee, wacht. Ik zie een bijzonder talent om op een talent te lijken." Slap geouwehoer, inderdaad.

Bruinja profileert zich vooral goed, van de Friese treurwilg die ik ooit eens in een documentaire op de Nederlandse tv zag tot een jongen die overal waar het woordje poëzie wordt uitgesproken aanwezig is, of meer nog, een vinger in de pap te brokkelen heeft. Zo lijkt het mij toch, vanuit het verre Vlaanderen. Wie overal aanwezig is, heeft veel literaire vrienden en weinig negatieve recensies.

Hiermee heb ik nu nog niks gezegd over zijn poëzie en dat zal ik ook niet doen zonder grondige kennis van zaken. Ik heb 'Batterij' nog niet gelezen, bedoel ik. Maar dat komt nog wel.

Ik wou dat ik zo'n website had als de zijne. Als je goed zoekt, vind je er nog ergens een recensie van mij over zijn, ik geloof, derde laatste bundel.

Geplaatst door: Philip Hoorne | 7-9-05

(bron: http://www.decontrabas.com)



DICHTERSALFABET: Meer B van Bruinja


Een gedicht van Tsead Bruinja. Het heet "VAN TWEE KUSSENDE RUGGEN":

toen ze me vond moest ze weg
en toen ze weg moest hing ze op

mijn huis staat propvol telefoons
op het laatste toestel de haak

geen abonnement wordt betaald
geen schuldeiser sluit af

haar rug was de mond die kuste me
haar bed was de boot voor het spel

ons ondergoed danste in zwart

zelfde machine negentig graden
aan een roestig rekje hing onze was

een markt is de liefde niet
praat met de rente en tel

Het (letterlijk) centrale beeld van de kussende ruggen kan als volgt worden gelezen: een intieme houding -- spreekwoordelijk een kus --, die tegelijk ook afstand uitdrukt; als de neuzen niet per se in tegengestelde richting wijzen, dan is oogcontact toch praktisch onmogelijk.

De ambiguïteit tussen intimiteit en afstand beheerst vanaf de eerste strofe het gedicht.

In de eerste regel wordt een vondst onmiddellijk gevolgd door een vertrek: "toen ze me vond moest ze weg". De tweede regel associeert verder op de eerste: de daad wordt bij het woord gevoegd, maar verder voegt de regel niet veel toe. Wel loopt hij vooruit op de telefoons in de volgende strofe. De telefoon is op zichzelf al aardig ambigu: ze brengt de stem nabij, maar impliceert lichamelijke afstand. Bovendien ligt ondanks een huis vol communicatiemiddelen uiteindelijk de hoorn op de haak. De spreker wil wel, hij wil misschien zelfs wanhopig, maar iets frustreert zijn verlangen naar contact. In de eerste strofe is het de vrouw die elders verplichtingen had; maar in de tweede en derde strofe wordt de reden van zijn frustratie dichter bij huis gezocht. Waarom ligt de hoorn op de haak? Waarom worden de abonnementen niet betaald? Desondanks behoudt hij zijn kannalen naar de buitenwereld: "geen schuldeiser sluit af".

Die schuld kan ongetwijfeld ook psychologisch gelezen worden. Dat brengt ons terug bij de vraag wie verantwoordelijk is voor het huidige gebrek: hij of zij? Het antwoord blijft voorlopig uit.

De vierde en vijfde strofe zijn net als de eerste in de verleden tijd geschreven. Niet toevallig betreffen alledrie een samenzijn van de spreker met de geliefde, een samenzijn dat inmiddels evident gediscontinueerd is. Maar

haar rug was de mond die kuste me
haar bed was de boot voor het spel

ons ondergoed danste in zwart

zijn een stuk idyllischer in toon dan de eerste regels van het gedicht, al is het maar omdat we voor het eerst lichamelijke intimiteit te zien krijgen. Op de ambiguïteit van de kussende ruggen heb ik al gewezen, maar "haar bed was de boot voor het spel // ons ondergoed danste in zwart" zijn de minst ambivalente regels van het gedicht, zelfs als we in "zwart" vooral een rouwkleur willen herkennen. Ik ben geen aanhanger van de "hoe ambivalenter, hoe beter" poëtica, maar het is opvallend dat ik dit net de twee slechtste regels vindt in "VAN TWEE KUSSENDE RUGGEN". Ik begrijp werkelijk niet waarom "ons ondergoed danste zwart" een vrijstaande regel is. Hij is niet buitengewoon lelijk, maar het beeld grenst aan erotische kitsch. (En "haar bed was de boot voor het spel" is niet veel beter; of ben ik een puritein?) De functie van de regel is misschien om een climax te suggereren -- een hoogtepunt van samenzijn --, maar dat mislukt door het slappe beeld.

Daardoor mislukt ook de antithese, de geplande anticlimax, van de volgende strofe. Want we draaien negentig graden, en het dansende ondergoed zit nu in een grondig reinigende wasmachine. Dan: de troosteloosheid van de natte kleren, een objectief correlaat van de post-coïtale lijven. "Post coitum omne animal triste est," zeggen we dan.

In de laatste strofe keert het schuldmotief terug, of liever gezegd: de financiële metafoor voor menselijke relaties. De gelijkenis wordt ontkend ("een markt is de liefde niet"), maar tegelijk bevestigd. Tenminste, volgens deze definitie is de amoureuze relatie, zoals in het voorgaande beschreven, helemaal geen liefde. Nu horen we in "ruggen" ook de duizendjes. De vergelijking van menselijke (mis)communicatie met de onpersoonlijkheid van een financiële transactie is niet onconventioneel. Het is een beeld van de erfzonde, van schaamte t.a.v. een wereld waarin prostitutie de norm is, en aardse liefde nooit onschuldig. De verantwoordelijkheid voor de mislukte ontmoeting ligt dus minder bij één van de personages dan dat zij een universele toestand is. De moraal van het verhaal komt vanzelfsprekend in de laatste regel, een trieste les: "praat met de rente en tel".

De beweging die zich in "VAN TWEE KUSSENDE RUGGEN" voltrekt: associëren in de richting van een moraal.

Die moraal is volgens mij niet typisch voor Batterij , maar ik heb wel de indruk dat de associaties vooral een dienende functie hebben; ze staan in dienst van een idee, een verhaal, een centraal beeld, etc. Of Bruinja bij het schrijven vertrekt vanuit dat centrum of er al associërend bij uitkomt doet er niet toe; de lezer volgt hoe dan ook het laatste parcours. Poëtische domesticatie = het temmen van de immanent productieve (en destructieve) kracht van de taal d.m.v. een transcendent, extra-talig fetisjobject.



terug naar boven


Houdbaar

door Wytske Visser

Poëzie heeft meestal niet een erg groot publiek. Dichters of poëzieliefhebbers kunnen niet genoeg benadrukken dat er meer belangstelling zou moeten komen voor poëzie, zoals Tsead Bruinja (1974) ook schrijft in de inleiding op Droom in blauwe regenjas . Dit geldt niet alleen voor Friese poëzie. Ook met zijn nieuwe bundel Batterij probeert Bruinja een bepaald publiek te bereiken. De strakke vormgeving van de bundel nodigt zeker uit tot lezen.

Hoewel Bruinja zijn bundel in vier delen heeft verdeeld en van titels heeft voorzien, is het lastig een eenheid te zien in de bundel. De gedichten gaan over erg veel verschillende onderwerpen. De titel is wat dat betreft ook niet erg verhelderend, omdat er niet veel 'elektriciteit' is. Een van de weinige gedichten waarin stroom direct voorkomt is 'vier en een half volt lego treintje'. Er is een jongen - zijn leeftijd is onduidelijk - die zich ophoudt bij een modelspoorbaantje. In het gedicht houdt hij de polen van stekker tegen zijn tong. Hoewel hij even lijkt te schrikken, is er toch meer ruimte voor genot, want het gedicht eindigt met het woord "praliné". De golf van de stroomschok is als een weldadig iets, in plaats van een straf:

in de mond van een tunnel
de tong als mond

Energie

De - als prettig ervaren - energie die letterlijk terug te vinden is in het hierboven geciteerde gedicht, komt figuurlijk terug in de manier waarop Bruinja schrijft. Energiek is de associatieve stijl die Bruinja heeft. Enkele gedichten die in 'poesie en prose' zijn opgeschreven vormen een nog klinkender geheel. De klankherhalingen en klankbotsingen geven een bepaalde cadans en overrompelen. Dit is bijvoorbeeld het geval in het gedicht 'Mompelhetze in de vleeskuip':

toen ik met bitterbalkaken droomde van het verbeteren van de wereld toen ik patatbuik en bijtnagels groeien liet besloten had ruimte en andere astronauten met rust te laten toen mijn lichaam niet verder kan krimpen dan tot nauwe dialectmond [...]

De associaties verrassen ook. Aan de ene kant is dat plezierig, omdat Bruinja de lezer vaak bij de interpretatie van een gedicht van een bepaald spoor afhaalt. Aan de andere kant is de gedachtegang soms te moeilijk om te volgen en het wordt vaak niet duidelijk hoe de zinnen verband met elkaar houden. Hierdoor worden de gedichten misschien onbedoeld persoonlijk: omdat de gedachtegangen of inspiratiebronnen van Bruinja soms moeilijk na te gaan zijn, is een sluitende interpretatie lastig.

Herinneringen

Bruinja geeft echter wel enkele aanwijzingen in zijn poëzie. Zo is er veel aandacht voor verleden. Sommige gedichten zijn in de verleden tijd geschreven, waardoor er de suggestie ontstaat dat het beschrevene langer geleden is, of dat ze inderdaad in de verleden tijd afspelen. Daarnaast zijn er verschillende vergelijkingen of referenties aan de kindertijd of aan de adolescentie te vinden, zoals "een jongen van twaalf" in 'Sarah en Veronica (Kollum Drachten en Afrika)'. Ook de twee plaatsnamen uit de titel verwijzen naar zijn jeugd, die hij in Friesland doorbracht. Weer in een ander gedicht vergelijkt hij zichzelf met een kind.

De rol die het verleden speelt, heeft te maken met nostalgie. Het is voorbij, maar dit heeft niet altijd een negatieve connotatie. Het is echter wel op een andere manier aanwezig dan bijvoorbeeld in een gedicht 'Brugwachter' uit de bundel met verzamelde Friese poëzie Droom in blauwe regenjas . Hierin worden er een heit en mem genoemd en worden herinneringen verlangend verteld. In Batterij is dit oppervlakkiger aanwezig en vragen ook andere gedichten de aandacht zoals het vervreemdende 'Verborgen arbeidend'. Dit schijnbare liefdesgedicht, waarin een aantal wensen en verlangens kan worden ingewilligd, wordt opgeschrikt door reigers, dieren die niet uitblinken in schoonheid, maar eerder in een obsessieve manier van uithoudingsvermogen en wachten, afwachten. Het gedicht eindigt met de zin 'ik breng je nacht', een zin die niet zozeer naar een liefdevolle nacht lijkt te verwijzen, maar naar een iets veel onheilspellenders.

ik breng je
maak je geen zorgen

in de lente maken reigers
de lelijkste geluiden

breng je nacht

Houdbaar

Ondanks de energie van de batterij die de bundel heeft, is van een batterij ook bekend dat het een beperkte levensduur heeft. Na een tijdje is de energie op. Wat dat betreft is de titel van deze bundel wat misleidend. Bruinja's poëzie geeft namelijk veel aanknopingspunten en zijn gedichten verdienen meerdere lezingen, zowel om de taal, als de klank als de interpretatie. Want behalve een soort mooi hedendaags Nederlands bedenkt Bruinja mooie beelden en zijn gedichten zijn rijk aan soms hypermoderne, dan weer klassiekere beeldtaal. Bruinja schudt met zijn bundel de lezer wakker, en net als een Duracell-batterij is zijn poëzie lang houdbaar.

(bron: http://www.8weekly.nl/index.php?art=2261, 06-03-2005)

terug naar boven


Shock and awe

door Gaston Franssen

Lucebert – dat is het eerste wat door je hoofd schiet als je bladert in Batterij , de tweede gedichtenbundel van Tsead Bruinja. Alleen al de vormgeving al: de bundel is gezet in dat zelfde vette, schreefloze lettertype dat ook altijd in Luceberts bundels is terug te vinden. Zijn voorkeur voor de onregelmatige versvorm, de Wortsatz en wild verspringende regels deelt Bruinja eveneens met de Vijftigers, net als zijn afkeer van hoofdletters en interpunctie. Sommige regels doen ook in hun toon en beeldspraak sterk denken aan Lucebert (‘ik ben in een wereld aanwezig'), ofwel aan Hans Andreus (‘ik maak nog een wereld met licht en laat trots mijn kijkdoos zien').

Er zijn nog wel meer parallellen tussen de gedichten van Bruinja en de ‘lichamelijke' poëzie van de voormalige revolutionairen van Vijftig. Zo kun je in Batterij eveneens veel beelden vinden die de lichamelijke kanten van het bestaan benadrukken – steeds weer duiken woorden als ‘hand', ‘mond' en ‘tong' op. De opmerkelijkste overeenkomst is echter dat Bruinja's bundel veel van het revolutionaire, strijdlustige elan heeft dat het vroege werk van de Vijftigers ook zo typeerde. De titel is daar een mooi, meerzinnige voorbeeld van. In eerste instantie ben je geneigd om die ‘batterij' te verklaren in het licht van het tweede gedicht uit de bundel, getiteld ‘vier en een half volt lego treintje'. In een twintigtal sterke regels wordt beschreven hoe een kind zijn tong even tegen de polen van een batterij aanhoudt – een ervaring die voor het kind van een onvergetelijk belang is. De prikkelende sensatie die het ervaart (‘tong / trekt zich terug'), blijkt onlosmakelijk verbonden blijkt te zijn met de machtsstrijd die zich in het ouderlijke huis afspeelt en die voor het kind niet onopgemerkt blijft:

de moeder als man in uniform
de vader als vrouw thuis

wie speelt voor god
wie kiest het scharnier

Bruinja speelt hier een intrigerend spel met synoniemen: het voltage van de batterij wordt ‘gelijkgeschakeld' aan de huwelijkse spanning tussen de ouders. Maar tegelijk ontkomt de lezer er niet aan om ook die andere betekenis van het woord ‘batterij' in zijn lezing mee in overweging te nemen: de vele militaire termen uit de bundel (‘overwinning', ‘vijand', ‘rantsoen', ‘legioen', ‘leger', ‘wapen', ‘geweer' et cetera) herinneren eraan dat die ‘batterij' net zo goed zou kunnen slaan op een artillerie-afdeling, of op de geschutlaag van een oorlogsschip. Daardoor wordt nog eens benadrukt hoe gewelddadig en explosief de thuissituatie precies is. Aangezien Bruinja ervoor heeft gekozen zijn tweede publicatie eveneens Batterij als titel mee te geven, worden deze dubbele betekenissen ook op de bundel als geheel overgedragen: dat suggereert dat de lezer hier wel eens met elektriserende, licht ontvlambare poëzie te maken zou kunnen hebben.

Dat vermoeden is zeker niet onterecht, zoals nog zal blijken, maar die quasi-experimentele, wat militante inslag van Bruinja's poëzie krijgt af en toe wel iets vermoeiends. Batterij bevat veel intrigerende gedichten, maar die rijkdom aan associaties en beelden (soms op het onbegrijpelijke af), en die saboterende mix van verheven uitdrukkingen met gestamelde banaliteiten – dat weten we sinds Vijftig toch eigenlijk al wel? Bovendien krijgt Bruinja's poëzie door al wilde beeldenpracht ook iets gratuits. Uit sommige gedichten spreekt te weinig urgentie en bijgevolg vraag je je tevergeefs af waarom dat ene beeld nu is gebruikt, in plaats van een willekeurig ander.

Gelukkig heeft Bruinja daar genoeg authentieks tegenover te stellen. Hij is op zijn best in de gedichten waarin hij personen van divers pluimage op treffende wijze portretteert, zoals in ‘een jurk met knopen die op haar knieën hing', ‘zuurverdiend' of ‘whisky'. Een sterk voorbeeld van zo'n bijna pijnlijk precieze karakterstudie is het gedicht ‘Portier':

PORTIER

rook uit de jaren zeventig slaapt in zijn snor als woede op
kinderen in een rijdende ford escort waar vader het woord
zijn onbewezen ongelijk logeert

even kijken wie de lekkerste borsten heeft tijdens het college
even snoepen van de truitjes in de pauze

mijn mond is een klooster vol oeh's en ah's
maar ik laat mijn broek niet zakken
ik laat mijn kaak niet zakken
voor de docent

in zijn dorp vechten meerkoeten en eksters
aan zijn tak wipt een doezelende druif op en neer

ik wil een machtige sleutelbos als conciërge
ik wil een niet te beledigen behendigheid
met apparaten

iiiiiiiiiiiiiien

tijdens het vele repareren
wil ik vaak niets liever dan hartelijk komen kijken
iiiiiiiiiiiii bij wie de heerlijkste borsten had

in mijn dorp vechten meerkoeten en kraaien

© Tsead Bruinja

Het is een raak portret, dat subtiel met suggestieve details wordt ingevuld. De ‘rook' die in zijn snor is blijven hangen bijvoorbeeld suggereert dat de portier – misschien uit gezondheidsoverwegingen? – is opgehouden met roken, maar dat zijn vroegere leefgewoonten toch op de een of andere manier aan hem zijn blijven kleven. Je zou er evengoed uit kunnen afleiden dat die rook nog een vage herinnering is aan brandende straatblokkades, opgeworpen tijdens demonstraties uit een ver provo-verleden (vandaar wellicht die ‘jaren zeventig' en die ‘woede'); met andere woorden, dat deze figuur nog slechts een rokerige schim is van de actieve, geëngageerde jongeman die hij ooit moet zijn geweest. Die ‘woede' strekt zich ook uit tot zijn kinderen, zo blijkt. Er wordt gezinspeeld op een gezinsleven vol ergernissen: mierende kinderen in een goedkope Ford Escort, een autoritaire vader die zijn ongelijk altijd onbewezen acht – en de keuze voor het woord ‘logeert' lijkt zelfs te refereren aan een mogelijke echtscheiding.

Dat verleden bestaat echter alleen nog in de herinnering. De portier die in deze regels het woord voert, is een verbitterde, oversekste conciërge met een de nodige autoriteitsproblemen geworden. Hij werkt ergens op een ongetwijfeld onbeduidende universiteit en kan het niet nalaten om tijdens de collegepauzes de borsten onder de strakke truitjes van de studentes even te checken. Het liefst zou hij ze deelgenoot willen maken van zijn stiekeme opwinding, maar zijn ‘mond is een klooster van oeh's en ah's': een mooie regel, die duidelijk maakt dat de erotiek er nog wel degelijk is, maar onderdrukt en teruggedrongen wordt in een domein waarin die gevoelens verboden zijn. Ondanks alles heeft hij nog enige trots behouden, ook ten opzichte van zijn meerderen: voor geen ‘docent' zal deze portier ooit zijn ‘kaak' in bewondering laten zakken. Laat staan zijn ‘broek'.

Ook de twee regels die daarop volgen, zijn fraai gevonden. Even lijkt het lijkt te gaan om een herinnering aan een tijd waarin de portier gelukkiger was. De landelijke setting suggereert een idyllische jeugd in een dorp dat ver verwijderd is van het meelijkwekkende leven in een universiteitsstad waar de portier nu toe veroordeeld is, maar dat paradijselijke verleden blijkt bij nader inzien te zijn opgebouwd uit bedrieglijke beelden. De ‘meerkoeten' die met ‘eksters' en, zo blijkt uit de laatste regel, ook met ‘kraaien' vechten, doen dat namelijk om hun kroost te verdedigen. Kraaien en eksters zijn nestrovers – een woord dat in de context van dit gedicht, waarin een volwassen man heimelijk aast op jonge meisjes, natuurlijk een pregnante betekenis krijgt. Ook die ‘doezelende druif' aan de op en neer wippende ‘tak' heeft een wat smoezelige bijbetekenis; je hoeft geen Freud gelezen te hebben om er een symbool in te zien voor de gesmoorde driften van de portier, die nergens meer terecht kan met zijn ‘vruchtbaarheid'. En dat hij droomt van een ‘machtige sleutelbos' sluit uiteraard naadloos aan bij zo'n lezing.

De portier, zo blijkt, leidt een treurig en smoezelig dubbelleven. Op het eerste gezicht is hij de hartelijke man die zijn behendigheid graag komt demonstreren als er weer eens een kopieermachine defect is; maar in het geniep gluurt hij voortdurend om zich heen, om te zien ‘wie de heerlijkste borsten had'. Paradoxaal genoeg verpersoonlijkt de portier daarmee de ultieme pervertering van zijn beroep: hij heeft niets meer van de bewaker die de wacht houdt aan de deur (het Latijnse porta , waar ‘portier' van is afgeleid, betekent immers ‘deur'). Integendeel: hij is verworden tot iemand die elke vrouw belaagt die aan de universiteitspoorten aanklopt.

Shock and awe – dat is de techniek, zou je kunnen zeggen, die Bruinja in zijn poëzie hanteert: krachtige, met betekenis overladen gedichten, waarin de dichter zich wars betoont van idealistische of romantische opvattingen over ‘schoonheid' of ‘poëzie' – gedichten die de lezer direct moeten raken en beduusd moeten achterlaten. Het gedicht ‘Portier' is een fraaie illustratie van die techniek: paradijselijke tafereeltjes verbergen allerlei verraderlijke symbolen en juist díe persoon waarop je dacht te kunnen vertrouwen, blijkt zich als een smoezelige en bedenkelijk sujet te ontpoppen. Bruinja laat met Batterij zien dat hij in staat is om regels te schrijven die impact hebben: hij slaagt erin om overtuigende beelden te vinden en die dusdanig te manipuleren, dat zij een overtuigend surplus aan betekenis genereren. Soms schiet hij zijn doel wel eens voorbij, of hebben zijn teksten meer weg van een schot hagel of een ongeleid projectiel, dan van een raak gedicht. Maar als Bruinja je treft met zijn regels, is het ook een voltreffer.

(Bron: De Moanne / Trotwaer, nr. 4, februari 2005)

terug naar boven


De wereld zoals hij is

Poëzie van Tsead Bruinja getekend door het tv-tijdperk

door Piet Gerbrandy

Wie enkele decennia zonder televisie heeft geleefd en zich dan onvoorbereid aan het flikkerend monster overlevert, valt van de ene verbazing in de andere. Dat de wereld zo lelijk, zo geseksualiseerd en zo gewelddadig kon zijn, was natuurlijk geen verrassing voor wie altijd gewoon om zich heen is blijven kijken.
    Het meest opvallende is veeleer de uitputtende kortademigheid van het medium, alsof geen gedachte afgemaakt, geen situatie uitgewerkt mag worden. Parataxis is het voornaamste stijlmiddel: het naast elkaar plaatsen van beelden, terwijl het verband ertussen impliciet wordt gelaten of domweg niet bestaat.
    In de poëzie en de beeldende kunst bestaat de montagetechniek al veel langer dan in de filmkunst. Ezra Pound, de dadaïsten en surrealisten lieten in de eerste helft van de twintigste eeuw al zien hoe je een overtuigend geheel kunt construeren uit ogenschijnlijk disparaat materiaal. Daarbij is altijd de vraag geweest of sluitende interpretaties nog mogelijk waren. Bij Pound en Rimbaud is dat problematisch, bij T.S. Eliot en Gerrit Krol veel minder.
    De betekenis van fragmentatiebommen die worden afgevuurd door soaps, clips en reclames is, als je tenminste het geduld hebt om te blijven kijken, helemaal niet moeilijk te achterhalen. Het blijkt te gaan om waar het altijd om is gegaan: geboren worden, opgroeien, liefde, oorlog, verdriet en dood. De grote verhalen erover schijnen in bepaalde kringen taboe te zijn, dat neemt niet weg dat ze niets van hun geldigheid verloren hebben.
    De poëzie van Tsead Bruinja draagt duidelijk de sporen van het televisietijdperk. In sommige gedichten lijkt er zonder weinig systeem van de ene naar de andere scène gezapt te worden, zodat het niet goed mogelijk is een samenhangend verhaal te reconstrueren, toch zijn de toon en de sfeer meestal consistent.
    Bovendien is de kwaliteit van de afzonderlijke fragmenten over het algemeen van dien aard dat je geen behoefte krijgt het apparaat uit te zetten. En als je de hele avond hebt uitgezeten, van de eerste tot en met de laatste bladzijde, blijk je toch een heel levensverhaal gevolgd te hebben. Batterij bestaat uit vier afdelingen. In de eerste, met de misleidend tedere titel 'kind dat buiten nacht komt zeggen',  zien we kinderen opgroeien in een verwarrende wereld van speelgoed, Veronica, cito-toets en ontluikende seksualiteit. De tweede afdeling concentreert zich op liefde, de derde op het samenleven in een voze, kapitalistische maatschappij. De bundel wordt afgesloten met een groep gedichten waarin de wereld wordt aanvaard zoals hij is, compleet met de dood en de ontoereikendheid van de liefde, maar waarin ook weer plaats is voor nieuw leven.
    Dit overzicht suggereert meer samenhang dan ik tijdens het lezen ervaar, misschien is het zelfs zo dat ik, in mijn behoefte aan coherentie, op de bundel een zelfbedacht verhaal projecteer. In dat geval bevind ik me in goed gezelschap, want in een interview in de Poëziekrant legt de dichter zelf voortdurend verbanden die er voor de lezer niet echt zijn.  
   Dit is een programmatische tekst:

ik ben in een wereld aanwezig
die ik wilde aanklagen
maar de klacht groeide uit
tot wat me fascineert


    De wereld is een onbegrijpelijke verschrikking, maar buitengewoon boeiend. Een jongen van twaalf in het Friese kollum 'weet hoe sarah krijst': 'sarah is veertig en kaal / sarah heeft een mes in de tas / krijst / sarah van de drie bulten bij het park'.
    Obsessieve herhalingen maken de anekdote over de kale dorpsgek tot een eng liedje, vandaar dat de volgende strofe zo begint: 'in de studie wordt daar een beat onder gezet met veel galm op de snare / door een drummer die zich grasmaaiend naar het einde snuift'. Dan ontspoort het nummer, in een stroom van associaties die van sarah, via 'je tantes vieze poedel' en 'de lekkere wijven van veronica', uitkomt bij 'een handvol rijst voor de girokinderen / en voor de vliegen op hun ogen'. Kollum en Afrika blijken naast elkaar te liggen.
    De wereld van Bruinja is vies: 'de witte drab die de hoek / van de koelkastdeur / uit druipt'. Er lopen oude geilaards in rond: 'even kijken wie de lekkerste borsten heeft tijdens het college / even snoepen van de truitjes in de pauze'. Een burgemeester probeert zich aan een stille tocht te onttrekken: 'het is lastig voor hem zo snel / de stoet voor kantoor / te verwisselen'. Maar in wezen is Bruinja een romanticus, die met intense tederheid het geslacht van een slapende vriendin kan beschrijven: 'zo als een zielepietje uit het nest gekukeld / zo open en zonder wapen'. Een zuigeling 'huilt hongerig door zijn fluitje', een zoetekauw denkt aan de recepten van zijn mamma, en een verliefde jongen fluistert: 'mijn erectie is geen wapen'. In het laatste gedicht neemt een gevangene afscheid van zijn geliefde.
    Misschien is het ook de dichter die zijn lezer groet - of omgekeerd:

brengt zijn hand naar zijn lippen
en zwaait brengt zijn hand naar
zijn lippen en denkt


(Bron: De Volkskrant, 30-12-2004)

terug naar boven


Exuberantie als doel op zichzelf

door Thomas Vaessens

Tsead Bruinja (1974) is een jonge dichter die opvalt tussen dichters van zijn generatie. Wat hem vooral onderscheidt, is dat je in zijn werk kunt zien dat hij wel eens poëzie leest. Hij weet dat poëzie maximaal
gebruikmaakt van het medium waarvan zij zich bedient, de taal, en hij heeft oog voor het complexe samenspel van klank, ritme en betekenis dat in versregels gespeeld wordt.

Bruinja is ook een slag minder braaf dan zijn generatiegenoten. Wie in de titel van het Nederlandse debuut van deze Friese dichter (Dat het zo hoorde, 2003) ironie herkent, zit op het goede spoor: Bruinja trekt zich van
conventies niet veel aan en hij weerstaat de verleiding het zijn lezer al te gemakkelijk te maken. Zo moeten we de punten en komma's er bij Bruinja's interpunctieloze poëzie zelf bij denken, met alle ambiguïteiten van dien. Hij is een dichter die zingt, bijvoorbeeld in zijn vele herhalingen die nooit écht herhalingen zijn, maar onnadrukkelijke verschuivingen van betekenis.

De angry young man Bruinja is geen pleaser. Hij wil beangstigend en gevaarlijk zijn. In het gedicht 'Rekening' is hij in die opzet geslaagd. Het begint angstaanjagend ('een bijl klepelt zich door het vlees / door de vreselijke armleuningen / terwijl ik ijver aan een gezicht / sloop / dit gezicht'), maar als ik het goed zie loopt het verrassend uit op een bijtende aanklacht tegen slapte, waardoor de wat stuurloze agressie uit de beginregels alsnog wordt verklaard.

Maar de krachttermen, het taalgeweld en de grote woorden hebben in Batterijniet altijd een functie. Sommige gedichten lijden aan wat inmiddels wel 'de ziekte van (Ilja Leonard) Pfeijffer' mag heten: de talige exuberantie wordt
een doel op zichzelf, waardoor wat zo graag 'gevaarlijk' wil zijn uiteindelijk slechts gewild en meestal onschadelijk is.

Bruinja is een productief dichter. Met zijn Friestalige bundels erbij zit hij op een gemiddelde van méér dan een bundel per jaar. Ik heb veel sympathie voor Bruinja's elan, maar vind tegelijk dat Batterij te snel is gemaakt. De sterke regels worden te vaak afgewisseld met heel zwakke. Op het raadselachtige 'het was een dag om de goden / van iemand anders te vervelen' (dat vooral goed is omdat bij alles wat opgeroepen wordt geen opgelegde
associaties in de weg staan) volgt bijvoorbeeld de regel 'een man toetert zijn accu leeg'.

Het niveau zakt dan vreselijk, vooral omdat deze beschrijving onmiddellijk aan een visualiseerbare werkelijkheid refereert, waarbij die werkelijkheid overigens schromelijk wordt overdreven (het kost wel een paar uur om een
accu leeg te toeteren). Hier is het werkelijkheidseffect dus veel te vet en speelt de taal geen rol meer.

Bruinja's eerste Nederlandstalige bundel was zonder meer een belofte: hier was een dichter aan het woord die over het algemeen wérkelijk in taal geïnteresseerd is. Dat in Dat het zo hoorde ook heel zwakke verzen voorkwamen, was te vergoelijken: is het een wonder dat deze experimentele debutant soms nog uit de bocht vliegt? Maar het is jammer dat deze nieuwe bundel opnieuw aan dit euvel lijdt.

Bruinja heeft met Batterij de hypotheek op zijn talent wat verhoogd. Het is hem dus geraden ervoor te zorgen dat zijn volgende bundel eens een keer staat als een huis. Misschien moet hij daarvoor maar eens op 2008 mikken. (bron: Het Financieel Dagblad, 11-12-2004)

Ook net verschenen:

Ontijdig panorama: de poëzie van nu (met deel over Dat het zo hoorde)

door Thomas Vaessens

Oorspronkelijk gepubliceerd in: Koen Vergeer & Yves T'Sjoen (red.), De volksverheffing. Jaarboek voor poëzie . Amsterdam 2004, p.149-163.

Ik mocht de grenzen zelf trekken: een overzicht van ‘de poëzie van 2004' zou inderdaad wat raar zijn in een boek dat in oktober 2004 verschijnt, dus 2003 mocht er ook nog wel bij. Maar ‘de poëzie van het seizoen 2003-2004' zou dan weer teveel aan het voetbal doen denken. ‘Ach, zie maar, als de lezer maar een idee krijgt van wat er momenteel in de poëzie speelt. En het mag best subjectief!'

...Van de nieuwe poëzie vielen mij in de afgelopen tweeëneenhalf jaar vooral de debuten van Neeltje van Beveren, Tsead Bruinja, Geert Buelens en Joep Kuiper op. Kuiper is voor mij het meest oorspronkelijke talent van de vier. Zijn Monarchieën (2003) lijkt nergens op, hetgeen voor een debutant soms een compliment is. De bundel is onconventioneel, humoristisch en lekker dwars van taal, zonder in maniertjes te vervallen. Van Van Beverens Alles voor de vorm (2003) kan dat laatste nog niet zonder voorbehoud gezegd worden, met de (te?) vele onaffe en bewust ontsporende zinnen die erin voorkomen. Enige (redactionele) indamming zou bij een volgende gelegenheid de kracht van het effect zeker vergroten. Iets vergelijkbaars geldt voor Bruinja. Hij durft in Dat het zo hoorde (2003) verschillende stijlregisters en ritmes opzichtig te laten botsen, maar deze dichter zou, vooral voor wat betreft zijn neiging heftig bedoelde beelden op elkaar te stapelen, bij wat meer terughouding gebaat zijn. Het meest volwassen debuut van de laatste jaren is dat van Buelens, die in Het is (2002) liever de taal dan de dichter aan het woord wil laten. Buelens' precieze aandacht voor klank en ritme maken van zijn debuut het feest van taal waartoe wij in het gedicht ‘Werk' worden genood: ‘Speel nu met mij', dicht Buelens, ‘er gaat een wereld voor je open / die weer terug dichtgaat / als je niet participeert'. Hoewel het geen debuut is, kan vanuit Nederlands perspectief ook Bart Meulemans Hulp (2004) tot de nieuwe poëzie gerekend worden, onopgemerkt als Meulemans eigenlijke debuut (het in Vlaanderen verschenen en terecht geprezen Kleine criminaliteit, 1997) hier bleef. Hulp is een meedogenloos onderzoek naar de angsten en driften waarvan we ons liever niet bewust zijn.

Als ik het goed zie, staan deze vijf nieuwe bundels – bewust of halfbewust – in de avant-gardetraditie waaraan eind jaren tachtig in Vlaanderen (en later ook in Nederland) door ‘postmoderne' dichters als Erik Spinoy, Stefan Hertmans en (vooral) Dirk van Bastelaere een stevige impuls gegeven werd. Waar de filosofische oriëntatie van de genoemde ‘postmodernen' nogal eens als ‘zwaar' ervaren werd, daar lijken de nieuwe dichters er een nieuwe, ‘lichtere', verstaanbare en vooral concrete draai aan te willen geven. De postmoderne generatie van Van Bastelaere leerde leven met het befaamde idee van het ‘einde van de grote verhalen' – een kreet die inmiddels als verkeerd begrepen cliché ingeburgerd is geraakt en dient ter legitimering van een lamlendig neutraal literair klimaat: de nieuwe generatie constateert monter dat samen met de grote verhalen nog niet de grote vragen afgeschaft zijn...

(bron: De volksverheffing. Jaarboek voor poëzie . Amsterdam 2004, p.149-163. Koen Vergeer & Yves T'Sjoen (red.))

(Het hele artikel is te vinden op www.thomasvaessens.nl)

terug naar boven


Woorden en hun directe omgeving

Door Ricco van Nierop

Geen ivoren toren, pleinvrees of plankenkoorts voor Tsead Bruinja. Een beetje literair festival heeft deze dichter op het programma staan. En niet onterecht, hij weet zijn poëzie goed te brengen. En dan na afloop nog wat bundeltjes verkopen om de winkel draaiende te houden. Naast drie Friestalige, ligt sinds kort een tweede Nederlandstalige bundel in die winkel. Batterij heet dit nieuwste Bruinja-product en op de eerste genummerde pagina (p. 3) staat de volgende regel:

…kind dat buiten nacht komt zeggen

Verder niets op deze pagina. Of het een gedicht is, of als motto bedoeld, wordt mij niet duidelijk. Wel is het in één klap weer eind jaren tachtig en kom ik een streng christelijk psychiatrische instelling binnen. Plaats van handeling: ergens op de Veluwe, waar zelfs de herten een kruis dragen. Situatie: Ik kom zonder intake binnen, ze zien vast aan mijn, nog weinig bedorven, gelaat dat het met mijn opvoeding wel goed zat en dat zij de dwaling, die mijn geest dacht te nemen, nog wel kunnen keren.

In de voorlaatste Lava staat een interview met dichter Bruinja. ‘Wat wil je overbrengen,' vraagt de interviewster (Floor Buschenhenke), waarop hij het volgende antwoordt: "Ik wil dat mijn lezer een bepaalde nuance ziet in de wereld om hem heen, die hij eerder niet zag. Dat hij plezier beleeft aan het lezen van poëzie, overigens zonder dat het te makkelijk wordt. Ze moeten denken ‘Huh? Dat moet ik nog eens lezen…" (Uit Lava 10.3 / Interview, p. 24)
Bruinja stelt zich een bescheiden doel. Hij treft met deze lezer ook een makkelijke prooi. Ik heb poëzie altijd gelezen en gebruikt op zoek naar treffende zinnen. Woordcombinaties, klankrijmen of klankbotsingen, one-liners, mooie beelden, etc. Daarbij trek ik me niet veel aan van hoe de dichter zijn poëzie bedoeld of vormgegeven heeft. Ik kan een prachtige zin uit zijn verband rukken en niet kijken naar de rest van het gedicht om vervolgens met die zin aan de haal te gaan in mijn gedachten. Natuurlijk heb ik daar geen poëzie voor nodig. Proza voldoet ook, een stukje in de krant, een catchfrase uit een advertentie op de etalageruit van de AH. Maar de ervaring leert me dat bij poëzie de kans vele malen groter is om interessante zinnen, woordcombi's, vreemde beelden, etc te ontdekken. Gewoonweg omdat er voor elke zin een geniale vondst is gebruikt of dat de dichter er hard aan heeft gewerkt om de regels over te laten komen als geniale vondst. Vaak ook omdat de zinnen in poëzie afwijken van het normale taalgebruik. Juist die draai zet woorden in een nieuwe context, gooit de volgorde omver; kortom vraagt aandacht voor een andere kijk op de wereld.

Deze manier van poëziegebruik wil overigens niet zeggen dat ik geen aandacht heb voor het gedicht als geheel (zoals het toch meestal bedoeld is). Of voor cycli of bundels die een verhaal te vertellen hebben. Maar deze overkoepelende ideeën komen voor mij op het tweede plan. De woorden staan voorop. Woorden en hun directe omgeving.

Tsead Bruinja brengt associatieve poëzie, die zich goed leent om voor eigen gebruik te ontleden.

vier en een half volt legotreintje

(p. 6)

Aldus de eerste regel van Bruinja's tweede gedicht uit Batterij. Hij bouwt de scène verder uit met groene tunnels (O, ja), scharnierwissels en hoe de voltage op je eigen tong voelt. Maar ik ben bij de eerste regel al vertrokken; met de trein richting jongenskamer. Niet dat de regel qua stijl of klank zo bijzonder is. Enkel ‘legotreintje' was ook niet genoeg geweest, maar de toevoeging ‘vier en een half volt' doet het ‘m. Daar gingen toch drie van die dikke 1,5 volts batterijen in? Was die nu van mij of van mijn broer? Hoorden daar niet van die blauwe railsjes bij en van die witte ‘bielzen'? En Jacky van verderop in de straat, had die niet die modernere trein die veel harder kon? Geef me een vinger, Tsead, en ik pas ‘m met een beetje fantasie en een boel melancholie aan mijn eigen hand. 

wordt hem de tong een mes past hij
niet in de krappe huid van je held
zoek dan een nieuwe dode een lekkere stoel
plek om verse vuisten te kweken

(p. 16)

Bruinja las het gedicht met de beginregel na een lange tocht door de kanalen voor tijdens Crossing Border, met een voor de hand liggende verwijzing naar de moord op Theo van Gogh een week daarvoor. Het gedicht in zijn geheel is zeer sterk, maar de opvallendste regels staan in de hier geciteerde strofe. Het Huh?-Dat-moet-ik-nog-eens-lezen-effect heeft Bruinja hiermee zeker bereikt. Simpel gezegd gaat het gedicht over moordenaars en hoe met hen om te gaan. Maar Bruinja zegt het niet simpel, maar gebruikt opvallende woorden, beelden en verdraaiingen. Hierdoor noodzaakt hij mij tot nadenken. ‘plek om verse vuisten te kweken' is niet enkel door die alliteratie goed gevonden, maar vooral door de betekenissen die je erbij kunt bedenken. De ‘verse vuistenkwekerij' is een Al-Quaida-opleidingscentrum, is een lekkere stoel van waaruit vernietigende gedachten, moorddadige plannen tot stand kunnen komen. Om het nog maar niet over die messcherpe tongen te hebben. Juist door zijn soms verwarrende woordkeuze geven Bruinja's gedichten betekenisopeningen naar diverse kanten.

‘Zo zou ik nog wel uren door kunnen gaan,' om Neerlands Hoop aan te halen. Bijvoorbeeld met de verwarrend mooie regels: ‘kuiltjes in haar lemen wang' (p. 10), ‘de ander zomert mijn hart aan gort' (p. 24), ‘er ritselt zonlicht door de bladeren' (p. 27), ‘mompelhetze in de vleeskuip van de wasbeer' (p. 32), ‘net regende het stenen met uw namen erop' (p. 35), ‘pas op of ik doe je moeder na en maak je nog een keer' (p. 37), ‘mandje waar mijn mond lieve woordjes / in lekt' (p. 47).

Het bescheiden doel, dat Bruinja zich stelt (zie het eerder geciteerde interview), bereikt hij met gemak in de bundel Batterij. Verantwoordelijk hiervoor zijn de woorden en hun directe omgeving, zoals Bruinja die geschakeerd heeft. Woorden die de fantasie, de melancholie, de gedachten aanwakkeren. Woorden die het Huh?-gevoel opwekken. Kortom; woorden die verwarring en plezier brengen. 

Eenmaal binnen in de streng christelijk psychiatrische instelling, stuit ik op een man van middelbare leeftijd, die op een stoel vlak voorbij de deur zit. Ik wil hem een hand geven, maar hij klampt me aan met beiden armen en zegt recht in mijn gezicht op bezwerende toon: ‘Ne, ne, nooit meer nacht papa.' Ik ruk me verschrikt los, maar kan het niet helpen hem aan te blijven kijken: nooit meer nacht,' herhaalt hij. De verdwaalde vriendin, die ik in deze instelling kom bezoeken, redt me door me simpelweg los te rukken en naar de zithoek te slepen.

Hieraan moest ik denken bij die woorden op pagina 3 van Batterij: ‘…kind dat buiten nacht komt zeggen'. Een prachtige zin, die van alles kan betekenen, ver van de betekenis die ik eraan koppel. Alleen moet ik Bruinja niet in de eerste plaats hiervoor danken, zoals in de verantwoording achterin zijn bundel staat te lezen. De specifieke regel ‘Kind dat buiten nacht komt zeggen' is afkomstig uit een gedicht van Marga Kool.

(Bron: De Recensent, 13-12-2004)

terug naar boven


Over Batterij

Door Chrétien Breukers

Tsead Bruinja (1974) schrijft poëzie in het Fries en in het Nederlands. Onlangs verscheen bij uitgeverij Contact zijn tweede Nederlandstalige bundel Batterij , nog maar een jaar na zijn debuut Dat het zo hoorde . Daarvoor publiceerde hij drie Friese bundels: De wizers yn it read/De wijzers in het rood (2000), De man dy't rinne moat/De man die lopen moet (2001) en Gegrommel fan satyn/Gegrommel van satijn ; deze werden uitgegeven door de onvolprezen uitgeverij Bornmeer te Leeuwarden, herstel: Ljouwert. Bruinja trekt zich niks aan van de Nederlandse gewoonte om eens in de drie vier jaar een bundel te publiceren. Hij pakt het allemaal groot en breed aan, want naast Batterij komt hij dit jaar ook nog met een grote bloemlezing uit het werk van hedendaagse Friese dichters: Droom in blauwe regenjas , een coproductie van Contact en Bornmeer. En dáárnaast was hij zelfs te bewonderen op MTV, in een Art Chunk genaamde korte kunstclip. Nog maar net 30 en al een oeuvre achter de rug. Ontmoedigend voor mensen die gewend zijn om het allemaal wat beschouwelijker, zeg maar gerust luier aan te pakken (toen ik dertig was, wachtte ik voornamelijk op de dingen die nog komen zouden, net als nu, tien jaar later – maar dit terzijde).

Bruinja's gedichten, daar had ik het over, zijn van een al even exuberante veelheid en veelzijdigheid als zijn productie. Soms loopt zijn werk van de rails, maar wie regels kan schrijven als ‘de stilte in mijn oude handel/zingt een groeiende beurtzang' is een echte dichter. Helaas schrijft dezelfde dichter regels als ‘de wieg en het vuur/de wieg in brand/de brand in de wieg/de wiegende brand/de brand aan je kont/de bliksem in je bol/de lach aan je kont' , een strofe die net iets te veel van de woordspelerige is, om KlukKluk te parafraseren. Bij het lezen van Batterij werd ik dus, heen en weer geslingerd, nou ja, dat is misschien te zwaar gezegd, maar af en toe humde ik eens bewonderend voor me uit, en monkelde ik een paar bladzijden later weer hoofdschuddend om een ontsporend beeld of gedicht. Het lijkt wel of Bruinja het expres doet: mooie gedichten afwisselen met melige uitschieters. Om het de lezer niet al te gemakkelijk te maken, om hem zo nu en dan uit een zelfgenoegzame leeshouding te doen schieten. Daarom schrijft hij strofes als deze: ‘in een groen stadspark op een schijf van zand/het koningspaar met hem van de angstgrap/en haar van in armen ligt verborgen/de omtrek een ketting van zwarte koetsen' . Het zal aan mij liggen, maar ik vind dat vooral klinken alsof het poëzie is.

Of misschien is Bruinja gewoon dol op alle gedichten die hij schrijft en weigert hij onderscheid te maken tussen goed en slecht, rijp en onrijp. Het zijn niet altijd de slechtste dichters die zichzelf, aangestuurd door een brandende ambitie, geen beperkingen opleggen. Maar ook niet altijd de beste. Sommige dichters zoals Luuk Gruwez, Gerrit Kouwenaar of Leonard Nolens, om een paar zeer uiteenlopende types te noemen, schaven jaren of in elk geval lang aan hun gedichten, andere gooien alles wat ze schrijven zo snel mogelijk op de markt. Ik denk hier natuurlijk, behalve aan Bruinja, aan eveneens uiteenlopende dichterstypes als Toon Tellegen, Leo Vroman en Pieter Boskma. Het lijkt me, in de eerste plaats, een kwestie van temperament. En over dichterlijk temperament beschikt Bruinja in grote mate, dat laat hij ons, zijn hele bundel door, niet vergeten. Misschien heeft hij wel een beetje te veel temperament, iets waar ik niet dol op ben. Ik hou van op het oog kalmere gedichten, zoals Van twee kussende ruggen :

toen ze me vond moest ze weg
en toen ze weg moest hing ze op

mijn huis staat propvol telefoons
op het laatste toestel de haak

geen abonnement wordt betaald
geen schuldeiser sluit af

haar rug was de mond die kuste me
haar bed was de boot voor het spel

ons ondergoed danste in zwart

zelfde machine negentig graden
aan een roestig rekje hing onze was

een markt is de liefde niet
praat met de rente en tel

Waarbij ik wil aantekenen dat dit gedicht zeker aan kracht had gewonnen als Bruinja het eens flink onder handen had genomen. Het woord propvol in het derde vers vind ik, bijvoorbeeld, lelijk. En waarom ligt de haak op het laatste toestel? In een tijd waarin er bijna geen haken meer zijn? Maar het geheel is mooi en zuiver van toon en er zit een (nog) veel sterker gedicht in.

Nog iets. In een interview dat Bruinja gaf aan het tijdschrift Lava (...) zegt hij: ‘Nadat ik akkoord was met Contact duurde het nog een jaar voordat de bundel (hier wordt Dat het zo hoorde bedoeld, CB) uitkwam. Dat was eigenlijk maar goed ook: ik ben nogal haastig. Het is goed als iemand mij een beetje afremt.' Zonder hem meteen op zijn eigen woorden te pakken, ben ik het hier wel mee eens. Iemand, iemand bij Contact, had hem een beetje moeten afremmen. Batterij was dan volgend jaar verschenen, en dat was de bundel ten goede gekomen. Maar blijkbaar is de werklust en de dadendrang van Bruinja overgeslagen op zijn uitgeverij.

Ik voel me een beetje een oude zeur na het schrijven van dit stukje. Een oude zeur die ook nog eens de schoolmeester uithangt. Nog een paar regels zo verder en ik schrijf mezelf een slecht humeur aan. Wat helemaal geen zin heeft. Nergens voor nodig is. Nee, ik eindig anders. Tsead Bruinja is een dichter die een ijzersterke bundel heeft geschreven: Dat het zo hoorde . Batterij is minder sterk, maar bevat zeker sterke gedichten. De bloemlezing die Bruinja samenstelde, Droom in blauwe regenjas , is fantastisch. Zijn in het Fries verschenen bundels zijn heel erg goed. En dat heeft hij allemaal binnen een jaar of drie bij elkaar geschreven en gedaan. Indrukwekkend. Net als dit gedicht, waarmee ik afsluit:

onder een laag van sneeuw en as
ligt de zoetekauw stil denkend
aan de recepten van zijn mamma

twee lichamen

een hoofd neemt de beslissing
de beslissing nog niet te nemen

er was bloed en daar moest
een lichaam omheen

het was een goeie sheriff die zijn
secretaresse zo behandelde

het was een dag om de goden
van iemand anders te vervelen

twee lichamen

een man toetert zijn accu leeg

belhamel

POËZIERAPPORT: bijna een 8 / 10

(Bron: http://poezierapport.blogspotcom/)

terug naar boven


Wie speelt voor God

Door Arie van den Berg

Dichterlijk elan is de laatste associatie die ik aan Friesland en Groningen verbinden zou. Toch blijken juist deze provincies de bron van een nieuwe poëtische vuurslag. Sinds een jaar of vijf presenteren Utjouwerij (uitgeverij) Bornmeer in Ljouwert (Leeuwarden) en Passage in Groningen een jonge generatie dichters. Woorddrift en durf zijn hun drijfveren. De kracht daarvan is ook de Randstad niet ontgaan; de topdrie van het hoge noorden - Wouter Godijn, Tsead Bruinja en Albertina Soepboer - publiceert inmiddels bij Contact.

Godijn en Bruinja hebben veel gemeen. Beiden hebben een voorkeur voor grillig taalgebruik, en beiden hanteren een navenant idioom. Maar er zijn ook grote verschillen: Godijn is de filosoof van het tweetal, Bruinja de lyricus. Onderbreekt de eerste zijn poëtisch machtsvertoon met onverwachte momenten van introspectie, Bruinja gaat nog verder inwaarts. Alle uitbundigheid ten spijt, blijkt hij toch bovenal een introverte zanger. Zijn nieuwe bundel, Batterij, bevestigt dit. Meer nog dan in Dat het zo hoorde (2003) overheerst de muzikaliteit. Dat is mede het gevolg van Bruinja's listige gebruik van het enjambement. De melodie wordt niet door leestekens bepaald, zoals in het dagelijks taalgebruik, maar door een uitgekiende regelval. Rijm speelt een minimale, verborgen rol. Wel is er herhaling en het wemelt van klankrijke, dikwijls geestige associaties, zoals in het zesde couplet van `Vredig':

ik sprak een troela
ik sprak een zoeloe toe kan
ik me een beetje aftrekken hier
gewoon een beetje rustig aftrekken

Hier spreekt de extraverte dichter, die vorm en norm onder het vergrootglas legt en weids verwoordt. In `vier en een half volt legotreintje' klinkt een andere stem. In korte, ingehouden, droog geformuleerde regels wordt in dat gedicht een herinnering uit de kindertijd beschreven. Het verhaal ervan laat zich kort samenvatten: het kind speelt met een legotreintje en legt dan even zijn tong tegen de polen van de batterij of transformator, waarop die tong zich terugtrekt. Een verhaaltje van niks, maar het is de metafoor van een gezinssituatie, die Bruinja trefzeker omschrijft als `de moeder als man in uniform / de vader als vrouw thuis // wie speelt voor god / wie kiest het scharnier'.

Jeugd, liefde, film- of tv-geweld en het dorpskroegleven zijn de thema's in Batterij. Zoals in Dat het zo hoorde is het ook in deze bundel niet altijd raak. Er zijn opnieuw zwakke verzen, maar die gaan nooit over liefde. Waar het verlangen daarnaar of het onvervulde ervan ter sprake komt, toont Bruinja zich zachtmoedig tot kwetsbaar, en dan is hij op z'n best. In het bijzonder in `Verborgen arbeidend'. In dat vers, waarvan de titel ontleend is aan `Kosmos' van Ida Gerhardt, zingt de lyricus zich los - zij het `sotto voce':

ik breng je naar het park
waar in de lente reigers
de lelijkste geluiden

waar takken na de winter
hun verborgen arbeid
naar buiten

waar ik een lome zon
en speelse honden
zocht

en de dunne nacht
het zou haar gaan spijten
ons fles en glazen bracht

ik breng je naar het park
waar ik kan het niet helpen
kaarsen

ik breng je
de winter stuurde me
met oog en vacht

ik breng je
maak je geen zorgen

in de lente maken reigers
de lelijkste geluiden

breng je nacht

Het is het meest lyrische en wat mij betreft mooiste gedicht van de bundel. `Desnoods zal ik het paadje stamelen' eindigt een volgend liefdesvers - en dat is precies wat Bruinja in `Verborgen arbeidend' doet. In een gedrongen, elliptische stijl uit hij zorgzaam zijn genegenheid.

In een gesprek in deze krant gaf Bruinja vorige maand een gloedvolle toelichting op zijn dichterschap. Voor hem is dichterlijk elan geen vreemd begrip voor Friesland en de Friezen. Poëtische muzikaliteit, het `zangrijke' Fries en absurde, vaak bondige formuleringen zijn, stelde hij, wezenlijke aspecten van de Friese taal en dichtkunst. Die trekken zijn ook als zodanig herkenbaar in Droom in blauwe regenjas, een bloemlezing van nieuwe Friese gedichten, die hij samen met Hein Jaap Hilarides samenstelde en onlangs bij Bornmeer en Contact publiceerde. Want behalve dichter is Tsead Bruinja ook een fervent propagandist van de poëzie, in het bijzonder van die van zijn eigen generatie. Dat hij zelf ook in poëtische zin een voorzanger is, bewijst Batterij. Ook na drievoudige lezing laat de bundel zich nog niet wegleggen.

(bron: NRC , 03-12-2004)

terug naar boven


Dag meisjes, dag consumptiebonnen! 

door Erik Jan Harmens 

Stel, je schrijft gedichten en leest ze vaak voor, in jongerencentra en tijdens popfestivals. Je doet dat onder begeleiding van muziek, of je zet een harde stem op tijdens het voorlezen, of je laat na een cyclus van tien je broek zakken. Grote kans dat je dan door publiek en media wordt geoormerkt als 'poetry performer'. En dat is helemaal niet leuk. Want je krijgt natuurlijk de meisjes wel, en de toejuichingen, en vijf meier en een rol consumptiebonnen per optreden, maar de kans dat je ooit nog serieus genomen zal worden als dichter is natuurlijk verkeken.
  Tenzij je Tsead Bruinja heet, furore maakt met poëzievoordrachten gelardeerd met weltschmerzbeats en flamencogitaren, in 2003 een al redelijk dichtgetimmerde debuutbundel publiceert, getiteld Dat het zo hoorde, en meteen al het jaar daarop met Batterij gedichten aflevert waar nog maar een zeer selecte groep chocola van zal kunnen maken.
  Dag meisjes, dag toejuichingen, dag consumptiebonnen!

de dood ligt in het schip
naast de ziel wijst naar niets
haak maar af

de kloof zal u vlijen
mijn haat zal u vlijen  

   de uwe
mijn        hoon
jouw naakt

op de spiegelvloer
mijn sprong
jouw haat

een opjuinende vergeving
anders niet

het veranderlijke lijden wil ik diep in de ogen
of daar wat brandt een verlangen verkrampt
of daar vraag wat vraag verdomme wat

zoek een manier om dit te waarderen
de kloof zal u vlijen

Dit gedicht wordt sterk zodra de lezer stopt een betekenis te zoeken. Het 'haak maar af' in regel drie mag wel opgevat worden als een handreiking van de dichter. De taal danst, over elke regel hangt een sfeer van horror en bedreiging, dankzij woorden als 'haat', 'lijden' en 'verkrampt' . Het schimmige 'de kloof zal u vlijen' is een regel waaraan ik me mateloos heb geërgerd, omdat ik 'm 'interessantdoenerig' vond - tot ie zich in mijn brein wrong. Sta ik in de rij voor de kassa in de C1000 en dringt er iemand voor, dan demoniseer ik de stakker ermee. 'De kloof zal u vlijen!'

MOLLEN

bedenk er is een land dat bij mij hoort maar ik woon er niet
ik moet terug er is een raadsel waartoe ik me verhouden moet

wie maak ik waar bang mee aan wie ontneem ik de nacht
ik maak nog een wereld met licht en laat trots mijn kijkdoos zien
het kan me niets schelen misschien maak ik morgen iets
en misschien nooit weer

pas op of ik doe je moeder na en maak je nog een keer

veel is niet genoeg nat achterovergekamd haar

mijn favoriete plastic komt uit china
om zo dicht mogelijk bij mijn favoriete plastic te zijn
moest ik afscheid nemen van mijn familie

maar nu heb ik een nieuwe familie
en zijn al mijn dromen vervuld

het kapitalisme komt hier ook wel
daar ben ik van vervuld
geluk met
                    en  vlug

Het goede nieuws bij dit gedicht is de heimwee uit de beginregels, het zorgvuldig afgemeten 'er is een raadsel waartoe ik me verhouden moet', de koppige kinderstem en de T-shirttekst 'ik maak nog een wereld met licht'. Maar blijkbaar was de Tipp-Ex op, waardoor 'veel is niet genoeg nat achterovergekamd haar' mocht blijven staan. Bruinja herneemt zich sterk, met een hilarische sprong naar plastic waarin gegraveerd de magische woorden 'made in China'. Maar nu het slechte nieuws. Drie briljante vervreemdende regels, een witregel, en dan het woordje 'maar' - en zie: het plastische, irreële China wordt plotseling weer de Volksrepubliek, die langzaamaan wordt geïnfecteerd door het kapitalisme.

Dat de dichter op andere momenten de rode marker wel wist te vinden, blijkt uit een van de sterkste gedichten uit de bundel, Whisky. Een eerst wat staccato beschrijving van de studentenkamer van een vriend eindigt met dit:

ik veeg de druppels van zijn rug veeg het zweet dat klimt naar lucht mijn hand ligt in zijn haar zo langzaam zijn wij nu mijn tong hangt in zijn oor koel oor en er zijn gebieden waar zijn lichaam ophoudt maar niet nu ligt het zweet van mijn buik op het zweet van zijn rug hangt mijn tong in zijn oor

Let op het adjectief 'koel oor'. Het lijkt een onbelangrijk detail, maar het is essentieel. Niet de dichter zijn tong ligt nu in het oor van de stinkende smeerlap op de kamer van drie bij twee. Maar míjn tong. Ik ben dáár. Ik voel me vies. Het gedicht is niet af. Het gedicht is klaar.

(bron: Het Parool, 25-11-2004)

terug naar boven


Van top tot teen geladen

door Stijn Ekkers

‘bedenk er is een land dat bij mij hoort maar ik woon er niet/ ik moet terug er is een raadsel waartoe ik me verhouden moet// wie maak ik waar bang mee aan wie ontneem ik de nacht/ ik maak nog een wereld met licht en laat trots mijn kijkdoos zien'

  ‘bedenk er is een land dat bij mij hoort maar ik woon er niet/ ik moet terug er is een raadsel waartoe ik me verhouden moet// wie maak ik waar bang mee aan wie ontneem ik de nacht/ ik maak nog een wereld met licht en laat trots mijn kijkdoos zien'. Deze prachtige regels zijn afkomstig uit ‘Batterij', de tweede bundel van de Friese dichter Tsead Bruinja. ‘Het raadsel', waar de ‘ik' over spreekt, behoort toe aan zijn geboortegrond, jeugd en studententijd. Aan alle personages, figuranten, plekken die daarin een rol speelden.
     De ik-figuur heeft er niet om gevraagd, maar hij zal zich tot hen verhouden. Er is sprake van unfinished business. Toch is dit beslist geen afrekening. In ‘Batterij' spreekt een stem die zich gaandeweg een plek verovert in de wereld. Een stem die ondanks alle ellende monter en waardig klinkt. ‘Onschadelijk en weerbaar' zoals het elders heet. En die dus trots is op zijn ‘kijkdoos'. Laten we er snel een kijkje in gaan nemen.
     ‘Batterij' bestaat uit vier afdelingen. In ‘…Kind dat buiten nacht komt zeggen', de eerste afdeling, wordt de broeierige, zomerse couleure locale van een dorp opgeroepen door een sterk filmische taal. Er wordt veelal op niet-sentimentele wijze geregistreerd, wat zeker niet hetzelfde is als onpersoonlijk. Onderga bijvoorbeeld het volgende gedicht:

SARAH & VERONICA (KOLLUM DRACHTEN EN AFRIKA)

de jongen van twaalf achter het klasraam weet hoe sarah krijst

sarah is veertig en kaal
sarah heeft een mes in de tas
krijst
sarah van de drie bulten in het park
sarah heeft een mes in de tas
jakkert een brief op de post
brief uit de tas
krijst

in de studio wordt daar een beat ondergezet met veel galm op de snare
door een drummer die zich grasmaaiend naar het einde snuift
de lamp boven beiden schijnt op het dorre gras

sarah

ijstaart in de piepschuim doos
en je tantes vieze poedel
de lekker wijven van veronica
de vale reigers van veronica
een handvol rijst voor de girokinderen
en voor de muggen op hun ogen

zien ze het niet geef hen dan
de lekkere wijven van veronica
de vale reigers van veronica

een
icoon

© Tsead Bruinja

Door de vermenging van het anekdotische, het muzikale en een even idiote als schrijnende beeldcultuur is juist een sterke onderhuidse spanning voelbaar. Honger, dood, liefde, geilheid - een onbegrijpelijke, vaak vijandige wereld die steeds met (beeld-)taal getracht wordt te bezweren, ook al bestaat er niet de illusie daar in te slagen. Dat groteske, wrede, retorische en speels-absurde, waarin de associaties elkaar oproepen dan weer teniet doen, is kenmerkend voor de dichter Bruinja. Eenduidigheid is hem te allen tijde vreemd.
     ‘Batterij' is dan ook een trefzekere titel. Die staat niet alleen voor het opladen dan wel leegstromen van het associatieve, vaak typografisch verwerkt door vreemde spatiëring en het weglaten van leestekens en woorden. Batterij is immers ook een militaire term voor artillerie-eenheid of geschut. Want taal is niet alleen om te bezweren, maar ook een wapen om mee te strijden: ‘al het spreken is spreken tot/ bidden aan taal is mening/ is verovering'. Er is in deze bundel haast geen gedicht waarin door de aanwezigen niet op een of andere manier wordt gestreden. De taal is van top tot teen geladen.
     In de laatste afdeling ‘Dorst' staan de meest ontroerende en krachtige gedichten. Daarin wordt door de ik-figuur het onvergeeflijke vergeven en met terugwerkende kracht en vol mededogen die affectie gegeven die hem op zo'n cruciaal moment onthouden is. Werkelijk groots.
     Zelden heb ik meer zitten zwoegen op een recensie als deze. ‘Batterij' is zo'n rijk, meerduidig en suggestief  werk dat ik onvoldoende heb kunnen veroveren. Ik geef het woord aan Bruinja:

het veranderlijke lijden wil ik diep in de ogen
of daar wat brandt een verlangen verkrampt
of daar vraag wat vraag verdomme wat

zoek een manier om dit te waarderen
de kloof zal u vlijen

(Bron: Ietsmetboeken - NPS) 

terug naar boven


Zinnen ineen schroeven

door Hans Groenewegen

Voor dit Nederlandstalig debuut publiceerde Bruinja (1974) al drie bundels in het Fries. Hij bouwde bekendheid op met zijn optredens op de podia. Samen met anderen ontving hij voor zijn programma 'Gewassen' het Hendrik de Vries Stipendium van de stad Groningen. Bruinja onderscheidt zich van andere podiumdichters. Ook op papier blijven zijn gedichten moeiteloos overeind. Hij legt zich niet op één vorm vast. Er zijn lange prozagedichten en korte lyrische zangen. Zijn techniek zinnen ineen te schroeven door de weglating van interpunctie bewerkt zo steeds een ander effect. Bruinja onderzoekt tot hoever hij met associatiesprongen en -breuken gaan kan, zonder de samenhang verloren te laten gaan. Hij kan zich daardoor zelfs liefdespoëzie veroorloven. Dat is niet veel beginnende dichters gegeven. Bij zijn waagstukken durft hij te verliezen. Dat maakt hem een interessant dichter die nu al naar zijn volgende bundel doet uitzien. (bron: informatie voor de bibliotheken)

terug naar boven


Opvallend door de onopvallendheid

Door Dirk de Geest

Het gebeurt niet vaak dat ik nog spontaan onder de indruk kom van Nederlandstalige poëzie, maar de bundel 'Dat het zo hoorde' is ronduit adembenemend. De Friese dichter Tsead Bruinja debuteert hiermee in het Nederlands, en meteen staat hij er als dichter. 'Dat het zo hoorde' is net zo opvallend door de onopvallendheid waarmee Bruinja te werk gaat. In plaats van een woordschrale poëzie en krampachtige stijlfiguren kiest hij voor een lyriek die rechttoe rechtaan lijkt te verwoorden wat de dichter bezighoudt. Vrijwel meteen valt echter op hoe doordacht deze gedichten als tekst geformuleerd zijn. De lezer stoot op herhalingen, beelden en variaties die blijven hangen, en heel wat gedichten maken gebruik van typografische middelen zoals het achterwege blijven van leestekens, waardoor de lezer gedwongen wordt om zijn eigen lectuur frequent bij te stellen. Het orale karakter van het taalgebruik wordt zo in de volle betekenis van het woord omgebogen in een scripturale lyriek; de herinnering aan Lucebert (zij het in een meer toegankelijke en minder barokke vorm) is dan ook nooit ver weg. Bruinja weet echter bijzonder goed de lezer te betrekken bij zijn gedichten door hem aan te spreken of als gesprekspartner in het gedicht te sleuren. De sfeer van deze gedichten is bijzonder ambivalent: aan de ene kant is er sprake van regelrechte romantiek, maar aan de andere kant wordt elke schijn van verzachting bijgesteld door harde formuleringen. De liefdesrelatie wordt zo herkenbaar en reëel, in een moderne wereld die beheerst wordt door vervreemding en techniek. Geregeld wordt de retoriek dan ook grotesk of humoristisch; ook dat is een duidelijke meerwaarde. 'Dat het zo hoorde' is bijgevolgd een krachtige bundel én een indringend statement, een van de bijzonderste realisaties van de afgelopen jaren; het zou mij verwonderen als daarvoor geen bekroning klaarligt. (De Leeswolf, blad voor de Belgische bibliotheken, nr.2 / 2004)

terug naar boven


Heldere stem voert de boventoon

door Maria Barnas

Soms denk ik dat muzikanten hun instrumenten vlak voordat ze de concertzaal binnengaan flink ontregelen om het dramatisch effect van het stemmen tot optimale hoogte te voeren.
Het publiek praat en hoest nog voluit, een enkeling dwaalt door het gangpad op zoek naar een betere plaats, en korte elektronische afscheidsdeuntjes van mobiele telefoons gaan als schokjes door de zaal. Een man voor me zwaait naar een bekende op het balkon en ik sluit mijn ogen om te luisteren naar het magistrale concert dat in volle gang is op het podium: flarden melodieën, flarden zomaar-geluiden en een enkele violist die het geheime concert ook hoort en er met zijn vastberaden spel bovenuit probeert te komen. De uitwaaierende tonen van het zoekende orkest naderen elkaar steeds dichter, en komen zoals alle gelukservaringen tot een geleidelijke vervlakking.
De gedichten van Tsead Bruinja zijn te vergelijken met het stemconcert op zijn hoogtepunt. Er is de muzikant in zijn gedichten die boven het stemgeweld uit probeert te komen. Deze stem voert veruit de boventoon, en daagt de lezer uit met vurig taalgebruik. Hierin is iemand aan het woord die gehoord wil worden, die wil analyseren, en daarin soms op een prettige manier verstrikt raakt. De onderstroom is daarbij gedreven door klank en beeldrijke associaties. Je hoort de regels terwijl je ze leest, en vraagt je af of het nog wel de bedoeling is dat je begrijpt wat er staat of dat je je als op muziek moet laten meevoeren.
In Stapt ze in een plas schetst Bruinja in een gedicht dat de opbouw heeft van een mop een kraakhelder portret van een dikke vrouw die opgetut en opgewonden "zij daar heen/ met dat zware lijf/ puik wiebelend" op pad gaat. Ook in Denk je dat we opnieuw kunnen beginnen is de taal helder, maar de situatie ambigu: "jij en ik na wat er is gezegd over ons/ denk je dat de afstand die we hebben afgelegd/ valt te vergeten/ dat we alle slijtplekken van waar we/ hebben gezeten al onze vormen/ over het hoofd kunnen zien". De situatie die wordt geschetst lijkt in eerste instantie op die na een ruzie. De afgelegde afstand, en de slijtplekken kunnen ingesleten gewoontes zijn van een paar dat elkaar door en door kent. Al onze vormen springt eruit. Zijn dat de lichaamsvormen die de man en vrouw hebben achtergelaten op door hen gebruikte meubels? Wellicht zijn het de manieren waarop ze elkaar kunnen zien, en vooral die ze moeten leren negeren, wil er nog een toekomst zijn voor de twee. Maar het zou hier net zo goed om een zich pas ontspinnende relatie kunnen gaan. De slijtplekken zouden dan kunnen duiden op ervaringen die ze hebben opgedaan in eerdere relaties, en misstappen die al bij en door anderen zijn gemaakt. Daardoor ontstaat het idee dat de situaties aan elkaar gelijk zijn, de onwennigheid van iets nieuws kan even groot zijn als het maken van een nieuwe start. Het is mooi dat de dichter dit nergens zegt, maar laat gebeuren in taal.

Ook binnen het gedicht moet iets gebeuren:
nu komt het erop aan de wijn is geschonken sterren pinnen het donker hemelkleed vast
nu komt het erop aan hij wijst naar buiten om te zien wat ze van de tekens vindt
nu mag het hoe hij het ook zou willen het mag het kan er staat iets te gebeuren
nu komt het erop aan hoe vertaalt hij haar lach en de houding van haar schouders

nu komt het erop aan dit maakt het stemmoment overbodig

Het stemmoment is heel letterlijk het moment waarop hij iets zegt. Als hij iets zegt. Het is ook het moment waarop de twee zich op elkaar kunnen afstemmen, wat volgens de man overbodig is: als er maar iets gebeurt, dan komt de rest vanzelf.
Ondertussen drijft de man die in de eerste strofes nog een "ik" was, steeds verder bij zichzelf vandaan. Zoals wanneer hij naar buiten wijst om te zien wat ze van de tekens vindt, leidt hij de aandacht af van zichzelf, en zoekt steun bij mogelijke vormen van zichzelf:

waar is dan de gorgelman met kloten in zijn keel
in het kasteel in het kasteel

waar is dan de klier met de hanentred
in de bak in de bak

waar is de sjoelkampioen met het onechte kind
in de zaal in de zaal

Het gedicht is een liedje geworden. Met de gorgelman als bizarre tussenvorm van mosselman en orgelman. Het mechanischer worden van de vorm gaat hand in hand met de stunteligheid van de man die blijft denken: nu komt het erop aan. Hij valt wellicht terug in hem bekende handelingen, neuriet godbetert misschien zelfs een liedje om zijn verkramping te maskeren. Muzikaliteit zindert in alle gedichten van Bruinja, en is meeslepend wanneer de dichter met stemmomenten en bezwerende herhalingen meeslepende situaties creëert waarbij de heldere stem de boventoon voert. (De Groene Amsterdammer, maart 2004)

terug naar boven



GROTE OPRUIMING

Door Adriaan Jaeggi

(...)De dichter met de onuitspreekbare naam Tsead Bruinja (1974) is het slachtoffer van ruimte- en tijdgebrek. Ik probeerde hem al maandenlang te bespreken, maar er kwam steeds iets tussen. Voor de goede orde: 'Dat het zo hoorde' is een interessante bundel. Ik zou liever een ander woord voor interessant gebruiken, omdat dat woord sinds Sjef van Oekel een onmiskenbare negatieve lading heeft ('Verdomd interessant, maar gaat u verder'), maar dat is toch echt wat het is. Bruinja's doorzagende, interpunctieloze poëzie blijft voortdurend aan je arm bungelen en aan je kop zeuren, als een klein jongetje dat in het reuzenrad wil en geen nee wil horen. Het is geen geweldige bundel, maar Bruinja is welgemoed op weg, en het is altijd leuk dat te volgen.

STAPT ZE IN EEN PLAS

dus dus zij daar heen
met haar zware lijf
puik wiebelend gewicht
nooit leunend op de as
kop als een rood bietje
bietje zweet onder de mouwen
van de bruine bloemetjesjurk
worstenvingertjes om het handtasje
met het geld knotje in
hoedje op
schoenen gepoetst snor geschoren en
snotterend afscheid genomen
zij daar heen
met dat zware lijf
puik wiebelend

(Het Parool, 02-01-2004)

terug naar boven


Rijpe appels als fruit geworden verdriet

Door Ron Rijghard

'Dat het zo hoorde' is het Nederlandstalige debuut van de Fries Tsead Bruinja (1974), na drie Friestalige bundels. Bruinja zet zelfverzekerd in. In het eerste gedicht 'u slikt' wordt de lezer meteen zijn plaats gewezen. Vanaf de eerste drie regels: 'hier bent u/hoort u/hier'. Kom maar op, denk je dan, knik en slikbereid. We zullen zien.
Maar zo'n mannetjesputter blijkt de dichter niet. De toon is er soms wel, en flair kan hem niet ontzegd worden, maar de taal werkt niet altijd mee. Dat laat zich illustreren aan de hand van het derde gedicht 'Appels kopen', dat scharniert rond de fraaie volzin: 'als zij naar het danshuis gaat, draagt ze een mand vol rode wangen'.
Appels kopen gaat niet zo maar. Het gedicht begint met de regels: 'kruimelig rijp verdriet spiegelt haar/in de bakken van de marktkoopman'. Rijpe appels als fruit geworden verdriet is een stuk minder. Erger is dat de associatie met de appelkruimeltaart uit de lunchroom danig in de weg zit. En zonde is dat Bruinja aan de gang blijft met appelige beelden. Zij lacht om zijn 'zoetzure grappen'. En dan staat er:' 't liefst trekt hij een knipmes nu//en toont haar de helften ruwe pit/ze twijfelt voor wat lijkt een vruchtloos uur'. Hoe was het ook alweer? Zacht zegt de lezer het voor zich uit: ruwe bolster, blanke pit. Hier dus een variatie. Het omslachtige 'voor wat lijkt' leidt naar 'het vruchteloos uur'. Met zo'n armoeiige woordspeling de aarzeling bij het appels kiezen opsieren: nee, dat is niet goed.
Gedurende de rest van het gedicht kan de lezer weer knikken - als zij naar het danshuis gaat: 'maar zij komt voor het dansen/als zij komt/komt ze voor het dansen//als zij komt gaat alles dansen/mag een gospelgilletje over komen varen/uit het zuiden van tabak ver amerika'. De regels krijgen ritme, dat de maat geeft voor de dans en aan de twijfel of ze wel komt. Het gedicht sluit af met een kwatrijn waarin een ikfiguur opduikt met zijn wensdromen: 'mijn slotheupen willen wiegen/zich in haar leegte wagen/tot dageraad me komt breken/en zij weer naast me slaapt'. Hij wil haar terug in zijn bed. Net als bij 'kruimelig' dringt zich - wellicht onbedoeld, maar onvermijdelijk - een associatie op. Met terugwerkende kracht merk je de platte bijbetekenis op van die wiegende heupen en van 'als zij komt gaat alles dansen'.
Bruinja kan wel goede gedichten schrijven. 'Directeur van de zon' bijvoorbeeld, dat intrigeert van titel tot laatste regel. Het begint met 'hij scheen de baas van een prachtig brandend huis/men zegt het behang was geel nicotine'. Krachtige, absurde regels, die ook wel iets geestigs hebben. Op de pagina rechts van 'Directeur van de zon' staat een titelloos gedicht dat begint met 'een man staat voor mijn deur/met een hopeloos wonder/voor een zachte prijs'. Het is een gaaf gedicht waarin Bruinja snel een voorval neerzet en dat licht laat ontsporen.
De twee gedichten onttrekken zich ook aan het romantisch motief dat in veel gedichten een rol speelt: de verloren liefde. Dat levert regels op als: 'nooit wordt iets zo ver vergeten/dat het niet meer kan worden bedacht'. Maar het instemmend geknik stokt bij het vervolg: 'als de herinnering kwijnt verdwijnt komt/de verbeelding en schildert haar lach'. Daar staat hetzelfde, met als werk van de verbeelding: het schilderen van een lach. Het is ongetwijfeld waar en diep doorleefd, maar heeft de verbeelding geen andere ideeën? Alleen de volbloed romanticus, in de ban van zijn hartstocht, komt op zo'n voorbeeld.
Zo zwart-wit als bij de geciteerde gedichten is het oordeeel maar zelden. Bruinja schrijft interpunctieloze over de regels voortijlende zinnen, aangenaam rafelig en onaf. Geregeld zijn er treffende formuleringen, maar meestal zijn ze net niet spannend genoeg, is de gekte niet genoeg.
Een handvol geslaagde gedichten, een kleine collectie rake regels. Het is nog niet veel. Het is een begin. (Awater Nr. 3, 2003)

terug naar boven


 

Meerdere tongen

door Hein Walter

Tsead Bruinja schrijft zonder interpunctie in gedichten met korte zinnen is dat niet zo opmerkelijk sinds de vijftigers mag dat maar in zijn prozaïsche gedichten die eruitzien als blokken tekst met meer dan vijftien regels paginabrede zinnen is het op zijn minst opvallend het is alsof je onder een douche staat van taal een woordenwaterval waarin het je bovendien moeilijk wordt gemaakt door de wemelende wendingen het water kan bijvoorbeeld dronken zijn iemand kan er gastentenen kietelen of de dagen kunnen er stokstijf braken het zijn met name deze gedichten die je moet ondergaan en begrijpen zonder dat je ze begrijpt ik zal een kort stukje citeren 'hij lacht zijn tanden bloot en bekijkt tevreden rouwranden die kleurloos dwarrelen boven nagelriemen resten echte boter drongen zich op aan speekselklieren ledigden tong van wrok ontspanden tunnelvisie kriebelden met fladdertriolen de maagwand etcetera'

In het (lelijke) openingsgedicht 'U slikt' geeft Bruinja de gevoelens die hij met zijn woorden bij de lezer verwacht op te roepen zo weer:

hier bent u/hoort u/hier//de kraag hoog/de hond mank/het pak krap//van schaap/net van wiel/wat spint dat//u knikt/kijk/u knikt//knikt u/dan knak/ik//ik laat u/uw hond mank/uw pak krap//u knikt/ziet u/u knikt

Ik moet zeggen dat het genoemde knikken van instemming bij mij lang op zich heeft laten wachten, maar dat ik nu, na her- en herlezing, toch wel overtuigd raak van de zeggingskracht van veel van de gedichten in deze debuutbundel. (Terzijde: Tsead Bruinja is al jaren zeer actief, getuige zijn c.v. op zijn website, en ook al heeft hij al verschillende bundels in eigen beheer uitgegeven. Dan is het in feite toch raar om te spreken over een debuut, alsof de wereld van de uitgevers de enige echte is.)
Bruinja spreekt met meerdere tongen. Er zijn de bovengenoemde blokgedichten die je moet ondergaan, soms schrijft hij verhalend, waarbij werkelijkheid en onwerkelijkheid in elkaar kunnen overgaan, en dan schrijft hij weer kort en dicht.
Hier een toegankelijk gedicht over een ik en een meisje:

ik zei ik zie de roos
als een wrak
in aanbouw

ze zwierde aan de kroonluchters
boven de romige hapjes

met een vorkje porde ik van alle kanten
in het gebakje

vat vol ongenoegen dat ik ben
inclusief slenterhart dat al twee dagen
zijn plek niet meer kent

en ik maar denken
ik liet haar gaan maar niet zonder
slag of stoot geen letter hortte uit mijn mond
ik stotterde alleen rook

toen ze zei dag ik hou van je
riep ik heel hard tegen het plastic ivoor
dag telefoon
dahaaaaaag

Een mooi gedicht. Ik lees de relatie tussen een jongen en een meisje die op de proef wordt gesteld doordat het meisje voor een bepaalde periode weggaat, naar het buitenland bijvoorbeeld. Het wordt gevierd met gebak. Het meisje is een en al vrolijkheid, en de jongen eet tegen heug en meug. Hij neemt zich voor om haar niet te laten gaan, of op zijn minst alles te zeggen wat hij wil zeggen, maar hij zegt niks. En het gedicht eindigt met de ontlading aan de telefoon, waarbij alle ellendige boosheid en opgekropte teleurstelling er in één woord wordt uitgeflapt: 'dahaaaaag'. Nogmaals, een mooi gedicht, maar ik heb ook kritiek: de eerste drie regels zijn prachtig, maar ik vind ze niet passen bij de rest van het gedicht. Het meisje is euforisch, de jongen pessimistisch, en bij geen van beiden past de romantiek van de vervallen roos. Als de jongen werkelijk een romanticus was, dan zou een snik hem beter passen dan boosheid.
Er komen veel kleuren in de bundel voor, en de dingen worden zintuiglijk beschreven, maar toch is het geenszins een overzichtelijk plaatje. Als ik een naam zou moeten geven aan deze poëzie dan zou het 'fantastisch realisme' zijn: bedenk het en het bestaat. Een mooi voorbeeld daarvan is het gedicht over een handelsreiziger die wonderen verkoopt:

een man staat voor mijn deur/met een hopeloos wonder/voor een zachte prijs//langsheen vallen voor hem/onmerkbaar/tien zich aan elkaar vergrijpende/jonge stellen ik denk/liefde is weer hier/nu ze terug is zullen we/kunnen maken/dat ik weg kan komen maar/hij staart me rechter in de ogen//haalt wat van de prijs/en oppert dat ik ermee/zou kunnen leuren//wat lonkt ze aantrekkelijk/z'n verouderde vreugde/kan ik dit niet aannemen/en ermee naar bovenzeulen//een jas aan/een pad op/een kant uit

In de wereld van het woord kan alles bestaan, ook dingen die doorgaans niet bestaan. Dus ook een 'directeur van de zon', die in het gedicht langzaam de vormen aanneemt van zijn eigen vader:

hij scheen de baas van een prachtig brandend huis/men zegt het behang was geel nicotine/het hart van buiten is het hart van binnen/vlammend rood zegt men vlees in het licht is rood//maar als je door mijn aderen kroop/en me deelde dan ben je die ene/die zich in het na de lamp uit/voor de slaap klaarmaakt de trap op gaat//van wie een hand rust op een schakelaar/van wie de avond steeds het lichaam met/donkerrood verzet en twijfel vult//de kleur van vertrek het zwart dat past/om een spook van voor voorbijganger/de kleur van iemand iemand/die zomaar een woonkamer verlaat

De gedichten waarin Bruinja dicht bij zijn eigen herinnering blijft ('nooit wordt iets zo ver vergeten/dat het niet meer kan worden bedacht') zijn het makkelijkst, zoals in het gedicht 'Brief', waarin zijn jeugd het onderwerp is:

voor je een oprit met duimendik vers rood grint/het zal knisperen onder je laarzen/aan weerszijden van dit begin wit beschilderde palen/met reflectorstrepen die wachten op hoe koplampen/strelen over de houten wielen zonder wagen/hun spaken en ijzeren banden nu samen/half verzonken in de aarde//in de verbouwde boerderij aan de smal kronkelende landweg/huizen een deel van je dromen/en spoken achter het lichtelijk vergeelde vitrage van de ramen/van toen je vader nog rookte en in de stenen/kraakt het langzaam van herinnering aan warmere dagen/van vloeibaarheid en zonnewind//je denkt aan hoe de jongen 's avonds/het hout voor de allesbrander uit de schuur moest halen/hoe je van een programma als dallas nog zonder reclame/dan een deel moest missen//ziet hoe jij en je vriendje op een woensdagmiddag/in een wedstrijdje/wie het verst kan pissen/naast de sloot dampende gele stralen/op het eendekroos plaatsen/en verdwijnt zoals je kwam
door twee trotse zwarte gaten

Dat is een mooi beschreven jeugdherinnering. Waar komen die beelden vandaan? Uit een groot zwart gat, dat eruit ziet als het zwarte gat in het kroos. Daaronder, in het water, bestaat de wereld van de herinnering, zoals Nijhoff die ook al heeft beschreven. Hij maakte met zijn hand een wak tussen de lissen. Tsead Bruinja doet het met pissen. (Roodkoper, herfst 2003)

terug naar boven


 

Vragen zonder vraagteken

door Edwin Fagel

Als poëzieliefhebber heb ik natuurlijk mijn voor- en afkeuren. Die zijn dikwijls op argumenten gestoeld, die op zichzelf niet zo terzake doen. Ik heb het bijvoorbeeld niet zo op poëzie zonder interpunctie. Nu wil het geval, dat bij Uitgeverij Contact een debuutbundel verscheen zonder een enkele punt, komma of uitroepteken (zelfs zonder haakjes openen of sluiten): ‘Dat het zo hoorde’, van de jonge Groningse dichter Tsead Bruinja. Ik ben hem toch eens gaan lezen.
Waarom houd ik niet van poëzie zonder interpunctie? Het leidt af van de inhoud. Een gedicht stemt meestal genoeg tot nadenken (wat heet: een nadenken dat nooit stopt). De vraag waar de zin begint of eindigt, of wat bijvoorbeeld het lijdend voorwerp is en wat het onderwerp, is van ondergeschikt belang. Daar wil ik me niet mee bezighouden. Daar staat natuurlijk tegenover dat de woorden, doordat de interpunctie ontbreekt, onverwachte verbanden aan kunnen gaan; er kunnen verrassende betekenissen ontstaan uit zo’n lange doorlopende zin, bedoeld of onbedoeld. Met andere woorden: een dichter moet verdomd goed weten wat hij doet, als hij de interpunctie weglaat: er liggen bij elk woord dat hij schrijft betekenissen op de loer die het gedicht kunnen bederven.
Bruinja weet wat hij doet. Ik zal een voorbeeld geven. Het gedicht ‘Tongval’ vergt de nodige energie. Je leest het gedicht bijna schrijvend: telkens begin je weer aan het begin van de regel, zoekend, herformulerend, en bij elke keer valt het allemaal beter op zijn plaats. Tot er uiteindelijk, eindelijk, de volgende geslaagde regel op papier staat:

het bos knelt om nauwe stadsschoenen die in ondiepe
weilandkuilen regenwater zacht verder laat zinken dan de lucht
spiegelen kan (Tongval, pagina 11)

Dit zoeken is kenmerkend voor de poëzie. Veel gedichten vallen pas na zes, zeven regels in elkaar. Die eerste regels zijn vaak bestemd voor een sfeerschets, het neerzetten van een situatie; daarna volgt dan een wending die deze situatie in een (vervreemdend) perspectief plaatst. Het gedicht eindigt dikwijls heel ergens anders dan waar het begon. Dit procédé levert grillige regels op:
zij laat door rood lopen
door negen levens van persoonlijke revolutie
het laten van rood in tint maar niettemin (‘Door rood’, pagina 28)

Bruinja biedt een wonderlijke mix van romantische melancholie met ‘moderne’ speelsheid. Het werkt goed, zolang beide componenten elkaar in evenwicht houden. Als de balans doorslaat, is de poëzie direct een stuk minder interessant. Bruinja’s romantische melancholie spreekt me het minst aan, omdat het al snel pathetisch aandoet.

(...) ze zei je moet niet langer
tegen me spreken en heel mijn hebben en houden
zakte weg tussen de regels ik heb niets toe te voegen (Aan mijn onbekende ledemaat, pagina 24)

Een nadrukkelijk speels gedicht, zoals bijvoorbeeld ‘Stapt ze in een plas’ (waarin de titel de clou is, het gedicht de anekdote), zegt mij niks. Het is een anekdotisch gedicht, en de anekdote zou zelfs in de kroeg niet veel succes hebben. De poëzie gaat sprankelen, waar Bruinja deze twee kwaliteiten verenigt. Dat gebeurt mooi in ‘Appels kopen’ (pagina 5), een lief en ondeugend liefdesgedicht, en in het gedicht ‘golfplaten daken mosdaken’ (pagina 10). Dit laatstgenoemde gedicht stapelt beelden op elkaar, waarvan de samenhang onduidelijk is, maar die een eigen logica blijken te hebben:

(...) spieken over de
randen van aankleedhokjes gettoblasters klonken als betonnen vierbaans-
wegen onderdoor reden jongensstemmen hij kan het horen maar zij trekt
aan wat hij bewaart achter zijn tralietanden en laat zijn lamme tong weer
lopen terug naar het dorp waar hij woelnachtenlang dorstig wakker ligt
mes in de buik van een hongerige god(p. 10)

In dit soort gedichten vervult de poëzie van Bruinja een functie die volgens mij wezenlijk is voor poëzie, voor alle kunst: het maakt ongemakkelijk, het roept onbehagen op, het stelt vragen. En daarbij maakt het niet veel uit of hij dat met of zonder vraagteken doet. (www.derecensent.nl, 16-11-2003)


terug naar boven


 

Dit is een samenvatting van het programma Radio Oeps dat wekelijks wordt uitgezonden door OOg het lokale radiostation van de stad Groningen. Aan het woord waren presentatoren en dichters Maria van Daalen en Daniël Dee. Ik heb geprobeerd de tekst zo letterlijk mogelijk te houden, maar her en der een zin iets leesbaarder gemaakt.

Daniël Dee: 'Volgens mij is het gewoon een goeie bundel...Je kan zien dat het iemand is met talent...Deze poëzie is niet makkelijk...Bruinja is duidelijk een poëzielezer...Hij gebruikt zinnen met dubbele betekenissen....Ik proef veel romantiek in deze bundel...Het is een continue zoektocht in het hier en nu door iemand die nooit tevreden is met wat hij vindt...Bruinja is een zingende dichter...De bundel doet denken aan het werk van de Vijftigers...Het is ongetwijfeld goeie poëzie, maar ik vraag me af of leken dit ook met plezier zullen lezen...Bruinja speelt veel met taal maar je hebt het niet meteen door.

Maria van Daalen: 'Deze poëzie lijkt simpel, maar is het niet...Het is pijnlijk...Het deed me erg denken aan van Ostaijen en dat is geen slechte vergelijking...In deze bundel gaat het vaak over ergens niet thuis zijn. Deze poëzie is klankrijk...Bruinja is een visie aan het opbouwen over zijn generatie...Zijn werk doet denken aan het werk van Lucebert, veel taalspel en taalplezier...'nooit meer kan iets zo ver worden vergeten dat niet opnieuw kan worden bedacht,' is volgens mij bijna letterlijk terug te vinden in het werk van Hans Faverey. De inhoudsopgave is bijna te lezen als een gedicht...We kunnen nog veel van hem verwachten. Heel anders dan in bij veel podiumpoëzie blijft dit werk overeind als je het leest...Het deed me denken aan van Ostaijens Huldegedicht aan Singer...Tsead Bruinja, romanticus. Het is een prachtige bundel die we onze luisteraars aanraden.'(Radio Oeps, oktober, 2003)

terug naar boven

 


 

'IK ZIE DE ROOS ALS EEN WRAK IN AANBOUW' (deze tekst is in het Fries)

door Elmar Kuiper

De man dy’t rinne moat, swimt yn Sehnsucht yn 'e nijste, Nederlânstalige bondel fan Tsead Bruinja.

De dichter hat himsels losmakke, hy is in minske sûnder thús. Bruinja skriuwt assosjative, byldrike en fragmintaryske poëzije. Syn fersen skolperje net, se streame. De wrâld yn en om it ‘fers ik’ hinne is kontinu yn beweging. De dichterlike ik-persoan libbet yn ’e geast, syn gedachten nimme sa no en dan in hege flecht. Hy wol oeral by wêze, aktyf meidwaan en snobje fan it libben wylst er wit dat de dea oer it skouder gluorket en spytgnysket.Yn myn eagen is Bruinja yn syn fersen ek in doarmjende ridder, in earnstige profeet, in bluisterige puber, in teatrale jongfeint, in roerleaze skipper, in wanheapige b-akteur en in koele foyeur. Yn dizze bondel is hy benammen in knappe dichter. It is Bruinja sels dy sprekt en him oertsjûgjend útsprekt.

UT IT KEURSLIIF

Bruinja kin sunige fersen skriuwe, lykas it krêftige iepeningsfers ‘U slikt’. Faak giet er by Lankum om en struit er rij mei bylden. Hy swimt bytiden yn sprekwetter en fersûpt suver yn ’e eigenskipswurden. Ik wurd in romantikus gewach dy’t it keursliif fan taal útstrûpt en himsels yn in bloedrivier wasket. Hy wol him frij ferwege en stekt de holle eptich boppe it wetter út. De ik-figuer yn Bruinja syn fersen hat net in soad kriich yn ’e bealch. Benammen sa gau’t de muze him tasprekt is er net thús: ‘de kleur van iemand iemand / die zomaar een woonkamer verlaat’. Ek lit de muze him wol ûnbeskamme achter:

ze heeft me rood laten zien
met woorden van diep donker vloeiend
rood

Ensenearret de dichterlike ik hjir syn eigen dea?:

dat ik eelt snijd uit graven
randen afteken met naald en garen
bedachtzaam de zachte huid toedek
waarmee ik werd geboren

Bruinja nimt skerp waar, hy is in liedsman dy’t driftich it ritme fan de fersen bepaalt en dy’t de lêzer mei swierige hân meinimt yn syn belibbingswrâld. Hy lûkt it wite skerm nei ûnderen en lit dy ferdrinke yn ’e nacht. Hy lit dy boatsjefarre op wieljend wetter en bringt dy moarns yn rêstich farwetter werom. Dat is in Bruinja yn ’e foarm fan syn libben!

SPAGAAT

Sa no en dan moat ik in spagaat meitsje om fan de iene strofe nei de oare te kommen. It ferbiningslyntsje is tin, in wite haai nimt de boat op sleeptou. It smyt spannende, dynamyske poëzije op lykas:

ik zag de zachtste geesten van mijn geweten generatie
hun doorzichtige harten afschminken achter glas
de piste was leeg het bloed was geronnen
het zaagsel was verworden tot een teer verenkleed gevuld met

gaten in de kleedkamer vlogen draken over stormachtige hoofden
achter ruggen om speelden plagerige engelen
met droeve resten blikken aureolen die ze aan de staart
van de jongste hond knoopten het keien kletsen te boven

zag ik jongensogen mannenkassen uitblinken
en later gedoofd verbleekt als afgedane wikkels
van chocoladerepen half gesmolten
alles in een optreden gegeven deze nakomelingen

uit een verworpen schoot wier moeders vergeefs
hunkeren naar vadermoord en wier publiek
nog met ribben en modder op een draadloze dag
langzaam moet worden uitgevonden

HARSENSKRABJE

Bruinja lit my harsenskrabje as er sokke rigels skriuwt:

aan het ontbijt groet ik haar dan fabriekfantoom met
dag verassingswond daar tussen de open gordijnen
wacht al een poosje mijn onbekende ledemaat

Ja, ja dat sil wol Tsead… Dit smakket my net. Wollige taal! Kom op, skear dit skiep mei it mes fan in taalbeul! Tsja, dat is no krekt ék de klasse fan dizze poëzije.
De byldspraak is bytiden prachtich krom, ynkonsekwint, ûnlogysk en folslein loskeppele fan ’e kontekst. De wurden lykje nei eigen goedfinen, nonsjalant opskreaun te wêzen. It sykhellet net swier yn de fersen.

DEAGEWOAN

Dat brekt him ek wol ris op. Yn guon fersen komt it sa deagewoan oer wat Bruinja skriuwt. Bruinja is net yn foarm. Hjir is in brave boarger oan it wurd dy’t ferslach docht fan in ‘afterparty’:

laat de wereld nu maar vloeibaar worden laat de stemmen opkomen als
ze slaapt het glas is gebroken beschonken gaat het dromen te zee opent
het water is dronken mijn lachen was hard te hard mijn draagkracht bracht
traag ratelende telefoons ten gehore mijn spraak droop van wanden af
en kietelde gastentenen kon het ze niet kwalijk nemen dat mijn gezicht…

(ensafuorthinne)

Ik fronselje de wynbrauen. Nee, hjir fyn’k neat oan. Koarkdroech. Te hastich en te maklik opskreaun. Dit fers wol net dronken wurde.

AKROBAAT

Bruinja kin in linige akrobaat wêze dy’t nuvere tinksprongen makket:

ik zei ik zie de roos
als een wrak
in aanbouw

ze zwierde aan de kroonluchters
boven de romige hapjes

met een vorkje porde ik van alle kanten
in het gebakje

vat vol ongenoegen dat ik ben
inclusief slenterhart dat al twee dagen
zijn plek niet meer kent

en ik maar denken
ik liet haar gaan maar niet zonder
slag of stoot geen letter hortte uit mijn mond
ik stotterde alleen rook

toen ze zei dag ik hou van je
riep ik heel hard tegen het plastic ivoor
dag telefoon
dahaaaaaag

Bruinja set yn dit prachtige fers fuortendaliks de toan mei de ferrassende ferliking: ‘de roos / als een wrak / in aanbouw’. Dit fers blinkt út yn syn soart. It is dwers en eigensinnich. Candelight klysjees, lykas ‘vat vol ongenoegen dat ik ben’ en ‘zonder / slag of stoot’, binne prakkesaasjes fan de ik dy’t oanjouwe dat er net liket te leauwen yn ’e leafde. Dy klysjees set Bruinja op subtile wize neist ‘slenterhart’ en ‘ik stotterde alleen maar rook’. Dat binne moaie fynsten! Bruinja lit de muze even luchtich foarby swiere en pikt har oan de ein - in yllúzje earmer - wer op: ‘dahaaaaaag’. De sprekker jout kommentaar op himsels en wol striidber oerkomme, mar der komt him neat út ’e mûle. Hy jout it oer, hy kin net kommunisearje, allinnich lêbich roppe. Yn ’e tillefoan.

OPTIMA FORMA

It fers sketst it byld fan in romantikus yn optima forma: in roas rûkt lekker, in gebakje smakket bêst, mar net foar him. Hy wit syn plak op dizze wrâld en berêst dêryn. It subtile ‘ik liet haar gaan’ jout oan hoe’t de (wite) flagge der by hinget. It fers ropt frjemde assosjaasjes op. Ik moat fuortendaliks tinke oan romantyske diners, de aventoeren fan Kuifje, Clint Eastwood en Goede tijden, slechte tijden. Ik nim der ien. Bruinja hat in prima bondel skreaun. Dy pear missers spiel ik wol fuort. Tsjoch! (www.farsk.nl, oktober 2003)

terug naar boven


 

Zij komt om te dansen

Bruinja's poëzie sluit niets uit en suggereert alles

door Ilja Leonard Pfeijffer

Je hoort vaak zeggen dat het bij poëzie eerder draait om suggestie dan om explicitering. Dat klopt. Een goed gedicht is zelden een eenduidig verslag in alle eenvoud ingediend, maar veeleer een requisitoir van vermoedens. Het biedt niet zozeer de notulen van belevenissen als wel aanknopingspunten voor agendapunten voor een veelvoud aan mogelijke gedachten.
In het gedicht 'Appels kopen' is er sprake van een meisje dat appels koopt: 'delicaat is zij die van appels houdt'. De marktkoopman is onder de indruk. '`t liefst trekt hij een knipmes nu// en toont haar de helften ruwe pit.' In deze twee simpele verzen gebeurt er van alles tegelijk. Het trekken van een mes en het feit dat het een knipmes is, schept verontrustende vermoedens over de intenties of fantasieën van de marktkoopman. Maar in het volgende vers blijkt hij alleen maar van zins zijn koopwaar aan te snijden. Er is een remniscentie aan de uitdrukking 'ruwe bolster, blanke pit', maar de appel heeft juist een ruwe pit. Geldt ditzelfde voor de koopman? Of is er juist sprake van een contrast tussen de man en zijn waar? Vervolgens wordt het delicate meisje verder appelend ingekleurd. 'als zij naar het danshuis gaat/draagt ze een mand vol rode wangen.'In de strofe onmiddelijk daarop komen de mannen al bij bosjes op haar af, 'maar zij komt voor het dansen/ als zij komt/ komt zij voor het dansen.'
Op simpele en uiterst effectieve wijze suggereren deze verzen met terugwerkende kracht alles over de ware bedoelingen van de mannen die zij aantrekt en tegelijkertijd schetsen ze met raken lijnen de karaktertrekken van het meisje. De regel 'als zij komt' roept de gedachte op dat zij ook wel eens niet zou kunnen komen. Maar 'als zij komt gaat alles dansen / mag een gospelgilletje over komen varen / uit het zuiden van tabak ver amerika', alsof men in de disco haar komst afwacht zoals een uitbundig gospelkoor de komst van de messias naderbijjubelt.
In de slotstrofe kantelt het perspectief van het gedicht omdat het meisje in verband wordt gebracht met de ik-figuur: 'mijn slotheupen willen wiegen / zich in haar leegte wagen/ tot dageraad me komt breken/ en zij weer naast mij slaapt.' Hier breekt het gedicht open in een waaier van mogelijke interpretaties. Het strategisch geplaatste woordje 'weer' doet vermoeden dat het dansende appelmeisje ooit de vriendin was van de ik maar nu niet meer. Dan zijn al die voorafgaande mannen op de markt en in het danshuis gevaarlijke rivalen die in de ogen van de ik met hun vuile klauwen van haar af moeten blijven.
Maar gelukkig moet zij er niets van hebben, zij komt alleen voor het dansen. Ja, ja. Dat zullen we dan maar hopen. De herhaalde mantra die wil dat zij alleen voor het dansen komt, klinkt opeens eerder als een bezwering dan als een observatie. Maar waarom staat er dat de ik zich in haar 'leegte'wil wagen? Wat gebeurt er als de dageraad hem breekt? Betekent dat alleen maar dat het feest is afgelopen of 'breekt' de ik omdat het meisje uiteenspat tot een fantasie en dat hij voor de zoveelste keer mag slapen met haar droom? Als ze al komt. Misschien was ze de hele tijd al niets meer dan een fantasie. Niets wordt uitgesloten omdat niets wordt gezegd en alles wordt gesuggereerd.
Dit gedicht 'Appels kopen' staat in de bundel 'Dat het zo hoorde', het Nederlandstalige debuut van de jonge Friese dichter Tsead Bruinja. Het is een goed gedicht en een goed debuut. Het is knap hoe Bruinja veel weet te suggereren in enkele raak geformuleerde verzen. Zoals dit: 'geur in dekens/ lijkt niet op mij' en dan even verderop in hetzelfde gedicht 'dit leven is zo constant een mooi ding/ dat het zonde is haar te verlaten/ kom naai nog geen zakken'. Even denk je dat de dichter het leven per ongeluk vrouwelijk heeft gemaakt, dat zelfdoding wordt overwogen maar het naaien van lijkzakken kan worden uitgesteld, totdat je beseft dat 'haar' niet naar 'leven' verwijst, waardoor het naaien van zakken, zeker in combinatie met de oneigen nestgeur van betekenis verschiet. Of hoe beschrijf je haastige forensen terwijl je tegelijkertijd van alles suggereert over hun dromen en verwachtingen? Zo: 'pakmannen hopen op vertraging.' Hoe droom je van een vergeten minnares? Zo: 'nooit wordt iets zo ver vergeten/ dat het niet meer kan worden bedacht.' Van een dichter die zulke verzen schrijft, valt wat te verwachten. (NRC Handelsblad, 12-09-2003)


terug naar boven

 


 

Het draait om bomen en rotsen

door Piet Gerbrandy

Het is niet verstandig in gesprekken of artikelen over moderne literatuur het begrip 'romantisch' te laten vallen, want voor je het weet zit je verstrikt in een eindeloze discussie over de vraag wat die term betekent. Een kenner van de 19de eeuw zal het woord anders gebruiken dan een fabrikant in kaarsen of een adolescent die zijn geliefde op de Eiffeltoren ten huweljk vraagt. Maar soms is een dichtbundel zo doortrokken van Sehnsucht, Weltschmerz en spleen dat het raar is het woord te vermijden. Welnu, Tsead Bruinja (1974) is een romanticus in de traditie van Heine, Haverschmidt en Slauerhoff, want de sprekers in zijn gedichten zijn permanent ontheemd, onfortuinlijk verliefd, bezeten van doodsdrift en onstilbare verlangens.
Bruinja heeft de afgelopen jaren niet stilgezeten. Hij publiceerde bundels in het Fries, redigeerde tijdschriften, werkte mee aan bloemlezingen, trad in binnen- en buitenland op met diverse kompanen uit het Groningse voordrachtscircuit, dat niet alleen dichters, maar ook deejays, muzikanten en media kunstenaars omvat. Met het collectief 'Gewassen' stond hij op Lowlands.
Poëzie die op papier indrukwekkend is, komt op het podium soms absoluut niet tot haar recht; omgekeerd blijven gedichten die een zaal plat krijgen, in een bundel vaak niet overeind. Dat bleek bij de publicatie van werk van Bart F.M. Droog, Sieger M. Geertsma en Ramona Maramis. Met zijn debuutbundel in het Nederlands bewijst Bruinja dat hij van een ander kaliber is. Hoewel niet alle gedichten in Dat het zo hoorde volledig overtuigen, heeft Bruinja een eigen stijl die de lezer meesleept en inpakt.
Is men bij gedichten van sommige dichters geneigd te zeggen dat ze staan als een huis, bij Bruinja ligt het meer voor de hand een watermetafoor te gebruiken. Deze poëzie stroomt, soms breed, soms smal, ze is in beweging, kiest vaak een onverwachte bedding of mondt uit in een delta die de lezer verschillende mogelijkheden biedt het stroomgebied te verlaten. Aan het slot van een gedicht bevind je je totaal ergens anders dan aan het begin.
Een goed voorbeeld van Bruinja's techniek is het tweede gedicht, dat begint als een moeizaam gesprek tussen geliefden:

denk je dat we opnieuw kunnen beginnen
jij en ik na wat er is gezegd over ons

denk je dat de afstand die we hebben afgelegd
valt te vergeten

dat we alle slijtplekken van waar we
hebben gezeten al onze vormen
over het hoofd kunnen zien

Deze strofen gaan niet alleen over het opheffen van een verwijdering tussen een man en een vrouw, maar ook over de macht van het woord. In de volgende strofe realiseert de vrouw zich dat het een beslissend moment is: 'nu komt het erop aan de koffie is gedronken de maan is aan de hemel gehangen'. Ook de man weet dat er geen tijd meer voor aarzeling is: 'nu komt het erop aan hoe vertaalt hij haar lach en de houding van haar schouders'. Waarna het gedicht van karakter verandert en in een krankzinnig liedje overgaat, dat zowel luchtig als dreigend is:

waar is dan de gorgelman met kloten in zijn keel
in het kasteel in het kasteel

(...)

waar is de hand met het mes
achter je achter je

Deze merkwaardige ontsporing doet denken aan het werk van Tonnus Oosterhoff, aan wie Bruinja een gedicht heeft opgedragen.
Van een iets andere sfeer, maar met dezelfde stroming, zijn enkele gedichten waarvan de regels zo ver doorlopen tot de rechtermarge dat je ze misschien prozagedichten zou mogen noemen. Dit is het uitzicht van een voyeur: 'de schone was hangt buiten en takken groeien graaiend naar waar ze kunnen/ ontwrichten stenen muren daarbinnen hij denkend aan zwembaden/ badpakken gluren en na de koffie drinken'. Doordat Bruinja geen leestekens gebruikt, is de zinsbouw vaak meerduidig, wat bijdraagt aan het vloeiende karakter van zijn poëzie.
De dichter ziet 'de roos als een wrak in aanbouw', als een meisje opbelt om te zeggen dat ze van hem houdt, roept hij heel hard 'dag telefoon', en in het laatste gedicht wordt nog eens vastgesteld wat ertoe doet: 'het draait om bomen en rotsen / het draait om welk gewaad ze draagt / als ze danst': romantiek op zijn echtst.
Ten slotte: uitgeverij Contact verdient een prijs voor de vormgeving van de dichtbundels die ze de afgelopen twee jaar heeft uitgebracht. (Volkskrant, 05-09-2003)

terug naar boven